De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het milieu zal ons een zorg zijn (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het milieu zal ons een zorg zijn (2)

Gereformeerde inbreng in het conciliair proces

12 minuten leestijd

E. De Schrift en het milieu
In het begin van de Bijbel lezen we dat God zag wat Hij gemaakt had en dat het zeer goed was.
'En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!
Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.'
Als het over eerbied voor het leven gaat, is er dus kennelijk sprake van onderscheid. Mens en dier moeten leven en mogen dus eten. Daarom kan ik ook uit de Schrift geen voorschrift halen voor vegetarisch leven. Bij het Noachitisch verbond in Genesis 9 lezen we:
'En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde.
En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee: zij zijn in uw hand overgegeven.
Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.'
De mens staat in een cultuuropdracht. Hij mag de aarde bebouwen en bewaren. Het bebouwen van de aarde betekent tevens dat er sprake is van slijtage. Daarin zullen we heel reëel mogen zijn. Het is ook zo dat de mens het dier en de planten gebruiken mag om zelf te kunnen leven. Wij mogen ook in deze uit de schepping halen, wat de Heere God er Zelf heeft ingelegd. Als we maar bedenken, dat bij het heersen over de schepping ook het beheersen hoort, het bewaren. Wat dat betreft is het Oude Testament ook vol van kleine trekjes, die te maken hebben met milieubehoud.
In oorlogstijd mochten de bomen niet verdorven worden (Deut. 20 : 9).
In het sabbatsjaar mocht het land ook niet bewerkt worden. Zes jaar lang mocht het land worden bearbeid, maar het zevende jaar niet (Lev. 25 : 2).
Het volk Israël moest de uitwerpselen buiten de legerplaats begraven (Lev. 23 : 12, 13). In dit Schriftgegeven op zich ligt al een les voor hondenhouders. We leven in een tijd waarin ook de hond tot ons cultuurpatroon behoort en de trottoirs intussen glijbanen zijn.
De rechtvaardige kent het leven van zijn beesten, lezen we in Spreuken 12 : 10.
Ninevé werd gespaard vanwege het vele vee. Liggen hier geen lijnen in de richting van de bio-industrie?
En tenslotte, de sabbat was er ook voor het vee (Ex. 20 : 10).

F. De situatie is ingrijpend gewijzigd
Nu kunnen we terecht zeggen dat de vragen vandaag veel grootschaliger zijn, maar toch dwingen ons de betreffende Schriftplaatsen onze persoonlijke verantwoordelijkheid te verstaan. Ieder heeft t.a.v. vragen als kernbewapening, vrede en gerechtigheid het gevoel geen persoonlijke inbreng te kunnen hebben, inzake de dingen die zich in de wereld afspelen, al kan er wel een voorbeeldwerking zijn ook aangaande déze zaken. Wat betreft het milieu ligt dat echter anders. Hier kan wel degelijk sprake zijn van een nieuwe levensstijl. We zullen moeten oppassen geen farizeeërs te worden, want we maken allen deel uit van de samenleving waarin we leven en profiteren allen van de verworvenheden van de techniek en we delen allen in de welvaart. Maar we zullen wel probleembewust moeten zijn. Als de overheid ons voorschrijft niet sneller te rijden dan 120 km per uur, dan zullen we de overheid in deze, zijnde dienaresse Gods, gehoorzamen. Die snelheidsbeperking heeft ook met de bewaring van het milieu te maken. Alles wat we hier nu verder noemen is slechts bij wijze van voorbeeld. Als we de mogelijkheid hebben om over te gaan op loodvrije benzine, moeten we dit dan niet overwegen? Als de auto in de toekomst meer zou moeten kosten, vanwege de toepassing van de katalysator om schoner te rijden, moeten we die kostenverhoging dan niet voor lief nemen?
Vraagt onze wegwerpsamenleving verder niet om een persoonlijke bezinning omtrent de verwerking van huisvuil? Het afzonderlijk deponeren van glas en blik in de daartoe geplaatste containers in de gemeente, is nodig.
Moeten we ons ook niet beraden op de bioindustrie? De boer voelt zich dan al gauw bedreigd vanwege de concurrentie-positie. We moeten echter wel bedenken dat er voor de industrieën al lang maatregelen t.a.v. het milieu genomen worden. Ook het moderne agrarische bedrijf is een industrie geworden. Zullen maatregelen niet onontkoombaar zijn? Wanneer dan de veestapel inderdaad zou moeten worden ingekrompen, zal de hele samenleving er dan ook niet in bij moeten dragen, de lasten samen te dragen?
Kunnen we verder maar doorgaan met uitbreiding van het wagenpark? Kortom, is bezinning op versobering niet in de breedte van ons leven geboden?

