De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (1)

9 minuten leestijd

In een viertal artikelen proberen we uitgebreid in te gaan op bovengenoemde vraag.Regelmatig worden we in ons land geconfronteerd met wetsvoorstellen, die inbreuk doen op de vrijheid van inrichting van het onderwijs.We noemen het wetsvoorstel tot invoering van de basisvorming en verschillende wetsvoorstellen inzake gelijke behandeling.Het wetsvoorstel basisvorming bevat elementen, waardoor de invloed van de overheid op de inhoud van het onderwijs groter wordt (eindtermen, lesmateriaal, toetsen).Het voorontwerp van een wet gelijke behandeling van regeringszijde (1981) en het initiatiefwetsvoorstel tegen seksediscriminatie van de Partij van de Arbeid (1987) zetten de vrijheid van benoemingen in het bijzonder onderwijs onder grote druk.We moeten constateren, dat de wetgever zich steeds meer gaat bemoeien met de inhoud van het onderwijs.Hierdoor wordt de waarborg van de vrijheid van onderwijs (artikel 23 van de Grondwet) in toenemende mate ondergeschikt gemaakt aan de politieke wensen.In het laatste artikel willen we het probleem van de aanschaf van verantwoord lesmateriaal aan de orde stellen.We ontdekken steeds vaker, dat verschillend lesmateriaal en diverse methoden lijnrecht ingaan tegen het Woord van onze God.Dit is óók een bedreiging voor de inrichting van het bijzonder onderwijs!

Momenteel beleven we in ons land met betrekking tot het onderwijs een historisch moment: de onderwijswereld is intensief bezig met een vraagstuk dat uitgesproken inhoudelijke aspekten van het onderwijs betreft, maar dat niet direkt uit de onderwijspraktijk is voortgekomen.
Dit is het vraagstuk van de basisvorming.
Basisvorming is een nieuw begrip in de Nederlandse onderwijswereld.

Het verleden
In de afgelopen decennia hebben allerlei ontwikkelingen hun invloed op ons onderwijs gehad.
Reeds in de jaren vijftig begint er veel kritiek op het onderwijs te komen.
Men stelt, dat het lager onderwijs belemmerend op de kinderen werkt.
In de jaren zestig beginnen de vernieuwingsgedachten vastere vormen aan te nemen.
Onderwijsgevenden gaan allerlei cursussen volgen en het boekje van prof. Doornbos 'Opstaan tegen zittenblijven' is in deze jaren een bestseller.
In de jaren zeventig hebben we te maken met een echte vernieuwingsgolf, vooral met betrekking tot het lager onderwijs.
We weten, dat de leerstof van het lager onderwijs in de loop van de tijd veel verandering heeft ondergaan.
De leerstof, zo meende men, is verkeerd geordend geweest. De leerstof moet zodanig worden geordend, dat het aansluit bij de belevingswereld van het kind.
Er is gestreefd naar individualisering.
Elk kind moet onderwijs krijgen naar z'n eigen ritme en z'n eigen mogelijkheden.
Dat moet worden verwerkelijkt in tal van differentiatievormen.
Onderwijzen wordt steeds meer een begeleiden van de leerprocessen.
We zien het begrip 'kind-volgend-onderwijs' een sterke invloed krijgen.
We moeten het kind die leerstof aanbieden, die het aankan.
Het is m'n vaste overtuiging, dat het nodig is dat het klimaat van het 'kind-volgend-onderwijs' doorbroken moet worden.
Prof. dr. Imelman heeft in z'n boek 'Plaats en inhoud van een personale pedagogiek' gewezen op de drieheid: leerling-leraar-leerstof.
Wanneer het accent op één van deze drie komt te liggen dan raakt de drieheid uit zijn verband.
Ik denk daarom dat er weer meer waardering voor de leerstof moet komen.
De leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs willen – ontwikkelings-psychologisch gezien – echt weten, ze willen echt presteren.
In de jaren tachtig vindt dè grote verandering plaats: de vorming van de basisschool.
De integratie kleuterschool – lagere school is een feit.

Veel kritiek
Toch is er de laatste jaren een ommekeer gekomen.
Er is veel kritiek gekomen, vooral op het peil van het taal- en rekenniveau in het basisonderwijs.
Om aan de discussie over de inhoud en het niveau van het onderwijs een rationeler basis te verschaffen, is in 1986 in opdracht van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen de voorbereiding van het projekt Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau van start gegaan, voorlopig beperkt tot het basisonderwijs. Tussen deze Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau en de 'eindtermen basisonderwijs' zit een behoorlijke samenhang.
De aansluiting met het onderwijs op de basisschool vraagt een vastlegging van het eindniveau van de basisschool door middel van eindtermen, die door de minister zullen worden vastgesteld. De inhoud van deze eindtermen van de basisvorming zullen centraal worden vastgesteld.
Met betrekking tot die eindtermen is nog niet duidelijk of dat nu minimum-eindtermen worden of midden-eindtermen.

