De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie was de dichter van ’Rechtvaardigmaking’? (IV)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie was de dichter van ’Rechtvaardigmaking’? (IV)

5 minuten leestijd

(Notities rondom een misverstand)

(Wij vervolgen het getuigenis van Rijer Pothoven, de dichter van 'Rechtvaardigmaking', uit zijn bekeringstijd).
'Wie zielen vangt is wijs!' Die moet van Godswege mij verstaan, de toestand mijner ziel begrijpen, ja eer ik alles zou verteld hebben; die moet in dezelfde toestand verkeerd hebben, die moeten weten hoe ik een weg ter ontkoming zoek, hoe bevreesd ik ben en steeds meer in een algemis terecht kom. Dat kan de ganse wereld niet, want 'de wijsheid der wereld is dwaasheid'. Zo niet, ik zou mijzelf kunnen verklaren en raadgeven ook!
O, neen, dat kan ik niet! 'Wie zielen vangt is wijs'.
Maar al zou zulk een door God geleerde wijze, eens in dezelfde toestand verkeerd hebbende als ik, en gered zijnde, mij en mijn zielenood kennen, wat drijft hem uit om mij te vangen? En wat nut is het? En waartoe zou dit kunnen leiden?
Hij kan mij toch niet helpen? Want hij is zelf geholpen moeten worden, even machteloos en duister van zichzelf en zonder rechten.
Wiens eer en wiens heil beoogt zulk een wijze vanger?
Voor Wie wil hij mij vangen? (…)
Ach, lieve Heere, mocht U dan uit genade in de middellijke weg, die Gijzelf hebt gesteld, het enige Middel en de enige weg des behouds wijzen als het grote werk Uwer herschepping, door Jezus Christus de Heere, Die Gij gezonden hebt (…)
Hoe zwaar, hoe benauwd het ook kan zijn, het is allernoodzakelijkst dat ons mensen dit wedervaart.
Want in onze val in Adam hebben wij alles verloren, we zijn van nature allerellendigst ongelukkigen. Wij kunnen, omdat ons alle licht ontbreekt, niet zien wie, waar of wat wij zijn in onze gescheiden staat met Hem, Die onze God en Schepper is, tenzij die God het ons Zelf doet zien.
Wij kunnen, wat betreft de eeuwige dingen, vanuit de gevallen natuurstaat niet meer uit of door onszelf tot de kennis Gods doordringen.
Het is een onschatbare weldaad van jongsaf in de Schrift onderwezen te worden en onder de enige aloude Waarheid te mogen opgaan.
Maar wij moeten een onuitsprekelijk genadewonder beleven, het wonder der wedergeboorte, zullen we ooit weer bij God terug mogen en kunnen komen.
We moeten gewassen worden van al onze ongerechtigheden en gekleed worden met klederen des heils.
Nu is er uit Adam niet één ziel die rechten heeft op waarachtige wedergeboorte en bekering.
Maar God wil mensen, rechteloze mensen, redden van de eeuwige ondergang.
Hij is een genadig God en wil van eeuwigheid af, om Zijns Zelf wil en bij Hemzelf vandaan, uit een verloren doemwaardige mensheid een schare die niemand tellen kan, grijpen, wederbaren, verlossen en zaligen.
Dit zou zelfs bij God niet mogelijk zijn zonder dat Hij ook Zelf een eeuwig geldende gerechtigheid voor die schare van allesverbeurenden en allesmissenden ter verwerving gesteld had in en door de Zoon Zijner eeuwige liefde.
En omdat dit waarachtig is, zullen zij ook door de Heilige Geest uit de duisternis geroepen worden tot Gods wonderbaar licht.
Maar opdat zulks aan hen bevestigd worden zou, is het onontkoombaar, dat zij er ook achtergebracht worden, dat zij in de duisternis verkeren en de werken der duisternis doen. Hoe zwaar en benauwd ook, gelukkig die mens die tegen zijn wil en lust in hier kennis van krijgt. Zulken worden diep ongelukkig, zoeken een uitweg en ontkoming, maar komen in banden en boeien in hunne duisternis te liggen en kunnen fel bestreden worden door de vorst van dat terrein.
Wie zal nu raad geven? Hoe? Om zichzelf met de Bijbel te redden?
Neen, maar om de God van de Bijbel aan te roepen in alle nood. Die in Zijn Bijbel Zelf zegt: 'die Mij aanroept in den nood, vindt Mijn gunst oneindig groot!'
De God van de Bijbel blijft eeuwig bij Zijn Eigen dierbaar Woord en bevestigt Zelf Zijn Woord aan een schare die niemand tellen kan.
De Bijbel worde u nog dierbaarder; en moge de God van de Bijbel Zichzelf in dierbare gunst aan uw benauwde ziel openbaren als de waarachtig levende God, op zeer wonderlijke wijze u wederbaren ten leven en tot een levende hoop die in der eeuwigheid niet beschamen zal.
O, dan twijfel ik niet of ge zult bevestigen: O, Heere, hoe waarachtig zijt Gij en hoe waarachtig wat Gij zegt in Uw Woord: 'Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb in den dood des zondaars, maar dat hij zich bekere en leve!' Ja, dat is een 'Godslust' die aanbiddelijk is. (…)
Roep maar naar God, ja, naar een onbekende God, Die nochtans overal is en Die het geroep van ellendigen hoort: 'Ach, Heere, ach, wierd mijn ziel door U gered! Ach, Heere, bekeer ook mij, zondaar zonder rechten, zonder iets goeds te bezitten, uit louter genade!'
Doe het maar veel, op gezag van Gods Woord en op gezag van het getuigenis van Gods volk.
Ik weet het maar al te goed, hoe de duivel alle geroep zoekt te smoren, ofschoon hij weet dat God van Adam af ontelbaren op hun geroep genadig is geweest.
Ik ken het hels gezwets van den boze, de vader der leugen, als hij de ziel toesist: je zonden zijn te groot, teveel, te ontzaglijk, of: je hebt tegen de Heilige Geest gezondigd. En dàt terwijl dat hels gedrocht weet dat zulk een ziel in nood daar zelfs geen begrip van kan vormen.
De duivel zelf blijft vanaf zijn eeuwige val doorgaan met het zondigen tegen de Heilige Geest in al Zijn heilige Arbeid aan in zichzelf verloren zielen tot ere Gods en eeuwig heil der zielen.' (…)

Rechtvaardigmaking
In bovenstaande bewoordingen beschrijft de dichter van 'Rechtvaardigmaking' dus zaken uit de ondervinding van zijn vroege bekeringsjaren.
Hoe de Heere nadien meer doortrok met de kracht van Zijn genade in zijn leven en hoe hij de bevestiging van zijn genadestaat kreeg te ervaren, hopen we D.V. een volgend maal te beschrijven.

ds. L. H. Oosten, Hedel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wie was de dichter van ’Rechtvaardigmaking’? (IV)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's