Uit de pers
Naar aanleiding van twee geschriften
Het blad Kerknieuws geeft ieder jaar een zeer verzorgd oudejaarsnummer met een aantal overzichtsartikelen over het wel en wee in de verschillende kerken van ons land. Voor de Hervormde Kerk schreef dr. K. Blei een artikel over onder meer de synodale nota Kerkzijn in een tijd van Godsverduistering, waarin de noodzaak van bijbelstudie krachtig bepleit wordt, en de handreiking Gemeente-zijn in een mondiale samenleving. Een verschil met de eerstgenoemde nota is dat in de handreiking ten aanzien van de secularisatie positiever gesproken wordt en dat hartstochtelijk gepleit wordt voor mondiale oriëntatie, opdat plaatselijke kerken zo het Evangelie opnieuw uitdekken. Het is hier niet de plaats beide geschriften te analyseren, al zou een vergelijking met betrekking tot de waardering van de secularisatie en met de aangewezen wegen ongetwijfeld van betekenis zijn. Het gaat me hier om de vraag die Blei zelf opwerpt of de nota kiest voor een vluchtkoers en de handreiking voor een oriëntatie op de samenleving. Blei zelf ontkent dat er van een tegenstelling sprake is. De nota over de Godsverduistering is z.i. een aanvulling op de handreiking die naar Blei's mening het apostolaatsdenken van de hervormde kerk toespitst.
'Inderdaad: de nota "Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering" laat een ander geluid horen. Maar niet met het eerder genoemde in strijd! Veeleer: aanvullend. Zeker, het Evangelie kan niet recht worden verstaan buiten de confrontatie met de oervragen van het menselijk bestaan om. Maar anderzijds: loopt niet elk oecumenisch engagement, elke mondiale betrokkenheid, hoe enthousiast ook, dood wanneer er geen geloof is waaruit zij voortkomt? Wanneer er geen God is, als de bodem waardoor zij gedragen wordt? Juist óm apostolair in de wereld te kunnen staan moet de gemeente eraan gelegen zijn, hoe langer hoe meer toe te groeien naar Christus die haar hoofd is (Ef. 4 : 12-15)!
Het merkwaardige is nu echter, dat vanuit de kring van hen die nauw betrokken waren bij de totstandkoming van de pastorale handreiking, op de nota "Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering" fel kritisch is gereageerd. Naar hun mening is hier wel degelijk sprake van een dilemma en wijst de moderamennota een doodlopende weg. Bijbelstudie-sec is niet het tovermiddel waardoor alle problemen van de secularisatie ineens zouden kunnen worden overwonnen. Wij zijn inderdaad onze geloofswortels kwijtgeraakt. Maar we zullen ze niet anders kunnen terugvinden dan door opnieuw de verbinding te leggen tussen het Evangelie en de gebeurtenissen in de maatschappij.
Gods stem wordt nergens elders hoorbaar dan in de conflicten, in de breuklijnen van het bestaan. Alleen door ons dáárin te begeven, door de tegenspraak met de ontmenselijkende economische en politieke machten aan te gaan, kunnen wij ook in ons persoonlijk geloof gesterkt worden.
Zo scherp wordt het weliswaar niet steeds geformuleerd. Maar telkens weer duikt de vraag op of de term "Godsverduistering" niet te dramatisch klinkt, of niet zou moeten worden bedacht dat Gods Zelfverberging in de Bijbel juist de keerzijde is van Zijn openbaring, en of de secularisatie niet toch positief moet worden aanvaard in plaats van haar (vruchteloos) te betreuren.
Het antwoord op die vraag bestaat veelal in een tegenvraag. Zou het niet eindelijk tijd worden, het verlies van geloofszekerheid, van besef van God, ook als zódanig serieus te nemen? Wanneer bijbelstudie-sec niet het tovermiddel is om de problemen van de secularisatie te overwinnen, is "mondiale oriëntatie" dat dan wél? Is het niet een illusie, te menen dat mensen, voor wie het Evangelie niets meer betekent, via een nieuw maatschappelijk engagement (op basis waarvan?) voor de betekenis van het Evangelie als vanzelf weer oog zouden krijgen? Ik duid de verschillende posities hier slechts heel schetsmatig aan. Genoeg, hopelijk, om te doen zien, om welke fundamentele zaken zich in 1988 deze diskussie afspeelde. Ze heeft de gang van zaken in de Nederlandse Hervormde Kerk sterk bepaald. Het ziet er trouwens naar uit dat zij ook in 1989 zal voortduren.'