Eindtermen
Eindtermen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden.
Dit moet niet oppervlakkig plaatsvinden, maar moet zijn doortrokken van het besef van verantwoordelijkheid van eigen doen en laten, van medeverantwoordelijkheid voor en tegenover de medemens.
Bovenal door te leven in het besef, dat ieder persoonlijk verantwoordelijk is tegenover de Schepper.
Aan de school wordt de eis gesteld, dat ze eindtermen hanteert.
Die eindtermen zijn doelstellingen, waarnaar de school de leerlingen leidt.
Schoolbestuurders en onderwijsgevenden kunnen zich beslist niet vrijblijvend opstellen, wanneer de eindtermen worden ingevoerd.
De eindtermen, die de wetgever aan de school oplegt, hebben betrekking op alle opgesomde onderwijsaktiviteiten in artikel 9 van de Wet op het Basisonderwijs.

Verregaande consequenties
Het schoolbestuur is ervoor verantwoordelijk, dat in het schoolwerkplan de door de wet verplicht gestelde eindtermen worden opgenomen.
Deze eindtermen moeten worden gehanteerd als streefdoelen voor de leerlingen en tevens moet worden aangegeven in hoeverre op de school organisatorische en didaktische maatregelen worden aangetroffen om de streefdoelen te bereiken.
Hoe concreter de eindtermen door de wetgever worden geformuleerd des te meer wordt de inrichting van het onderwijsleerproces erdoor bepaald.
Een andere consequentie is, dat de school niet meer de vrijheid heeft om vast te stellen welke leerstof wordt aangeboden en welke niet! Schoolbestuur en schoolteam dienen zich er terdege van bewust te zijn dat de school in haar doelen zich niet uitsluitend laat leiden door de wettelijke verplicht gestelde eindtermen.
Eindtermen, die gelijkelijk gelden voor bijzondere en openbare basisscholen.
In artikel 23 van de Grondwet is de vrijheid van onderwijs vastgelegd.
Dat betekent dat er gesproken kan worden van een recht om het onderwijs vanuit een eigen godsdienst of levensbeschouwing in te richten.
De vrijheid van onderwijs wordt bepaald door drie vrijheden, namelijk de vrijheid van oprichting, de vrijheid van richting èn de vrijheid van inrichting.
De verantwoordelijkheid hiervoor berust bij het particulier initiatief; niet de overheid maar de besturen van stichtingen en verenigingen, waar de bijzondere scholen van uitgaan, zijn verantwoordelijk voor het bijzonder onderwijs.
Het bestuur is verantwoordelijk voor de stichting van bijzondere scholen, voor het bepalen en handhaven van de richting, de eigen aard, het bijzondere karakter.
Het bestuur is verantwoordelijk voor de aanstelling van leerkrachten en draagt eindverantwoordelijkheid voor de keuze van leermethoden.
De toename van de invloed van de centrale overheid op het onderwijs is een zorgelijke ontwikkeling.
Voor het bijzonder onderwijs kan op een gegeven moment de grens van overheidsbemoeienis bereikt zijn.
De overheid, die de inhoud van de basisvorming gaat voorschrijven door middel van eindtermen, zal ontwikkelingen erbij betrekken die in de maatschappij plaats hebben.
In het licht van de toenemende secularisatie zal het voor het onderwijs dat zich baseert op de Bijbel als Gods Woord steeds moeilijker worden zich te houden aan die voorgeschreven inhoud van het onderwijs. We denken hierbij vooral aan enkele vakken, die bij de invoering van de basisschool in 1985 verplicht werden gesteld.
Wat stelt de overheid ons straks verplicht om de kinderen door te geven bij het vakgebied 'geestelijke stromingen'?
Moeten we hier zaken aan de orde gaan stellen, die ontkennen dat de Heere Jezus dè Weg, dè Waarheid en hèt Leven is?
Welke eindtermen krijgen we voorgeschoteld in het vakgebied 'maatschappelijke verhoudingen'?
Mogen we straks nog stellen, dat het huwelijk de door God ingestelde samenlevingsvorm is?
Of verplicht de overheid ons te stellen, dat er verschillende verantwoorde samenlevingsvormen zijn?
We denken ook aan het vakgebied 'bevordering van gezond gedrag'.
De inhoud van de lessen sexuele vorming, relaties, het omgaan met gevoelens, wordt door middel van eindtermen door de overheid bepaald. In het deelschoolwerkplan van de methode voor bevordering van gezond gedrag 'Genoeg is meer dan veel' staat onder andere de volgende doelstelling: We proberen bij bevordering van gezond gedrag te bevorderen, dat de leerlingen weten, dat hun gedrag niet vrijblijvend is, maar genormeerd moet worden aan 'Gods geboden'.
Voldoen deze lessen straks nog wel aan de eindtermen?
Invoering van wettelijk verplicht gestelde eindtermen kan voor zowel schoolbestuur als schoolteam en ouders aanleiding zijn zich voor het eerst of opnieuw te bezinnen op de 'meerwaarde', op de niet door de wetgever verplicht gestelde streefdoelen, op de levensbeschouwelijke eindtermen.
Nog maar weinigen lijken zich het hoofd te breken over de vraag hoe deze verregaande overheidsbemoeienis zich verhoudt tot de grondwettelijk vastgestelde vrijheid van onderwijs.