G. Mens en milieu-ethiek
Intussen staan we voor de vraag van een totaal nieuwe milieu-ethiek. Een ethiek, die niet alleen maar personalistisch gericht is, maar die ook gericht is op het geheel van de verbanden in de wereld. In de Schrift lezen we, dat de aarde des Heeren is. We lezen ook dat de hemel des Heeren is en dat Hij de aarde aan de mensenkinderen heeft gegeven om daarin te wonen. God heeft deze aarde geschapen, opdat wij mensen daarin een leefbaar bestaan zouden hebben. Het gaat om de leefbaarheid, de bewoonbaarheid van de aarde nu en voor de komende generaties. Elk land heeft dan t.a.v. het milieu ook de verantwoordelijkheid voor zijn nabuurlanden. De afvalstoffen van het ene land zullen niet in het andere land worden gedumpt. Dat is in feite de situatie in Zwitserland. Zwitserland voert al jaren een uitstekend milieubeheer, maar krijgt van tijd tot tijd de lading uit de totaal vervuilde DDR over zich heen. Het zal dus ook gaan om een wereldwijde doordenking, ook op politiek niveau van de milieuvraag.


Als christenen maken we één voorbehoud. In Psalm 103 : 26 en 27 lezen we, dat deze aarde als een kleed verouden zal, dat niets hier zijn stand behouden kan. Alles wat uit stof is, neemt een end, door de tijd, die alles schendt.
We weten verder ook als christenen van het zuchten van de ganse schepping. De schepping is in barensnood, lezen we in Romeinen 8. Christenen weten derhalve dat deze aarde het laatste niet is. Met reikhalzend verlangen zien we uit naar de openbaarwording van de kinderen Gods. Een theoloog zei: 'Een goede jager, een eerzame slager en een gewetensvolle vivi-sectie-pleger onderscheiden zich daarin van hun slechte collega's, dat zij het zuchten van de schepping horen.'
Intussen staan we als christenen ook voor de opdracht van het rentmeesterschap. We hebben de opdracht gekregen de aarde te bebouwen en te bewaren. In dat bewaren van de schepping gaat het ook om de eer van de Schepper.
Recent is een boek verschenen van prof. dr. G. Manenschijn: 'Geplunderde aarde, getergde hemel'. Ook in dit boek komt een roep òm en een ontwerp ván een christelijke milieu-ethiek voor. Ik moet zeggen, dat dit boek een knappe analyse bevat van de problematiek, waarin we ons bevinden. Ik onderschrijf de noodzaak van een nieuwe milieu-ethiek. Terecht pleit Manenschijn voor een theologie van de natuur. Dat is wat anders dan een terecht gekritiseerde natuurlijke theologie. In die natuurlijke theologie gaat het om een bepaalde interpretatie van scheppingsordeningen, waardoor de ene soort heerst over de andere, ook in het leven van de mensen. Hier denken we aan kwesties als rassisme, slavernij, de houding van nazi-Duitsland tegenover de joden. Zulke natuurlijke theologie is absoluut verwerpelijk. Maar het gaat om een theologie, waarin de natuur positief wordt gewaardeerd. Als zodanig sluit zo'n theologie aan bij de positieve waardering van de natuur in de natuurwetenschappen, zoals die in de zestiende eeuw hun basis hebben gekregen. De natuurwetenschappers van het eerste uur waren stuk voor stuk praktizerende christenen. De sterrenkundige Galileï zei, dat de werken van Gods mond en de werken van Gods vinger elkaar niet kunnen tegenspreken. Dat wat God heeft gesproken in Zijn Woord en wat Hij heeft geopenbaard in Zijn schepping, sluiten elkaar niet uit, want het komt beide van dezelfde God, van God als Schepper. En de sterrenkundige Keppler heeft gezegd: 'Ik dank U, Schepper en Heere, dat Gij mij deze vreugde in Uw schepping, dit genot in de werken van Uw handen, hebt geopenbaard. Ik heb de heerlijkheid van Uw werken aan de mensen bekend gemaakt, voorzover mijn eindige geest Uw oneindigheid mocht verstaan. Waar ik iets heb gezegd dat Uwer onwaardig is of eigen eer mocht hebben gezocht, vergeef mij dat genadig'.