Terecht signaleert Blei hier een aantal fundamentele vragen. Ze raken onder meer de positie van de Schrift in ons denken over gemeente-zijn, apostolaat en oecumene, als ook de vraag naar de inhoud van het apostolaat en de bron voor ons staan in de wereld. De vraag dient ook gesteld te worden, hoe de beide geschriften gaan functioneren in de kerk. Helderheid is ook met betrekking tot de gemeenten voor wie de geschriften bedoeld zijn op zijn plaats. Want niemand is er mee gediend wanneer op belangrijke punten twee synodale geschriften niet maar andere accenten leggen, maar ook verschillende visies vertolken. Dat we de betrokkenheid op de wereld en de binding aan de Schrift bijeen moeten houden is waar. Maar pas vanuit het laatste krijg ik de wereld op de rechte wijze in het vizier. De horende kerk zal voor alles Gods stem in de Schrift hebben te beluisteren en zo alleen oor krijgen voor de stem van de arme in de wereld.
Teksten preek
Ds. C. J. de Ruijter gaat in De Reformatie van 24 december in op de vragen rondom de tekstkeus. Uit zijn artikel nemen we het volgende over:
'Met het kerkelijk jaar duiden we meestal aan de cyclus van feestdagen, waarop we de belangrijke heilsfeiten herdenken. De kerkorde legt ook uitdrukkelijjk vast, dat op die dagen de heilsfeiten verkondigd zullen worden (art. 68 KO.). Van Kerst tot en met Pinksteren geeft dat voor de prediking een heel vanzelfsprekende ordening in de tekstkeus.
Het principe waarnaar de stof voor de preken wordt ingedeeld is hier in feite de heilsgeschiedenis. Het ligt voor de hand dat daarbij veel uit de evangeliën gespreekt zal worden. We hebben niet voor niets vier evangeliebeschrijvingen in de Bijbel gekregen, waarin die heilsfeiten uitvoerig aan de orde komen. Daar ligt in de Bijbel een duidelijk zwaartepunt. Dan mag je ook verwachten dat dat in de prediking terug te vinden is. Al mag er meteen wel aan toegevoegd worden, dat het niet billijk is, elk jaar weer een kerstpreek uit Lukas 2 te verwachten! Ook al ligt er in dat hoofdstuk een zwaartepunt in wat de Bijbel zegt over Christus' geboorte, er is meer over te vinden. En dan mag je verwachting daar ook wel op ingesteld zijn.
Op het belang van het kerkelijk jaar is in de gereformeerde kerken nog wel eens afgedongen. Dat had dan ook vaak te maken met een overtrokken invulling van de cyclus. In andere kerkgenootschappen zien we de ontwikkeling, dat soms elke zondag tussen november en juni een eigen karakter krijgt. Dat is inderdaad teveel van het goede. Maar juist een gevarieerde ordening van de preekstof aan de hand van de kerkelijke feesten zal de gemeente bekend maken met de betekenis van Christus' komst en werk op aarde, en op die manier de harten richten op het uitzien naar Zijn wederkomst. En dat is nu precies watje van de preek verwachten mag.
Het Oude Testament
Zoals gezegd ligt het voor de hand dat binnen de ordening van het kerkelijk jaar veel Nieuwtestamentische teksten gekozen zullen worden. Ook al is dat af te wisselen met wat het Oude Testament zegt over de heilsfeiten, gezien de aard van de feesten zal toch vaak het zwaartepunt liggen op evangelie-stof. Tussen Kerst en Pasen geldt dat zeer zeker.
Maar dat mag de aandacht voor de Bijbel niet scheef trekken ten koste van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament is niet los verkrijgbaar, maar het ontvangt zijn betekenis pas vanuit het Oude. Dat inzicht heeft in de loop van de eeuwen de kerk voor heel wat dwalingen behoed. Maar dan zal dat inzicht ook in de prediking vruchtbaar moeten zijn. Anders leert de gemeente er niet meer uit te leven. Zeker in een tijd, waarin van sommige kanten de eenheid van Gods heilsgeschiedenis geweld wordt aangedaan is het zaak, dat de gemeente die eenheid vanuit de prediking van het Oude Testament weer duidelijk leert zien. Dat betekent konkreet, datje in de overblijvende tijd van het jaar dus veel preken uit het O.T mag verwachten. Gezien de "feestloze" maanden is het tweede halfjaar daar erg geschikt voor.
