De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Tijdperk Hirohito afgesloten
Het overlijden van keizer Hirohito heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Niet alleen ging de aandacht uit naar de netelige kwesties inzake de afvaardigingen van de westerse regeringen naar Japan in verband met het oorlogsverleden, waar ook de overleden keizer zo nauw bij betrokken was. Niet alleen kwamen opnieuw de gevoelens ter sprake van hen die tijdens de bezettingsjaren zo veel geleden hebben onder het bewind van de Jappanners, maar ook werd in allerlei beschouwingen de aandacht gericht op de plaats van de Japanse keizer in een door het shintoïsme beheersteland en de omslag na de capitulatie.
In het Centraal Weekblad schrijft dr. J. v. d. Linden, oud-zendingsarbeider, die tijdens de oorlog in een Jappenkamp verbleef, een lezenswaardige bijdrage waarin hij onder meer de positie van de kerken ter sprake brengt. Ook Van der Linden wijst op het gegeven dat de keizer zich niet heeft kunnen/willen verzetten tegen de militaire machthebbers die hem maar al te graag voor hun karretje spanden en inkapselden in hun nationalistische en imperialistische dromen. Bij de capitulatie heeft de keizer zijn wil wel doorgezet tegen felle nationalisten in die wilden doorvechten. Het was aan MacArthurs feeling voor de verhoudingen in Japan te danken dat de keizer niet als oorlogsmisdadiger gevonnist werd, maar in zijn positie kon blijven, zij het ook ontdaan van zijn goddelijk aureool. Nu is Hirohito heengegaan; een tijdperk is afgesloten.

'Nu Hirohito dood is, zal de schuldvraag ten aanzien van de oorlog in de Pacific, waarvan vele Nederlanders nu nog de verschrikkingen soms doorleven, wel tot rust komen. Ook in Japan zelf. Het waren vooral linkse groepen onder andere, de communistische partij, die de keizer verantwoordelijk hielden voor de oorlog en de nederlaag. Ook de protestantse kerken mengden zich in deze discussie. Zij gaven vorig jaar bij het begin van Hirohito's ziekte en nu na zijn sterven verklaringen uit, gericht tegen het shintoïsme en de uitwerking daarvan in de godsdienstige verering van de keizer.
Nu hebben de christenen in Japan altijd wel oog gehad voor de grenzen tussen het shintoïsme en het nationaal besef. Meer dan eens hebben zij zich het evangelisch getuigenis niet geschaamd.
Nog onlangs verscheen in Duitse vertaling het werk van een Japans christen, waarin hij, als echte Japanner, ondubbelzinnig, met het evangelie in de hand, het shintoïsme doorlicht en het aan de kaak stelt. Toch blijft hier voor de Japanse christen een moeilijk probleem. In trouw aan zijn vaderland en gehoorzaamheid aan zijn overheid zal hij niet willen achterblijven bij zijn landgenoten. Het christendom draagt ook wel degelijk krachten in zich, die een bijdrage kunnen leveren aan de opbouw van land en volk. Japan blijft in dezen ook één van de meest boeiende zendingslanden ter wereld.
Nog beschikt het shintoïsme over een geweldige aanhang. De talloze shinto-priesters met hun vele tempels zijn de bewijzen hoe sterk deze godsdienst in het Japanse volk nog verankerd is. De positie van de christelijke kerk in zo'n land vraagt het uiterste van hen, die in hun leven en door hun woord getuigen willen zijn van Jezus Christus, Die Heer is.
Nauwelijks waag ik hef om toch de vraag aan de orde te stellen of het juist was dat de kerken, op het moment dat het Japanse volk in diepe rouw was om hun keizer, hun verklaringen tegen het shintoïsme de wereld instuurden. Gevreesd moet worden dat de kerken daardoor een afstand schiepen tussen zich en het Japanse volk. Juist in de wereld van het Oosten spreken gevoelens een eigen taal. Het getuigenis van het evangelie is nergens en nooit gebaat met een kloof die mensen op een afstand houdt, die men met het hart zoekt.
Intussen kijkt de wereld uit naar het optreden van de nieuwe keizer: Akihito. Hij maakte het einde van de oorlog mee, hoorde de radiorede waarin zijn vader zijn "goddelijke" afkomst verloochende. Vele staatsiebezoeken in het Westen openden zijn ogen voor de Westerse wereld. In 1952 werd hij officieel kroonprins. Dat hij eigen wegen durft gaan, bewees hij toen hij zijn drie kinderen in eigen huis opvoedde, hen niet, zoals hem zelf op zeer jeugdige leeftijd overkwam, zond naar een speciaal instituut.
Reeds zijn hem de symbolen van de keizerlijke macht overhandigd. Hoe hij die macht zal uitoefenen is nu nog moeilijk te voorspellen. Door zijn Westerse opvoeding zou men mogen verwachten dat hij zijn ambt als een Westers staatshoofd zal uitoefenen.
Daarbij zal hij ernstig rekening moeten houden met de conservatieve kringen aan het hof, die hem nog steeds niet hebben vergeven dat hij een vrouw waagde te trouwen uit een niet-adellijke familie. Die conservatieve kringen zouden graag hun keizer weer willen zien in de oude goddelijke glorie.
Hoe Akihito temidden daarvan zijn weg kiest, zal mede beslissen over de toekomst van zijn land en volk, dat in de komende eeuw een steeds grotere rol zal gaan spelen.'

