De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rentmeesterschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rentmeesterschap

17 minuten leestijd

(Openingswoord op predikantenconferentie Geref. Bond op 4 januari 1989 te Zeist)

Het jaar 1988 is de geschiedenis ingegaan als het jaar waarin de ene natuurramp na de andere plaatsvond. Grote gebieden van de aarde werden geteisterd door droogte, overstromingen of alles verwoestende orkanen. Ten laatste was er de geweldige aardbeving in Armenië. Voor vele tienduizenden mensen brachten deze rampen dood en verderf. En degenen, die het overleefden in die gebieden, verloren in één slag hun bestaanszekerheid.
Vanuit het geloof in Gods voorzienigheid moeten we zeggen: De hand Gods heeft deze gebieden aangeraakt. Toch kunnen we daarbij niet voorbij gaan aan de vragen die natuurkundigen en geologen ons stellen. In hoeverre heeft de mens zelf hierin niet de hand gehad door ongelimiteerd in te grijpen in de natuurlijke gesteldheid van de aarde en zijn begroeiing.
Mede hierdoor zijn wij het jaar 1989 ingegaan met de grote vragen over de verantwoordelijkheid, die de mens draagt met betrekking tot het beheren van Gods schepping. Niet ten onrechte is er gezegd dat door de kersttoespraak van koningin Beatrix het milieu hèt onderwerp voor de komende jaren zal zijn. Zij heeft ondertussen door dit onderwerp in een kersttoespraak aan de orde te stellen, heel het verantwoord milieubeheer weggehaald uit de politieke arena en het tot een ethisch vraagstuk gemaakt voor het gehele volk, tot de kerken toe. Zij noemde met name de aandacht die kerken zullen geven dit jaar aan de grote gevaren die de wereld in deze tijd bedreigen, het conciliair proces.

Brandende vragen
Het is, dunkt mij, niet overbodig om op het breukvlak van 1988 en 1989, ook in eigen kring ons te bezinnen op deze brandende vragen. We doen dit dan onder het thema: Rentmeesterschap. Het gaat dan om dat rentmeesterschap hetwelke de Heere God ons ook in deze tijd toevertrouwt. We moeten ons daarbij wel laten leiden door datgene wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard. Alleen de Schrift kan ons er voor bewaren niet in eenzijdigheden te vervallen.
Aan de ene kant lopen we het gevaar dit rentmeesterschap te beperken tot het louter materiële dat ons ter beschikking staat, de aarde en het aardse. We worden dan de wereld gelijk, die deze opdracht versmalt tot het beheer over eigen geld en goed, de bodemschatten der aarde en het milieu zonder meer. In de meest gunstige gevallen gaat het dan ook nog om de rechtvaardige verdeling van de vruchten der aarde. Het gevaar is dan levensgroot dat men zich alleen maar verantwoordelijk weet tegenover de samenleving en niet tegenover de Schepper van hemel en aarde.
Zolang de samenleving niet bedreigd wordt kan men leven vanuit het principe: krijgen, hebben, houden. Men kan met de aarde en het aardse doen en laten wat men wil en wat het meest oplevert voor zichzelf. Pas toen de Club van Rome, nu twintig jaar geleden, ging waarschuwen voor de gevolgen van het verkeerd omgaan met de aarde en het aardse, waardoor het leven van de mens nu, en bijzonder ook in de toekomst werd bedreigd en zelfs het voortbestaan van de aarde, ging men zich zorgen maken. Velen in de kerk hebben daar nauwelijks acht op geslagen omdat in dit rapport de verantwoordelijkheid tegenover de Schepper niet in het geding was.
Wij hebben daarentegen te stellen dat de mens zonder al deze bedreigingen altijd al verantwoording schuldig is geweest over alles wat hij doet met de aarde en met al wat daarop en daarin is. Want: 'De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen' (Psalm 24 vers 1). Wij hebben de aarde uit Gods hand ontvangen. 'Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven' (Psalm 115 vers 16).
Wij mogen dit zelfs nog wel wat toespitsen vanuit de belijdenis van de kerk. Ik denk dan aan Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus, het antwoord op de vraag: 'Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God en Vader, den Almachtige Schepper des hemels en der aarde?'.
'Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, die de hemel en de aarde, met al wat daarin is, uit het niet geschapen heeft, die ook door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus wil, mijn God en Mijn vader is'.
Daarmee belijdt de kerk dat de schepping voor al Gods kinderen het eigendom is van hun hemelse Vader. Het is Vaders goed dat zij beheren. Zou men daar dan niet zuinig mee omgaan? Daar kan men toch niet mee doen wat men wil!