Uiteraard valt hier niets voor te schrijven (persoonlijk ben ik ook erg gesteld op het voorrecht zelf de tekst voor de preek te mogen kiezen), maar het is wel een feit, dat de gemeente over de lange termijn gezien systematisch prediking uit het Oude Testament mag verwachten. En daar mag de kerkeraad de predikant ook op aanspreken. Als wij geloven, dat wij deze Bijbel hebben ontvangen, omdat God daarin uitvoerig beschreven heeft op welke wijze wij Hem moeten dienen (art. 7 NGB) mag dat inzicht ook voor de prediking betekenen, dat heel de Bijbel aan de orde komt.
Als bepaalde Bijbelboeken stelselmatig dicht blijven op de kansel, zal de gemeente ook veel eerder geneigd zijn genoegen te nemen met een Bijbel die in feite dunner is, dan die welke de Here ons heeft toevertrouwd.
Planning
Uit het bovenstaande volgt eigenlijk als vanzelf dat je mag verwachten, dat de tekst voor de preek niet zo maar gekozen wordt. Eigenlijk vraagt het om planning.
Dat volgt ook al uit het onderwijzend karakter van de prediking. Elke leraar die zijn onderwijs serieus neemt gaat uit van een leerplan, al is het nog zo beknopt. Want onderwijs vraagt ook om struktuur en kontinuïteit. Als je ziet dat het onderwijs dat we in de Bijbel krijgen ook die aspekten vertoont, mag je verwachten dat ook de preek aan die eisen voldoet. Ik geloof dus niet in tekstkeuze van week tot week naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen in de gemeente. Dat zou een te sterke overwaardering van het onderwijzend karakter van de preek betekenen.'
Wat me opviel in dit artikel is het gegeven dat de kerkeraad een predikant mag aanspreken op de tekstkeus. Ik meen dat dit van groot belang is. De vrijheid die we als predikanten hebben, is geen onbegrensde. Het is goed om rekening te houden met het kerkelijk jaar, met verschillende aspecten van het Schriftgetuigenis. Zelf zou ik de preek in de eerste helft van het kerkelijk jaar niet willen beperken tot de Evangeliën. Oude Testament en Brieven dienen ook van Advent tot Pinksteren aan de orde te komen. Maar hoe zit het binnen deze ordening? Vormt de kwestie van de tekstkeus – en in het algemeen de prediking – ook onderwerp van gesprek binnen een kerkeraad? Heeft een kerkeraad, uiteraard in goed overleg met de predikant, hierin geen verantwoordelijkheid? Lopen we als dominees niet al te zeer het gevaar 'solistisch' op te treden in deze? Zou een overleg met betrekking tot tekstkeus, vervolgstof b.v., verbinding van de kerkdienst met catechese en kringwerk de kerkdienst niet meer maken tot een geestelijk gebeuren?
En verder: een goed overleg in dit opzicht kan ook heilzaam werken om eenzijdigheden en stokpaardjes te voorkomen.
Echt gebeurd… en daarom waar
Wellicht herinnert u zich de discussie naar aanleiding van een dagbladartikel van ds. N. M. A. ter Linden, dat het in Lucas 2 gaat om een verhaal dat wel waar is, maar daarom nog niet echt gebeurd behoeft te zijn. Het blad Credo wijdde het novembernummer aan de vragen die hier in het geding zijn. Ze raken het Schriftgezag, de aard van het bijbels getuigenis, de verschillende soorten teksten die we in de Bijbel tegenkomen. Terecht schrijft prof. dr. K. Runia dat hier veel op het spel staat. De bijbel vertelt geen neutrale feiten, maar is boodschap van het heil, dat in de geschiedenis gefundeerd is. Vooral ook dat laatste. Runia schetst vervolgens de achtergronden van een visie zoals die door Ter Linden verwoord is, een visie die overigens al meer dan 150 jaar opgeld doet bij verschillende geleerden.
'Maar hoe komt het dan dat we tegenwoordig uit de hoek van de theologie hele andere dingen horen? Het is niet eenvoudig om dat in een enkel artikel uit te leggen. Daar zit de hele ontwikkeling van de theologie van de laatste honderdvijftig jaar achter. Via allerlei historische methoden is men de bijbel op een nieuwe manier gaan lezen en tot heel andere conclusies gekomen. De redenering gaat ongeveer zo. Ongetwijfeld liggen er historische gebeurtenissen ten grondslag aan wat we in de bijbel lezen. Zo is het ongetwijfeld echt gebeurd dat een groep slaven er indertijd in geslaagd is om uit Egypte te vluchten. Ze hebben daarbij opmerkelijke dingen beleefd, waarvan ze geloofden dat hun God er een hand in had, en ze hebben die verhalen dan ook van geslacht tot geslacht verder verteld. Maar in zo'n proces van door-vertellen komen er ook altijd allerlei dingen bij. Zo gaat dat nu eenmaal in mondelinge traditie. Het verhaal wordt a.h.w. verfraaid, niet om de feiten zelf mooier te maken dan ze waren, maar om te laten zien hoe belangrijk het was wat er toen gebeurd is. Om de grootheid van hun God te laten uitkomen hebben de belevenissen het wónderkarakter gekregen dat ze vandaag in het Oude Testament hebben. Dat was in die tijd heel gewoon en niemand had daar dan ook problemen mee.