Japan is een duidelijk voorbeeld van de uitdaging waarvoor kerken staan in hun houding ten opzichte van de overheid in een door een religie beheerst land. De vraag waar de christenen voor Japan voor staan is hoe zij als loyale burgers op hun wijze vorm geven aan de in Romeinen 13 en Handelingen 5 : 29 geëiste houding. Het getuigenis in zo'n omgeving heeft altijd een politiek aspect. In zo'n situatie is wordt van christenen inderdaad het uiterste gevraagd aan wijsheid, moed en tact.

Hetgeen wij in Christus hebben
Een gedeelte uit een zin uit het formulier voor de bediening van de Doop vormt het onderwerp van een artikel van prof. dr. W. van 't Spijker in De Wekker van 13 januari. De schrijver wijst erop dat de uitdrukking in verband staat met het werk van de Heilige Geest.

'En het werk van de Geest richt zich met name op de toeëigening van het heil, de toepassing van hetgeen Christus heeft verworven. Daarbij is het opmerkelijk, dat over deze toepassing wordt gesproken als over een zaak, die wij reeds hebben. Hetgeen wij in Christus hebben wordt ons toegeëigend.
Blijkbaar bezitten de gelovigen de dingen op twee manieren. Zij "hebben" de rechtvaardiging, de heiliging en zelfs de verheerlijking "in Christus". Immers zo hebben onze vaderen het bedoeld, en niet anders. De afwassing van de zonden (de rechtvaardiging), de dagelijkse vernieuwing van ons leven (de heiliging) en het uiteindelijk onbevlekt gesteld worden onder de gemeente der uitverkorenen (de verheerlijking), hebben wij in Christus. Maar de Geest eigent ons toe, hetgeen wij hebben. Bijkbaar worden wij nog eens op een geheel andere manier in bezit gesteld van wat wij reeds hebben, niet maar op de manier van Christus' werk, maar ook nog eens extra op de manier van het werk van de Geest. Dat zijn twee wijzen van bezit, die werkelijk met elkaar samenhangen, maar die toch wel ter dege van elkaar onderscheiden worden.
De eerste manier: wij hebben het heil in Christus, moeten we nader omschrijven. Hoe hebben wij het in Christus? Is dit bijkomstig, een eerste aanduiding, die echter op zichzelf niet voldoende is, wanneer er niet de tweede, de manier van de Geest bijkomt?
De tweede manier, waarin de Geest ons persoonlijk toeeigent wat wij hebben, is dit de zaak waarop het aankomt, en waardoor de eerste wijze van bezitten achterhaald wordt? Misschien is het goed, om het zo te zeggen: het heilswerk begint met de eerste manier voor ons een werkelijkheid. En waar dit geschiedt, daar eindigt alles weer op de eerste manier.
Wij hebben de zaken in Christus, d.w.z. op de manier van de heilsbeschikking van God in het verbond. Anders gezegd: wij hebben alles op de manier van de belofte van het verbond. Of nog anders gezegd: wij hebben het heil volstrekt buiten onszelf in Christus.
De tweede manier, die van de Geest, staat in dienst van de persoonlijke toeëigening of toepassing, de deelachtigmaking. Inderdaad is dit een werk van de Geest. Hij leert ons leven uit Gods verbond. Hij leert ons de belofte van verre te zien en te omhelzen. Hij geeft ons gemeenschap met Christus "buiten ons", zodat Hij "in ons" woont.
Men kan deze twee manieren van de éne heilswerkelijkheid Gods op verschillende wijze aanduiden. Het werk van Christus raakt de verwerving van het heil, dat van de Geest de toepassing. Wij hebben Christus in de belofte, zoals Hij ons wordt geschonken. Wij ontvangen Hem voor onszelf, zoals Hij ons wordt deelachtig gemaakt. Schenking en deelachtigmaking zijn dan twee sleutelbegrippen. Maar welbeschouwd dient al het werk van de Geest ertoe om ons te laten zien, dat wij het heil slechts in Christus hebben. Oók wanneer we de noodzakelijkheid accentueren, dat Christus in ons woont betekent dit niet, dat we het heil op een ándere manier zouden kunnen beleven, dan doordat wij van onszelf al naar Christus buiten ons worden verwezen. Daarom zeiden we, dat het heil begint met het "in Christus" dat het verwerkelijkt wordt voor ons, toegepast en toegeëigend met en door het werk van de Geest, maar dat het tot zijn volheid komt, wanneer we zien, hoe alles buiten ons, in Christus volkomen vastligt.'

