Globaal bekeken
In Waarheid en Eenheid (Ver. Schrift en Getuigenis) geeft P. Mijderwijk te Haarlem een beschouwing over de (on-)zingbaarheid van Psalm 48.
Wat de berijmde psalm betreft, de berijming van Ps. 48 uit het Liedboek wordt vrijwel niet gezongen, ook niet in de eredienst. Dit zou erop kunnen wijzen, dat deze berijming alleen geschikt geacht wordt voor gebruik bij een preek over Psalm 48.
De berijming van 1773 daarentegen wordt nog wèl gezongen, ook in de kerken, waar de voorganger de keuze heeft tussen de oude en de nieuwe berijming. Weliswaar niet alle verzen, meestal vs. 1, 4 en vooral vs. 6: 'Want deze God is onze God'. Dit vers is zeer geliefd en kan, bij wijze van spreken, na iedere dienst gezongen worden. Maar waarom de strofen 2, 3 en 5 dan niet? Enerzijds niet om de ouderwetse zegging, anderzijds – en vooral – om de melodie niet. (…)
Dat is ook het geval bij de nieuwe berijming van Psalm 48.
Moeten wij dan ook maareen geheel nieuwe herdichting gaan maken?
Naar ons inzicht liever niet: er is geen behoefte aan. En wat meer zegt, wij missen dan voorgoed dat mooie slotvers 'Want deze God is onze God'. Bij een herziening van deze psalm blijft ongeveer 35% van het oude behouden, en met name de tere toon van het 'Wij, o verheven Majesteit, gedenken uw weldadigheid…' (vs. 4). (–)
Psalm 48
1. De Heer is groot, elk zing' zijn lof
in Salems stad en tempelhof,
waar onze God bij zuivre tonen
op gans zijn heilge berg wil wonen.
Schoon in zijn verhevenheid
is die berg, door God gewijd;
ver in 't noorden, hoog in waarde,
vreugde voor geheel de aarde,
ligt de Sion, 's Heren woning,
stede van grote Koning!
2. In haar paleizen vestigt God
zijn troon, Hij wordt erkend een slot,
een vaste burcht voor 't volk te wezen,
geen vijand heeft men daar te vrezen.
Vorsten kwamen wel bijeen,
trokken naar de Godsstad heen,
doch zodra zij Sion zagen,
stonden zij ontzet, verslagen:
was hier niet Gods toorn te duchten?
Zo deed angst hen ijlings vluchten.
3. De helden beefden, man na man,
gelijk een vrouw wier ure kwam.
Zoals de oostenwind de schepen,
zult Gij des vijands macht verbreken.
Wat voorheen ons werd verteld,
zagen wij, gelijk vermeld,
in de stad, de troon der ere
van der legerscharen Here;
woonplaats Gods naar zijn behagen,
Hij beschermt haar al de dagen.
4. Wij, o verheven Majesteit,
gedenken uw weldadigheid
in 't midden van uw heilge woning,
waar Gij ons aanneemt grote Koning!
Ja, gelijk uw naam, o God,
is uw lof, een wijs gebod;
Gij, die U zelfs openbaarde
tot het uiterst eind der aarde.
Want uw rechterhand is krachtig,
vol gerechtigheid waarachtig.
5. Dat Sions berg weerklinkt van vreugd,
laat Juda's dochters zijn verheugd:
U sloeg haar vijand neer in 't strijden,
zo wou uw trouw uw volk bevrijden.
Gaat om Sions bouwwerk heen,
telt haar torens, sterk van steen,
ziet, bewondert nu haar muren,
haar paleizen vele uren;
doet uw nageslacht dit weten,
laat uw kindren niets vergeten.
6. Want deze God is onze God,
in eeuwigtieid ons zalig lot;
niets kan ons van Zijn liefde scheiden,
ter dood toe blijft Hij ons geleiden.
Indien wij deze psalm goed hebben berijmd, kan ieder couplet vlot gezongen worden. Dan blijkt eerst recht, hoe mooi de melodie is! Willen al onze lezers deze berijming eens beoordelen? Opmerkingen, niet het minst van deskundigen, kunnen tot verbetering leiden. Richt uw brieven dan aan: P. Mijderwijk, J. Limpersplantsoen 60, 2025 EK Haarlem.
