Prediking en communicatie (II)
2. Ontvangers
Er is al gebleken, dat het niet mogelijk is om iets over de zender te zeggen, zonder tevens ook de ontvangers ter sprake te brengen. Zij spelen ten aanzien van het verbale aspect in het communicatieproces geen rol in direkte zin althans. Maar dat neemt niet weg dat het antwoord op de vraag of er tijdens de preek werkelijk contact tot stand komt evenzeer van de ontvangers als van de zender afhangt. Hun aanwezigheid en hun medewerking zijn voor de predikant een onmisbare voorwaarde om in het bedoelde cornmunicatieproces metterdaad als zender te kunnen fungeren.
Wij moeten namelijk duidelijk opmerken: de ontvangers kunnen de zender toestaan uit te zenden, maar zij kunnen ook passief tegenwerken en op die manier critiseren. Een ieder weet van een gehoor, dat maar niet ophoudt met kuchen en hoesten. 'k Denk voorts aan het kerkpubliek dat volledig passief daar maar zit en zonder woorden demonstreert: praat maar voort, vader, wij willen slapen. Wij bedoelen daarmee bepaalde lauwe middagdiensten zwaar van koffie en pudding, die louter om de wille van de traditie in stand worden gehouden. Het kan ons een tentatie zijn om daarin voor te gaan.
Wij komen daarin in aanraking met een aloude wet. De ontvangers zijn wel recipiënten van de toespraak, maar daarom aanvaarden zij nog niet altoos datgene wat de zender verbreidt. Er kan zoveel omgaan in de harten van de luisteraars.
Men kan denken: waar wil hij toch heen? Wat bedoelt hij met dat Woord? Niemand kan hem een bepaalde reaktie voorschrijven. Ook de zenders niet. Een snoepje kan soms ons veel meer bezighouden dan de degelijkste preek. De zender heeft de ontvangers niet in de hand. Hij heeft het niet voor het zeggen wat de ontvangers er mee zullen uitrichten.
Er ligt een heel scala van reacties tussen enthousiasme of teleurstelling ten aanzien van de preek. Het ligt alles in het spanningsveld tussen zender en ontvanger en dat maakt het preken uit het oogpunt van communicatie tot een penibele onderneming. Het éne Woord van die éne zender komt tegelijkertijd bij al die verschillende recipiënten terecht. Maar: wát komt daarvan terecht? In de gemeente zijn er geen twee éénder.
Sommigen staan welwillend ten opzichte van de predikant. Ze kennen hem van het huisbezoek. Anderen hebben bepaalde vooroordelen tegen hem. Ze komen uit een heerlijk verwarmd huis in een kille, holle kerk en nu begrijpt u het al: het orgelspel, de sfeer, de stem van de predikant kan de reactie bepalen. Wat de gemeente betreft, die is veelzijdig samengesteld. Maar ze reageert ook variabel ten opzicht van de zender. Reeds de voordracht beslist vaak over de receptiviteit. Nog vaker de lichamelijke verschijning. Bah, wat een rolmops, denkt de één. Wat een pedant ventje, meent de ander. Neen, maar wat een lange lat. Zo is de eerste reactie, wanneer de preekstoel is beklommen. Er vindt een stille wederzijdse verkenning plaats. Een aftasting die bepaald wordt door afkomst, opleiding, culturele ontwikkeling, ethische gevoeligheid en politieke belangstelling. Er is dus van het eerste moment af welwillende acceptatie òf weerzin.
Wij moeten bij al onze preekstoelillusies ons realiseren, dat die ingewikkelde situatie in de gemeente zich niet laat ontkennen. Wanneer wij dat toch zouden doen, komt er vervreemding tussen spreker en gehoor. Een nuchtere instelling ten opzichte van deze situatie zal ons opscherpen meer attentie te vragen van het gehoor. Wij moeten voortdurend proberen afstanden te overbruggen. Vertolken, weergeven naar hun leefsituatie toe.
Daarnaast is er reden om de vele complicaties in ons contact met de gemeente te aanvaarden als een gegeven dat er nu eenmaal bijhoort. Wij behoeven van de preek in de communicatie tussen ons en de hoorders niet het onmogelijke te verwachten, alsof wij door middel van een en dezelfde preek aansluiting kunnen krijgen met de gedachtenwereld van enkele honderden verschillende mensen tegelijk. Wel kan er in de preek gezocht worden naar fundamentele waarden, die voor allen belangrijk zijn.
Het is onmogelijk op aller vragen volledig antwoord te geven. Maar wel moet het mogelijk zijn, om door de preek bij hen een beroep te doen op hun grondhouding van geloven en de richting te wijzen, waarin een weg zichtbaar wordt die voor ieder tot een eigen antwoord op eigen vragen kan leiden.