De rijkdom van dit leven door de Geest in het geloof stelt de christen in een wonderlijke vrijheid en geeft tevens aan waar het in de prediking tot opbouw van de gemeente altijd weer om moet gaan.

Een kerkdienst in Praag
Tenslotte geven we het woord aan dr. J. Haitsma die in het Hervormd Weekblad van 22 december enkele indrukken weergeeft van een door hen bezochte kerkdienst in de methodistenkerk in Praag. Uit zijn artikel het volgende:

'We hebben daar in die bovenzaal nog een paar fijne gesprekken gehad, o.a. met een paar meisjes uit de D.D.R. Verpleegsters. Ze behoorden zelf ook tot de methodistische kerk. Ze kwamen elk jaar in Praag, want ze hadden kennissen in de gemeente. Ze hadden een Tsjechische bijbel bij zich, waarin ze tijdens de dienst meelazen. Een goede zaak! Ze vroegen ons wat wij hier deden. Ik vertelde toen dat ik een studiereis maakte en dat we al de plaatsen wilden bezoeken die Christiaan Salomon Duijtsch ook bezocht had tijdens zijn vijfjarige zwerftocht van Nove Mesto aan de Vaag, een zijrivier van de Donau, naar Amsterdam, om de gekruisigde Christus en zijn gemeente te vinden. Tot mijn verrassing en vreugde had een van de meisjes van hem gehoord. Er was nl. in hun gemeente in de D.D.R. eens een Israëlavond geweest, waar ook over hem verteld was. Deze dames zeiden, dat ze tot de charismatische beweging behoorden, maar dat betekende geen afzonderlijk kerkelijk leven. Nee, ze waren zonder voorbehoud leden van de methodistische gemeente.
Met de dominee had ik eveneens een gesprek. Plm. 1920 waren hier methodistische zendelingen gekomen en sindsdien was deze gemeente er. Ze was klein, maar er was een grote evangelische kerk in Praag. Enkele tientallen jaren geleden waren de lutheranen en gereformeerden hier samen gegaan. De predikant had ook wel van Duijtsch gehoord. Verder vertelde hij, dat ze eens per maand avondmaal vierden. Ik vroeg hem hoe hij die gelijkenis van de barmhartige Samaritaan in onze tijd overgebracht had. Ik was verrast door zijn antwoord: Die barmhartige Samaritaan was Christus en de man die door Hem geholpen werd vertegenwoordigde de Farizeeërs. Die waren immers ook door de wet geschonden en in nood gebracht. Ze hadden genade nodig. En zoals die man, die daar hulpeloos langs de weg lag, en door Christus gered werd, zo moesten ook de Parizeen en de "deugdzame" en met zichzelf ingenomen mensen zich door Christus laten redden. Ze waren op genade aangewezen, aldus de predikant.
Toen ik nog maar pas in Woerden stond hoorde ik deze gelijkenis zo ook eens uitleggen door een sterk door Kohlbrugge beïnvloed gemeentelid.
Ik vroeg nog aan de predikant of deze gelijkenis toch ook nog niet een wijdere strekking had. "Natuurlijk", zo zei hij "ze heeft eveneens op andere noden betrekking en wijst ons daarin een taak aan". Maar ik kreeg de indruk, dat hij daar in zijn preek weinig of niets van gezegd had.
Mijn zoon had na de dienst een uitvoerig gesprek met een… jodin. Haar familie was vermoord! Ze zei dat er vooral onder de jongeren een grote begeerte was naar de bijbel, maar dat een bijbel in hedendaags Tsjechisch helaas moeilijk te krijgen was. Ze zou ook graag het boek van Duijtsch, "de wonderlijke leiding Gods met een blinde leidsman der blinden op wegen en paden, die hij niet kende", willen lezen, maar zag geen kans er aan te komen.'

Ontmoetingen met christenen elders betekent een stukje gemeenschapsoefening over grenzen heen. Allerlei verbanden blijken dan ineens op te duiken: een uitleg van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan die al in de vroege kerk te vinden is. Werner Monselwski die een boeiend boek schreef over uitleg van deze gelijkenis door de eeuwen heen, wijst erop dat o.m. Origenes, Augustinus en Klemens van Alexandrië de Samaritaan gelijk stelden met Christus. De Kohlbruggiaanse prediker in Woerden en een methodist in Praag staan wat dat betreft in een lange traditie. Ook Barth betrekt meermalen de Samaritaan op Christus, die wet en profeten vervult en met barmhartigheid bewogen is over de hulpelozen en verlorenen.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's