Dit behoedt ons tegelijk voor een andere eenzijdigheid. Er zijn mensen binnen de kerk die zeggen dat het Woord Gods en het Evangelie van Jezus Christus ons alleen maar gegeven is om ons aan onze zonde en schuld te ontdekken en, indien het God behaagt, ook nog tot het geloof in Christus te brengen tot eeuwig behoud van de ziel. De mens leeft zijn leven lang ook al genoeg onder de spanning of hij daar ooit deel aan heeft gekregen of er ooit nog eens deel aan zal kunnen krijgen, om zich ook nog bezig te houden met de vraag hoe men met Gods aarde moet omgaan. Tenslotte zegt Gods Woord ons duidelijk dat de wereld voorbij gaat met al haar begeerlijkheden.
Maar als de Geest ons ontdekt aan onze zonde en schuld gaan we zien dat we het doel missen waartoe God ons geschapen had. Wij zijn eerrovers Gods geworden omdat we Gods Hof, hebben uitgeleverd, moed- en vrijwillig aan satan. Bedroeft het ons dan niet tot in de ziel dat we de schone schepping Gods gemaakt hebben tot een wingewest van de duivel! En het gevolg van de zonde is toch dat de aarde doornen en distelen ging voortbrengen, die in de loop der tijden door het egoïsme van de mens zijn uitgegroeid tot een totale verzieking van de aarde, de aarde die des Heeren is! Zal men dan niet strijden tegen de voortgaande vergiftiging van de aarde en de vervuiling van de lucht, in plaats van schuld met schuld te vermeerderen!
Wij maken ons daarom niet in de eerste plaats zorgen over het verkeerd omgaan met de aarde en het aardse vanwege de gevolgen daarvan, maar vanuit de eerbied voor de Schepper. Ook daarin hebben we de eer van God de Schepper en Onderhouder op het oog. Het rentmeesterschap is ons door God opgedragen.
'Juist uit de wijze waarop wij de door God ons toevertrouwde opdracht uitvoeren zal blijken of wij waarachtig tot God bekeerd zijn. Een christen leert gij niet alleen kennen aan zijn godsdienstige gesprekken in eigen kring, maar ook uit zijn gedrag' (ds. G. Boer. Ik ben de Alpha).
Ondanks onze onmacht en onbekwaamheid om de aarde te beheren, blijft de opdracht daartoe recht overeind staan zoals Gods Woord ons daartoe oproept.