Destijds sprak Van Oosterzee al uit, dat de predikant een feeling zich moet ontwikkelen voor wat een gemeente behoeft. Hij onderscheidde toen al tussen algemene behoeften van elke gemeente door alle tijden dezelfde. Daarnaast spreekt hij van de bijzondere behoeften van die en die bepaalde gemeente. En tenslotte denkt hij aan ogenblikken behoeften voor een bepaalde periode.
Het komt er dus op aan de ontvangende gemeente locaal en spiritueel zo te leren kennen, dat wij een scherper beeld dan een bleke schim van haar ontvangen.
Hoewel met onderscheid kunnen wij hier goede lessen leren van de moderne reclametechniek. Zij werpt nooit een produkt zomaar op de markt, maar laat tevoren terdege marktonderzoek verrichten. Laat het dan zijn dat er 'verborgen verleiders' aanwezig zijn, het grondprincipe verraadt toch dat er gemeenschap moet zijn tussen ontvangst en uitzending.
Hoe grondiger wij deze ontvangers kennen, tot in details toe, hoe meer aansluiting mogelijk is. De welsprekendheid mag van deze elementen weloverwogen gebruik maken. Detailleren betekent interesseren. Het publiek ervaart onmiddellijk dat de spreker geen vreemde is in hun leefwereld en juist dat bevordert een diep contact.
Wij hebben namelijk mensen van vlees en bloed voor ons, zeer bepaald geconditioneerd aan tijd en plaats en sfeer. Hoe meer wij daar indringen hoe beter wij uit een groot gebied van stof kunnen individualiseren en dat is nu precies de weg om tot een boeiend spreker uzelf op te voeden. Grote vaagheden en algemeenheden laten wij dan weg en hebben dan ook de weg voor ons van gedurige afwisseling en variatie, hoezeer ook de grondstof hetzelfde blijft.
Het is nog altijd de moeite waard u in de grondwetten van de welsprekendheid te verdiepen. Laat het dan zijn dat wij dat tegenwoordig communicatiewetenschap noemen, in feite is het een nieuwe naam voor rhetorica. Daarmee verkopen wij aan de gemeente geen vanzelfsprekendheden, neen, wij worstelen met de gemeente om haar dieper te benaderen, scherper in 't vizier te krijgen en haar zo met het Woord Gods te voeden. En daarbij mag het bijbelwoord dienstbaar zijn, dat wij gouden appelen zullen tonen op zilveren schalen.
3. Bericht
In de termen van de communicatiewetenschap genomen, is de preek het bericht, waarmee de zender de ontvanger wil bereiken. Vooral in dit bericht concentreren zich de complicaties die in het voorafgaande werden aangewezen. De relatie tussen zender en ontvanger komt namelijk er in mee en laat zich voortdurend gelden. De preek is nu eenmaal geen stuk werk dat zijn waarde zonder meer met zich meebrengt. De inhoud kan bijzonder waardevol zijn. Het kan zelfs zijn, dat de preek excellent is, maar dat waardevolle kan alleen tot zijn recht komen binnen de relatie waarin de preek wordt gehouden.
Bij het overbrengen van een bericht kan de verhouding predikant-gemeente niet meer buiten beschouwing blijven. Bij het opstellen van het bericht kan de voorganger de verhouding tot de gemeente niet wegdenken, anders kan er van een werkelijk bericht binnen de bedoelde communicatie-elementen geen sprake zijn. De preek is geen bandje dat mechanisch wordt afgedraaid.
Het gaat altijd om een gezonden bericht. Er staat een afzender achter. En, dat is geen robot. De afzender geeft van iets van zichzelf aan het bericht, iets eigens, dat bij hem en bij niemand anders past. Het bericht draagt daarom als zodanig een persoonlijk karakter. Dat behoort er bij. De dienaar moet zichzelf zijn.
Geen supermens. Geen machine, maar ook geen totempaal. Het bericht moet door hemzelf zijn heengegaan. Hij moet het geheel hebben opgenomen.
Het is daarom een goede zaak als wij vrije persoonlijkheden zijn in de prediking. Gevormde mensen, geen poppen of marionetten. Noch veel minder koekoekkenzang. Wij kunnen daarbij in de leer gaan bij grote zangpedagogen, die alles doen om het puur eigene bij hun leerlingen er uit te halen. Grote pedagogen weten hun leerlingen zo te vormen, dat ze zelf verbaasd staan over de mogelijkheden die in hen schuilen. Het ene volk is meer expressief dan het andere, helaas is ons Nederlandse volk in doorsnee te stijf en te houterig om daar veel mee te bereiken. Een goede scholing kan na veel oefening resultaten opleveren.
De zender moet dan alles doen om zo goed mogelijk uit te zenden. Maar ook naar de kant van de hoorders gerekend, Wordt het bericht mee bepaald door een persoonlijke relatie. Kenmerkend voor de preek is niet alleen, dat er een afzender is, de preek is ook een geadresseerd bericht. Er zijn mensen, aan wie bij het opstellen er van tevoren is gedacht. Het draagt bij voojbaat al min of meer het stempel van de ontvangers. Wij bedoelen dit: het maakt voor de vormgeving van de preek veel verschil of wij van tevoren de gemeente zien als een blok hoorders dat weerstand biedt en waarmee wij in conflict kunnen komen, dan wel of we ons een mensengemeenschap voorstellen, waarin wij onszelf opgenomen gevoelen.