Vrijheid van inrichting
Aan het begin van deze eeuw is de strijd gevoerd om de vrijheid van richting.
Ik ben van mening, dat de vrijheid van richting alleen werkelijk kan bestaan als er ook vrijheid van inrichting wordt gegarandeerd. Op het bijzonder onderwijs wordt vaak de kritiek geuit, dat deze hetzelfde doet als het openbaar onderwijs, alleen onder een andere vlag.
maar zodra een bijzondere school in het verlengde van hun specifieke mens- en wereldbeeld in onderwijskundig opzicht wèl haar eigen vorm en inhoud wil bepalen, rijzen er prompt problemen met betrekking tot wet- en regelgeving.
Aan de ene kant treft het verwijt, dat er vanuit de eigen richting weinig reëels wordt ondernomen, aan de andere kant worden degenen die dit wel doen direkt geblokkeerd doordat er in ons land geen werkelijke vrijheid van inrichting bestaat.
We staan voor een nieuwe schoolstrijd: de strijd om de vrijheid van inrichting!
Wat is deze vrijheid ons waard?
Laten we met betrekking tot de vrijheid van onderwijs toch enorm waakzaam, maar vooral ook kritisch zijn.
Bij elk voorstel, dat van overheidswege tot ons komt, moeten we kritisch afwegen, wat de bedoeling van deze overheid is.
Deze overheid moet ervoor zorgen, dat de ontwikkeling van de basisvorming van eigen signatuur wettelijk blijft bestaan.
De overheid moet zich realiseren dat de verzuiling, en niet alleen in het onderwijs, een gevolg is van de ontkerstening van de samenleving.
Het bijzonder onderwijs heeft de opdracht de eigen identiteit te realiseren, maar dan moet het ook de grondwettelijk vastgelegde ruimte kunnen bevatten.

Wanneer deze regering ons met deze zaken confronteert, moet ons wel de angst om het hart slaan als we denken aan een eventuele volgende regering.
Welke regering hebben we over vijf of tien jaar?
Om deze zorgen te illustreren geven we een voorbeeld uit 1976.
Minister van Kemenade merkte toen bij de behandeling van de onderwijsbegroting op dat er zijns inziens geen drie, maar slechts twee 'vrijheden' bestaan, namelijk de vrijheid van richting en de vrijheid van oprichting.
Hij ontkende de vrijheid van inrichting, omdat de overheid door middel van deugdelijkheidseisen beperkingen mag stellen.
Het is voor ons niet meer mogelijk de ontwikkelingen met betrekking tot de basisvorming stop te zetten.
De trein is reeds in beweging gezet.
Daarom wil ik u allen oproepen om deze ontwikkelingen nauwlettend te blijven volgen.
Laten we voortdurend de vrijheid van het bijzonder onderwijs in onze gebeden opdragen aan de troon van Gods genade.
Hij kan ons behoeden voor inperking van de verkregen vrijheid!
Het is ook nodig, dat we binnen het christelijk onderwijs de handen ineenslaan, de krachten bundelen en met betrekking tot de huidige ontwikkelingen een krachtig 'NEE' laten horen!
Een ieder, die het christelijk onderwijs een warm hart toedraagt, heeft een enorme opdracht: WAAKT EN BIDT!

A. A. Korevaar, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's