De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (2)

5 minuten leestijd

Binnen het voortgezet onderwijs kunnen we spreken van twee grote richtingen.
De ene richting vertegenwoordigt het 'algemene voortgezet onderwijs' en de andere richting het 'lager beroepsonderwijs'.
Binnen elke richting wordt met een eigen lessentabel gewerkt. Diverse maatschappelijke en politieke ontwikkelingen hebben ertoe geleid, dat integratie van deze beide richtingen als wenselijk werd beschouwd.
Een schooltype voor alle leerlingen van 12 tot 16 jaar zal de studie- en beroepskeuze uitstellen en tevens de ongelijke kansen op onderwijsdeelname verkleinen.
Om dit te realiseren zijn voorstellen gedaan en diverse discussies gevoerd.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft omtrent deze zaak advies uitgebracht aan de regering.
Dit advies heeft veel reacties opgeroepen.

De inhoud van het wetsvoorstel.
De inhoud van het wetsvoorstel geeft aan dat scholen voor voortgezet onderwijs met ingang van 1 augustus konden starten met het nieuwe onderwijsprogramma 'basisvorming'.
Basisvorming in het onderwijs wordt door de WRR als volgt onder woorden gebracht:
'Het geven van gemeenschappelijke en algemene vorming op intellectueel, cultureel en sociaal gebied, die als grondslag dient voor een verdere ontwikkeling van de persoonlijkheid voor het zinvol functioneren als lid van de samenleving en voor verantwoorde keuze van een verdere scholing en van een beroep.
Deze basisvorming bestaat uit de volgende veertien verplichte vakken: Nederlands, Engels, een tweede moderne taal (Duits of Frans), wiskunde, biologie, natuurkunde, economie, techniek, beeldende vorming, muziek en lichamelijke oefening.
Alle vakken – behalve lichamelijke oefening – moeten op twee niveaus worden aangeboden.
Deze veertien vakken bevatten 80% van de aanwezige onderwijstijd.
De overige 20% is de zogenaamde 'vrije ruimte'.
De periode van basisvorming kan in drie of vier jaar worden afgerond.
Zeer goede leerlingen kunnen de vakken na twee jaar afsluiten.
Leerlingen, die de basisvorming combineren met lager beroepsonderwijs (de 'combi-variant') mogen er vijf jaar over doen.
De eindtermen geven aan welke resultaten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden scholen bij hun leerlingen moeten nastreven. Vanaf 1 augustus 1989 kunnen scholen op vrijwillige basis starten.
Vanaf 1994 is basisvorming de regel voor elke school vanaf het eerste cursusjaar.
De basisvorming wordt gepresenteerd als een onderwijsinhoudelijke vernieuwing, die z'n beslag zal moeten krijgen in de huidige structuur van het voortgezet onderwijs.
Steeds wordt in het wetsvoorstel benadrukt, dat deze structuur ook in de toekomst gehandhaafd zal blijven.
Elke schoolsoort behoudt z'n eigen doelgroep en de toelatingsregels voor het HAVO/VWO blijven van kracht.
Het LBO- en MAVO-diploma blijven ook in de toekomst van belang.

Vrije ruimte.
Om het schooleigene vorm te geven kan men de vrije ruimte benutten. Naast het basisprogramma, dat bestemd is voor alle leerlingen, moet er een vrije ruimte in het lesrooster aanwezig zijn.
Binnen deze vrije ruimte kunnen de leerlingen zich naar aanleg en interesse de vakken, die erbinnen vallen, verdiepen.
In deze ruimte kunnen bijvoorbeeld vakken worden opgenomen als godsdienstonderwijs, beroepenoriëntatie, studielessen, een derde vreemde taal, Latijn, Grieks en remediërende programma's.
hiervoor is maximaal zes uur per week beschikkaar. Binnen het bijzonder onderwijs zijn we van mening, dat deze vrije ruimte te weinig mogelijkheden biedt om de eigen richting van de school te profileren.
Daarom is vergroting van de vrije ruimte zeer gewenst.
Alleen dan kan er recht worden gedaan aan artikel 23 van de Grondwet.

Eindtermen.
Voor de basisvorming binnen het voortgezet onderwijs komen er eveneens eindtermen.
De minister gaat ook eindtermen vaststellen voor vakken, waarin levensbeschouwelijke aspecten aan de orde komen.
Deze eindtermen beperken de vrijheid van onderwijs.
De school moet de vrijheid behouden om bepaalde zaken niet in de les op te nemen.
Tevens moet de vrijheid blijven bestaan om andere zaken te behandelen vanuit een levensbeschouwelijke visie op opvoeding en onderwijs.
Vaststelling van eindtermen kan ten koste gaan van de identiteit van de christelijke school.
De toetsing van de eindtermen moet een neutraal karakter hebben. De opgaven zullen door het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (CITO) worden samengesteld en moeten zowel voor het openbaar als het bijzonder onderwijs aanvaardbaar zijn.
Gezien de ervaring van de afgelopen jaren met het CITO zal dat problemen opleveren.
In diverse teksten kwamen we in het verleden thema's, uitdrukkingen en woorden (taalgebruik) tegen, die ver van de identiteit van het bijzonder onderwijs afstaan.
Daarom moet voor het bijzonder onderwijs de mogelijkheid blijven bestaan om voor levensbeschouwelijk gekleurde vakken zelf toetsen te ontwikkelen.
Deze toetsen kunnen dan door de inspektie worden beoordeeld.

Vrijheid van onderwijs.
De overheid bemoeide zich in het verleden op beperkte wijze met de inhoud van het onderwijs.
Dit lijkt nu te veranderen.
Reeds in 1976 ontkende minister van Onderwijs en Wetenschappen van Kemenade de vrijheid van inrichting van het onderwijs, omdat de overheid door middel van deugdelijkheidseisen beperkingen mag stellen.
Minister Cort van der Linden formuleerde in 1917 zijn zienswijze als volgt:
'De twee grootste waarborgen die de Grondwet kan geven zijn het toezicht der overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid der onderwijzers. Daarin, en niet in speciale voorschriften liggen de grootste waarborgen der deugdelijkheid.
Want met bekwame onderwijzers en een goed toezicht is het moeilijk om slecht onderwijs te geven.
Even moeilijk bijna als om goed onderwijs te geven met slecht toezicht en slechte onderwijzers'.
Een verbetering van de kwaliteit van onderwijs kan zeer noodzakelijk zijn.
Maar we pleiten dan wel op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, alsmede op een Bijbels verantwoorde invulling van dit onderwijs.

A. A. Korevaar, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Staat de vrijheid van onderwijs op het spel? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's