Het rentmeesterschap in de Schrift
Vanuit de schepping behoort het rentmeesterschap tot het Beeld Gods. G. Maneschijn laat blijken in zijn boek 'Geplunderde aarde en getergde hemel' er moeite mee te hebben het rentmeesterschap van de mens louter en alleen toe te schrijven aan het Beeld Gods. Toch stelt hij ook zijn vragen wanneer men het alleen toeschrijft aan een christelijke traditie die pas ontstaan zou zijn in de 17e eeuw. Hij wijst dan op Calvijns commentaar op Genesis 2 vers 15 'Zo nam de Heere God de mens. en zette hem in de Hof van Eden, om dien te bouwen en dien te bewaren'. Bij het lezen van deze commentaar viel het mij op dat Calvijn hierin noties aanraakt die van een profetisch vergezicht getuigen. Ik citeer de vertaling van ds. S. O. Los:
'Thans voegt Mozes hieraan toe, dat de aarde aan de mens gegeven is, opdat hij zich met de bebouwing daarvan zou bezig houden… Mozes voegt er aan toe, dat Adam is aangesteld geweest tot bewaking van den Hof. Om aan te tonen, dat wij, hetgeen de Heere ons ter hand stelt, met dat doel bezitten, dat wij tevreden met een vruchtbaar en matig gebruik, het overige zouden bewaren. Die een akker bezit, moet dus de jaarlijkse vrucht trekken, en toezien dat hij de grond door zorgeloosheid niet laat uitgeput worden, maar hij moet zich er op toeleggen, om hem aan de nakomelingen over te leveren, zoals hij hem ontvangen heeft, of nog beter bebouwd. Laat hij zo de vruchten eten, zonder toe te laten dat iets door weelderigheid afvalt, of door verwaarlozing bederft. Zal echter onder ons die spaarzaamheid en vlijt ten opzichte van de goederen, die God ons te genieten gaf, heersen, dan moet elk bedenken, dat hij over alles wat hij bezit, de rentmeester Gods is. Zo zal het gebeuren, dat hij zich niet lichtzinnig gedraagt noch door misbruik bederft, hetgeen God wil. dat bewaard worde'.
Opmerkelijk dat in dit wat lange citaat aspecten voorkomen die de koningin ook noemde in haar kersttoespraak. Misschien heeft zij niet alleen iets gelezen van Luther, maar ook van Calvijn.
In ieder geval onderstreept Calvijn dat God ook na de zondeval de mens aansprakelijk blijft stellen voor het omgaan met de schepping. Het berouwde God ook niet dat hij de aarde had geschapen, hoewel in deze aarde de boom des Levens niet meer kon wortelen en deze aarde vervloekt was om der zonde wil. Het berouwde de Heere dat Hij de mens op de aarde had geschapen. U mag daar ook uit lezen: omdat Hij de mens tot rentmeester had gemaakt van Zijn schone schepping. Hij verdelgde door de zondvloed ook niet de aarde, maar de mens op de aarde, behalve Noach met de zijnen, omdat hij genade vond in de ogen des Heeren. En die genade straalde uit over al het gedierte der aarde. 'En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was' (Gen. 8 vers 1).
Na de zondvloed sloot God Zijn natuurverbond niet alleen met de mens Noach, maar met alle levende ziel, tot al het gedierte der aarde toe.
God zelf onderstreept het rentmeesterschap van Israël bij de verdeling van het land Kanaän. Jozua deelt het land toe aan de stammen, naar Gods gemaakt bestek, maar het bleef Gods eigendom. 'Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt' (Lev. 25 vers 23).
De eerste vruchten van het land en de eerstgeborene van het vee waren voor de Heere. Israël was en bleef rentmeester Gods.
In Psalm 8 wordt op verheven toon bezongen hoe hoog God het rentmeesterschap van de mens stelde. 'Opdat de eer van Gods Naam heerlijk zou zijn op de ganse aarde'. Wie vandaag deze Psalm leest en naar de schepping ziet kan zijn ogen niet geloven. De kracht en macht, die God de mens heeft gegeven als stedehouder op Zijn aarde, is zo misbruikt dat er een sluier is gevallen over het ruime hemelrond dat met blijde mond mocht vertellen Gods eer en heerlijkheid. De sterren gaan zelfs bij een onbewolkte hemel schuil achter de vuile dampen die van de aarde opstijgen. Hoelang zal het leven op aarde nog mogelijk zijn? Zijn dit mogelijk ook tekenen van de eindtijd? Heeft God ook hierin Zijn engelen gezonden om de fiolen van Zijn gramschap uit te storten over de aarde en de mensheid?
Wie de ernst van heel de verwording van de schepping ziet in het licht van Psalm 8, kan er niet aan voorbij gaan dat deze nood van de wereld een gevolg is van de hoogmoed van de mens, zoals deze in het paradijs openbaar gekomen is.
Als de ganse schepping zucht als in barensnood, zouden wij dan ook niet zuchten? Moeten wij ons niet bekeren van ons onverantwoord omgaan met alles wat God ons op deze aarde heeft toevertrouwd? Hoe kan dat anders dan zich te wenden tot de Herder en Opziener onzer zielen, Jezus Christus. Hij is de Stedehouder Gods op aarde. Psalm 8 roept om de komst van de Messias, om Zijn Koningschap over ons. Hij alleen kan ons verlossen van onze hoogmoed en ons egoïsme. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Hij voert deze macht uit door middel van de prediking van het Woord en de gave van Zijn Geest. Hiertoe heeft Hij de prediking toevertrouwd aan de apostelen en de dienaren van het Woord. Zij dragen de hoge verantwoordelijkheid ten opzichte van het Evangelie.
In deze zin wordt in het Nieuwe Testament het woord oikonomos, rentmeester of huisbewaarder, gebruikt voor de apostelen. Zij zijn rentmeesters, uitdelers van de menigerlei genade Gods. Dat betekent tegelijk het rentmeesterschap over het huis Gods, over de kudde des Heeren. Het zal ook van onze hand geëist worden wat wij met het Woord Gods, wat wij met het huis Gods en met de kudde Gods gedaan hebben.
We zijn dan niet verantwoord bezig als we alleen maar zeggen hoe zondig de mens is en hoe diep de wereld is weggezonken. We worden geroepen uitdelers te zijn van de genade. Dat is ook het charisma, de kracht, om zich te ontworstelen uit de greep van de machten en krachten van de boze en het boze. Juist daarom mogen we de gemeente, die leeft in een samenleving die ten onder dreigt te gaan aan haar eigen kennen en kunnen, niet in de kou laten staan met de brandende vragen van deze tijd. Wij kunnen in de prediking niet voorbij gaan aan de oproep tot een verantwoord rentmeesterschap.