Het maakt zelfs verschil of wij in een grote kerk moeten spreken, dan wel in een intieme kleine dorpskerk. Altijd moet de prediker de gemeente voor zich zien. Reeds bij het opstellen van zijn bericht.
Wij lezen geen nieuwsbericht of een notariële acte. Neen, altijd dienen wij in contact met mensen te staan. Daarom is het een oude raad: veel te mediteren over de preek. Wij bedoelen eigenlijk dit. Na de exegese van de tekst nu eens de commentaren op hun plaats laten staan, en zonder aanvankelijk iets op te schrijven zijn preek met de gemeente voor zich in gedachten te maken. Men kan zich hierin wel degelijk oefenen. Als men het met de nodige volharding doet, zal men op een goede dag merken, dat al dat getob en gezwoeg van vroeger over de preek voorbij is, omdat men de methode onder de knie heeft, de methode om te preken namelijk. Wel te verstaan: wij beginnen altijd met de exegese van de tekst. Daarvoor hebben wij commentaren nodig. Maar daarna maken wij liefst weinig of geen gebruik van boeken. Want als men over een bepaalde tekst veel gaat lezen, breekt men het zelfstandig denken en komen er vaak elementen in de preek, die in het geheel ervan niet horen. De preek wordt teveel schrijftaal en te weinig spreektafel. De stijl wordt te geladen in plaats van soepel natuurlijk.
Een beproefd hulpmiddel is een foto van gemeenteleden voor zich op het bureau te leggen en in gedachten tot die mensen te spreken. Dat geeft aan de preek reeds een frisse toon.
Langs deze meditatieve weg is de prediker zelf eerst ontvanger geweest. Dat is van groot gewicht. Wat hij aan de hoorders wil overbrengen is niet door hemzelf bedacht. Evenals ieder ander heeft hij het eerst van buiten af moeten vernemen. En dat moet aan zijn bericht te merken zijn. Wat hij vertelt, draagt niet alleen iets mee van het Schriftwoord, waaraan het is ontleend, maar tevens vertoont het duidelijke trekken van de persoon, die met dat Schriftwoord vanuit eigen beleving is bezig geweest. Hij heeft het alleen maar lezend, luisterend en ontvangend kunnen vernemen en zo heeft hij geprobeerd het tot een bericht voor anderen te verwerken.
Wij bedoelen helemaal niet de boodschap van de Schrift diffuus te maken. Evenmin de verantwoordelijkheid ten opzichte van de Schrift te verlichten.
Neen, door te preken begeven wij ons in een vorm van communicatie, waarbij het juist behoort, dat de zender laat blijken in zijn taalgebruik hoe hij zelf het ontvangen heeft. Hij geeft het bericht dóór en dat is aan hem te bemerken, hoe dan ook.
De gemeente leeft er van op èn hoort er van op, wanneer ze bemerkt, dat de dominee zelf iets aan zijn tekst heeft beleefd. Een discrete, ontvankelijke houding van de zender versterkt het contact met de gemeente. Natuurlijk vraagt zulk een persoonlijke inkleding de nodige zelfdiscipline. Gevoelens van onzekerheid mogen gerust naar voren komen, ook gevoelens van diepe vreugde en blijdschap. Maar dan altijd als het ware door de kieren heen, niet omstandig compleet aan de gemeente meegedeeld. Anders gaat het een eigen leven leiden.
Op deze manier wordt ook duidelijk dat de boodschap, die hij wil overbrengen, niet vrijblijvend is. Het is niet een neutrale kennisgeving. Het bericht vraagt overgave, geloof, vertrouwen, bekering. Nu kunt u diep indringen in het hart van de hoorders. U kunt ingaan op hun weerstand, hun vrees en hun diepe afkeer. Nog meer zelfs: die effectieve realisering van het bericht kan ook betrekking hebben op een voortgaand wordingsproces. Geloven, Christen zijn is geen vanzelfsprekende, zichzelf continuerende aangelegenheid. Het is een gaan van op en neer, van heen en weer. Het kent hoogtepunten en dieptepunten. Het doet je wat. Het is een worsteling. Het wordt de gemeente duidelijk, er staan belangrijke dingen op het spel. Het raakt ons. Wie dit bericht ontvangt, wordt er anders van in denken en gevoelen. Het zal van buiten en van binnen zijn leven veranderen.
Met andere woorden, wanneer de kerk allang uit is, dan zijn wij nog met het Woord bezig. Wij kijken het nog eens na in de Bijbel. Wij zetten er een teken bij en op stille momenten betrappen wij ons er op dat wij er nooit meer van los kunnen komen.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's