Welnu, gegeven dit alles, acht ik het uitermate teleurstellend, dat in het genoemde boek Manenschijn geheel uitgaat van het evolutie-denken, vanuit de evolutietheorie. Naar mijn diepste overtuiging past de evolutietheorie niet in de empirische, de experimentele basis van de wetenschap. Manenschijn komt in zijn boek tot een pleidooi voor de zogeheten proces-theologie, waarin het gaat om een wordende schepping en daarom om een wordende God. God wordt zo echter de gevangene van Zijn eigen schepping. En de mens is dan ergens gezeten in de top van de evolutieboom en heeft daarom bepaalde rechten. Uitgangspunt wordt dan het recht van de mens. Ik zou willen zeggen, in een nieuwe ethiek gaat het ook juist hier om het recht Gods, het 'Droit Divin'. De Schepper heeft recht op Zijn hele schepping, heeft recht op eerbied voor het leven en daarom zullen wij als christenen ook eerbied voor het leven hebben, voor het totále leven, met inachtneming van datgene, wat we in het Noachitisch verbond al tegenkomen. Dit recht Gods op Zijn schepping is klemmender dan de rechten van de mens, geeft ook meer uitzicht. God gaat inderdaad met Zijn schepping mee in Zijn te aanbidden voorzienigheid. En daarom stelt Hij ons, mensen, als verantwoordelijke personen, als rentmeesters in deze schepping.

H. Jaarlijkse bidstond
Het milieu zàl ons een zorg zijn, omdat het gaat om het bewaren van Gods schepping. Daarom zal het ook in de prediking van tijd tot tijd gepaste aandacht moeten krijgen. De bid- en dankdagen waren vroeger geconcentreerd op het gewas. Later zijn het dagen geworden voor gewas en arbeid. Ik zou willen zeggen: vandaag is het weer meer dan ooit nodig om te denken aan het gewas, maar dan uitgebreid naar het geheel van de schepping. Daarom pleit ik voor aandacht voor het milieu, vanwege de schepping, tijdens de jaarlijkse bid- en dankdagen.
Het gaat daarbij dan om een drietal zaken. In de eerste plaats om schuldbelijdenis. Einstein was diep bedroefd, toen de eerste atoombom viel op Nagasaki. Hij besefte dat hij zelf mee aan de wieg van de ontwikkelingen had gestaan. En Oppenheimer, de grondlegger van de waterstofbom, zei bij het atoombomexperiment in de woestijn van New Mexico, op 16 juli 1945: 'Ik ben de dood geworden, de vernieler van werelden'. Toen daarop een reactie kwam van iemand, die zei: 'Als hier iemand schuld moet voelen, dan is het God, omdat Deze de feiten voor ons neerlegde, zoals ze zijn', antwoordde Oppenheimer: 'Wij, beoefenaren van de wetenschap, zijn in deze jaren aan de rand van de vermetelheid getreden. We hebben de zonde leren kennen'. Einstein en Oppenheimer hebben geworsteld om datgene wat zij hebben losgemaakt. Zo zullen wij als christenen ook schuldbewust hebben te zijn t.a.v. het milieu. En dat mag ook in de eredienst in de gemeente een plaats hebben. Daarbij zou de nadruk ook mogen vallen op het vreemdelingschap. Ik citeer hier prof. dr. J. Douma:

'Wij kunnen hier ook nog wijzen op wat de Schrift over onze vreemdelingschap zegt. Zij is aan de zaak van het rentmeesterschap verbonden. Wanneer de Israëliet land van God ontvangt, krijgt hij goed ingeprent: "Het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij", Lev. 25 : 23. God is de Eigenaar, terwijl de mens slechts tijdelijk het hem verleende land en goed in beheer heeft. De situatie van de vreemdeling wordt als tijdelijk beschreven: De aartsvaders hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde, en zij gaven daarmee te kennen, dat zij een vaderland zochten dat niet hier op aarde, maar in de hemel gevonden zou worden, Hebr. 11, 13vv.
Daarmee worden wij niet van onze post als rentmeesters losgeweekt. Zolang wij hier ons werk hebben, zullen wij met Gods materialen zuinig omgaan en ze beheren op de juiste manhier. De vreemdelingschap van de christen is wat anders dan een pelgrimstocht, waarbij je gemakkelijk door de wereld trekt zonder zich om haar te bekommeren. Deze wereld is Gods wereld, en daarom ook onze wereld, zolang wij tot rentmeesterschap geroepen zijn. Deze wereld is echter geen blijvende wereld, zodat wij niet uit alle macht jong zullen proberen te houden wat naar Gods bestel moet verouderen en verslijten.'

Nieuwe levensstijl
En tenslotte mag worden opgeroepen tot een nieuwe levensstijl. Dat heeft ook alles met bekering te maken, met de praktijk der godzaligheid, met het omgaan met de schepping. De heiliging van het leven raakt ook de uiterlijke dingen. Op de bellen van de paarden zal ooit een keer 'Heilig' staan.
In het nieuwe Jeruzalem komt niets binnen, wat verontreinigd is of wat gruwelijkheid doet, zegt het boek Openbaring. En de koningen brengen de eer en de heerlijkheid van de volkeren in in het nieuwe Jeruzalem. Dit alles heeft zijn basis in de kosmische betekenis van de Verlossing van de Verzoening.
Als het er dan zó voorstaat t.a.v. de nieuwe aarde, laten we het dan hier ook maar schoonhouden.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het milieu zal ons een zorg zijn (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's