Het rentmeesterschap in de prediking
Ik behoef u niet te zeggen dat de hoofdinhoud van de prediking altijd moet zijn de openbaring van God in Christus tot zaligheid. Ook voor ons geldt: 'Ik heb niet anders geweten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd'. Het is de bekendmaking van het Evangelie tot zaligheid van de mens. En dat alles zij dan uit de aard Christocentrisch, omdat in Christus, in Hem alleen, de weg gegeven is tot God. Een preek zonder Christus is geen preek, geen complete preek, al diene verstaan te worden, dat er onderscheid is tussen stof en accent' (prof. G. Wisse: Homiletiek).
Het gaat om het geloof in Christus, de Verlosser uit de macht der zonde. Van Hem wordt gezegd en beleden dat Hij als Koning heersen moet, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal hebben gelegd. Maar dat geloof in Christus betekent ook Hem kennen en de kracht Zijner opstanding, het opstaan tot een nieuw leven. Ook tot een nieuwe levensstijl. Eertijds dwalende, maar nu bekeerd tot de Herder en Opziener der zielen. Wij worden vreemdelingen en bijwoners op aarde en verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal. Maar dat houdt niet in dat wij ons tot zolang mogen overgeven aan de geest van de tijd. Het leven uit Christus begint niet bij Zijn Wederkomst, maar hier en nu in het leven van elke dag. Een christen zal gekend worden aan zijn gedrag in deze wereld op alle terreinen van het leven. Het Gode welgevallige leven is het leven der dankbaarheid, het leven der heiligmaking. Dan staat de kerk in deze wereld met de brandende vragen van deze tijd. Vragen die ons worden opgedrongen door de wetenschap en techniek, waaraan wij ons niet kunnen onttrekken. Wereldmijding, hoe aantrekkelijk het soms ook kan zijn, is onze roeping niet hoe vroom dit ook kan schijnen. Heeft Christus niet gebeden: ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze! We hebben de roeping getuigen te zijn van Christus Koningsheerschappij in alle levensverbanden. Hierbij heeft ieder persoonlijke verantwoordelijkheid. Wie hier niet getrouw is in het kleine zal het ook niet zijn in het grote.
Gods Woord wijst ons steeds heen naar een verantwoord handelen jegens God en de naaste. In zijn rectorale rede over: Prediking en Ethiek (september 1963), wijst prof. W. Kremer daarop. 'Wanneer Abraham de belofte ontvangt houdt dit ook in het Verbond te houden, te wandelen voor Gods aangezicht en onberispelijk te zijn. De prediking als bediening van het Woord Gods wil altijd spreken van de God des heils en Zijn grote werken in de heilsgedachten, heilsverwerving, heilsbediening en heilsverwachting vóór de mens, maar ook de heilsvruchten als levensopenbaring van de homo renatus' (de opnieuw geboren mens).
We mogen nooit zeggen dat de oproep in de prediking tot een verantwoord rentmeesterschap zoiets is als het zout in de pap. Of het moet zijn naar Christus eigen woorden: 'Gij zijt het zout der aarde. Indien dan het zout smakeloos is geworden, waarmede zal het gezouten worden, het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen te worden!' Het gaat toch in de prediking ook om het leven in de vreze des Heeren. God heeft recht op heel ons leven. De kerk, nog duidelijker, God, wordt niet alleen gediend door bekeerde dominees, maar evenzeer door bekeerde economen, bekeerde ingenieurs, godvrezende artsen, godvrezende veehouders en landbouwers. Ieder heeft dan op eigen terrein, in eigen beroep en met vakkennis te strijden tegen de machten en krachten die de mens heeft ontwikkeld, soms ontketend, maar waardoor God als Schepper en Onderhouder van het leven, van allg leven, terzijde wordt gesteld.