Hetzelfde is gebeurd met Jezus. Ongetwijfeld heeft ook Hij opmerkelijke dingen gedaan, zoals het genezen van zieken, het uitwerpen van boze machten, enz., maar ook hier is het proces op soortgelijke wijze verlopen. Om de grote betekenis van Jezus duidelijk te maken zijn er allerlei verhalen om Hem heen ontstaan, die de bedoeling hadden een dikke streep te zetten onder die betekenis. Zo wil het verhaal over Zijn lopen over het water ons laten zien dat Hij inderdaad de Heer van de natuur is.
Het is nu de taak van de theologie om deze processen na te gaan en proberen uit te vinden wat er oorspronkelijk gebeurd is. Daarmee zijn al die verhalen die er bij gekomen zijn niet onbelangrijk geworden. Integendeel, ze hebben een belangrijke rol. Ze zijn eigenlijk allemaal verkondiging van de grootheid van de God van Israël en van Jezus, en als zodanig zijn ze ook "waar", al zijn ze niet "echt of precies zo gebeurd". Als we ze zo lezen, "verliezen" we ook niets, want het gaat uiteindelijk toch om de verkondiging van het heil.
Veel op het spel
Ik kan me levendig voorstellen dat veel kerkmensen hier toch van schrikken en zich afvragen: waar komen we zo terecht? Wat blijft er zo over van het geloof? Kunnen we dan niet meer "aan" op de bijbel? Ik denk ook dat ze met deze schrik gelijk hebben. Hier staat nogal wat op het spel. Het gaat immers maar niet om een paar bijkomstigheden, maar het raakt het hart van de bijbelse verkondiging: de heilsgeschiedenis. Het heil is volgens de bijbel niet maar een of ander idee dat een beetje boven de geschiedenis zweeft, maar het is in de geschiedenis gefundeerd. Als die geschiedenis zou wegvallen, valt het heil zelf ook weg.
Nu moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen, dat er weinig theologen zijn die de héle geschiedenis wegschrijven. Bijna allen geloven dat er een exodus heeft plaats gevonden. Bijna allen geloven dat Jezus geleefd heeft en aan het kruis gestorven is. Als we echter bij de opstanding komen wordt het voor velen onmiddellijk een stuk moeilijker. Daar hebben sommigen zoveel vragen over dat er in feite niets van de opstanding over blijft.
Maar is er voldoende grond voor al deze visies? Het valt me altijd weer op dat deze visies met name uit de Duits-sprekende theologie komen. Zoals bekend is die altijd zeer invloedrijk geweest in ons land. In de Angelsaksische wereld is men in de regel veel behoedzamer geweest. De Engelse nieuwtestamenticus Alan Richardson bijv. staat zeer kritisch tegenover al die historische twijfel over wat ons in de evangeliën meegedeeld wordt. Hij wijst er op dat die evangeliën, althans de eerste drie, zo'n dertig á veertigjaar na de dood en opstanding van Jezus geschreven zijn. Dat betekent dat ze geschreven zijn in een tijd waarin nog veel mensen leefden die het meegemaakt hadden. Zijn vraagt is dan: waren al die getuigen dan "in slaap gevallen", toen de evangeliën gingen circuleren in de jonge kerk? Moeten we aannemen dat die tijdgenoten het allemaal maar goed gevonden hebben dat er allerlei verhalen aan Jezus "vastgeplakt" werden? Hij gelooft daar zelf niets van.'
Terecht wijst Runia op de grote betekenis van het woord 'getuige' in het Nieuwe Testament. Evangelisten en apostelen getuigen van wat gezien en gehoord is. Ze leggen nadruk op de betrouwbaarheid van hun getuigenis. Daarom wijst Runia het dilemma 'wel waar – naar niet echt gebeurd' van de hand. Het is echt gebeurd en daarom waar! Een boodschap, gefundeerd in Gods eigen daden in de geschiedenis van deze wereld. Met name de evangelist Lucas, zou ik er aan toe willen voegen, is evangelist en historicus. Men leze Lucas 1 : 1-4.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's