Uit het aardige boekje van Henk de Jong 'Kerkbank in Kerkbank uit', waaruit we vorige week citeerden, nu ook nog een stukje over de graverende gemeente:
'En zolang de banken er staan, zullen zij de graveerkunst moeten dienen.
Ook de besten gaan niet vrijuit! Er zijn kerken, waar de banken op de gaanderij de namen bevatten van hele generaties jongeren. Diverse "graveurs" zitten nu echter in de kerkeraadsbanken. Ja, er staan zelfs initialen ingekrast van dominees, die nu heel braaf in hun kerkblad aan de jeugd vragen om vooral niet in de banken te krassen!
We hebben de boekdrukkunst te danken aan een koster, die dan niet een kerkbank, maar wèl een stukje natuurschoon in de Haarlemmerhout aantastte om letters te snijden. Hendrik de Cock, die geëerd wordt als de "vader der afscheiding", kon niet nalaten zijn initialen te griffen in een der ruiten van het huis te Wildervank, waarin zijn verloofde woonde.
Soms is dat namen-krassen wel leuk. Wanneer je de bibliotheek van het doopsgezind seminarie te Amsterdam bezoekt, tref je in de leeszaal een tafel aan met een blad vol insnijdingen. Daar staan de namen op van vrijwel alle studenten, die het seminarie hebben bezocht Deze jongelieden zijn nu al lang weleerwaardeheren. Velen hunner leven niet meer. Maar het krassen van namen is "mos" geworden; geen student zal verzuimen zijn mes te beproeven op het tafelblad. Het wordt hem dan ook niet meer verboden. Integendeel: de curatoren bewaren het verweerde tafelblad zuinig!
In het klooster Maulbronn, West-Duitsland, is tegenwoordig een protestants seminarie gevestigd. Maar de kerk bewaart veel herinneringen aan het middeleeuwse verleden van dit klooster. In het koorgestoelte der monniken tref je de namen aan van hen, die daar eeuwen geleden hun vaste plaats hadden. Ergens staat: Bertulf 1354. Op een andere zetel: Radbout 1463. Indrukwekkend om deze herinneringen te lezen aan hen, wier lichaam tot stof is vergaan, maar aan wier godsvrucht een ingekraste naam de heugenis bewaart.
Bij een bezoek aan de dorpskerk te Schwagstorf bij Osnabrück valt dadelijk het verschil in banken op. Er staan twee rijen. Rechts heel oude, links mooie nieuwe. Je denkt dan: ze hadden hier zeker geen geld genoeg om ineens alle banken te vernieuwen, dus zijn ze niet verder gekomen dan de helft. Maar bij nader bekijken blijkt, dat de oude banken opzettelijk gehandhaafd zijn. Nu niet met namen van kwajongens, maar van eerzame huisvaders. Kijk, deze bijvoorbeeld: "Johann Wolfer, für sich und seine Erben, 1755". Om van het plaatsengeld af te zijn, heeft Wolfer wellicht een flink bedrag betaald en daarmee kreeg hij voor zichzelf en zijn nageslacht het recht om die bank "eeuwig te bezitten". Zo wordt het snijden van namen op hout ineens waardevol in plaats van laakbaar.
Nog sterker spreekt dat wanneer de graverende gemeente niet in de kerk maar in de gevangenis zat "O Groot Godt O Heemelkoning bewaart mi", luidt de inkerving van een christen, die in de Spaanse tijd opgesloten zat in de Dromedaris te Enkhuizen. En in de gevangenistoren te Aigues Mortes, Zuid-Frankrijk, waar protestantse vrouwen in de achttiende eeuw tientallen jaren kerkerstraf ondergingen, legt de vastberaden inscriptie "résister" (weerstaan!) getuigenis af van haar vast geloof.
Ook de bijbel weet van het krassen van namen. Een mooie tekst wijst daarop, Jesaja 49 : 14, 15: "Sion zegt: de Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten! Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift". Hier heeft God dus zelf namen gekrast (de statenvertaling had: gegraveerd), en nog wel in zijn handpalmen. Nergens worden namen beter bewaard dan daar.'
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's