Vinden zij, die in deze strijd staan, dan steun in onze prediking? Is het gevaar niet levensgroot dat wij daarover heen stappen en wanneer het nog aan de orde komt, dan gelijk maar spreken over de geweldige afval der tijden en zondigheid der wereld en dan maar snel heenwijzen naar de nieuwe hemel en de aarde!
Nu weten wij allen dat Gods Woord geen moraalcodex bevat. Dat is Gods Wet ook zeker niet. We vinden hierin geen enkel antwoord op de vraag wat de huisvrouw met haar lege flessen en haar huisvuil moet doen. Ook niet wat men doen moet met de giftige afvalstoffen van de chemische industrie. Wat leest een visser in Gods Woord over visquota, behalve dan dat hij de overheid moet gehoorzaam zijn. Wat leest een boer over zijn mestoverschotten, behalve dat hij zijn naaste geen overlast aan mag doen. Voor het onderzoek of hij zich mag bezighouden met embryo inplanting kunnen we de vraag stellen wat het verschil is tussen produktie en voortplanting. De rechtvaardige kent dan toch het leven van zijn beesten. Als God nu verbiedt een os, die dorst, te muilbanden, kan men dan met zijn mestvee doen en laten wat men wil? Wat moet een tuinder met het bevel van God aan Israël gegeven om éénmaal in de zeven jaar het land braak te laten liggen, terwijl die tuinder bijna gedwongen wordt om de grond onder zijn kassen zó te exploiteren dat hij per computer het licht, de temperatuur en de vochtigheidsgraad regelt en zo de grond continu gebruikt?
Nu zijn dit nog maar kleine vragen in het grote geheel van de wetenschap en techniek.
Toch wijst Calvijn ons er op dat de burgerlijke wetten in Gods Woord blijvend gezag hebben, een moreel element. Het is alleen zo moeilijk daar de toepassing voor te maken in deze tijd. Prof. C. Graafland zegt dan: 'Het gaat er dan wel om deze wetten te vertalen voor deze tijd, daarin geleid door Gods Geest, die ons in Christus heeft vrijgemaakt tot de gebondenheid aan de wil des Vaders, en die ons leert onderscheiden waar het op aan komt' (Het vaste Verbond).

Liefde
Staande in de roeping tot het rentmeesterschap mogen we weten dat de liefde van Christus zo groot is dat ieder, die vanuit zijn verloren koningschap op deze Koning zijn vertrouwen stelt, in Hem dat koningschap weer terug ontvangt. Dat is hier dan wel in klein begin. Maar zo toch richt Christus Zijn koningsheerschappij op. En deze wereld verloren in zonde en schuld ligt toch ook in Zijn doorboorde handen. Eens zal Hij het koninkrijk terug geven aan God Zijn Vader. Deze wereld is de laatste niet. We zeggen dit niet om daarmee de roeping tot het rentmeesterschap af te zwakken en te ontkrachten vanuit de eeuwigheid. Wel om in de strijd het oog op Christus te richten, zoals de apostel: Maar vrij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond.

C. v. d. Bergh, Noordwijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Rentmeesterschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's