De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het aanroepen van de Naam (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het aanroepen van de Naam (2)

6 minuten leestijd

Wanneer ons nu nog een bijzonderheid van Enos en zijn tijd wordt medegedeeld, hoor ik voortdurend het geschetten van Lamech er doorheen klinken. Net een stoorzender, die keihard overkomt. Lamech en Enos, gaan ver uit elkaar. Lamech is super-mens. Bij hem vergeleken is Enos een stumper. Waarom moeten wij altijd zulke stumpers zijn, verzucht u. U wilde liever als Lamech zijn, die Kaïn nog overtreft in durf en lef? Lamech had – nam zich – twee vrouwen. Hij kan zich dat veroorloven, vindt hij. Dat de Heere man èn vrouw, twee tot één maakte, dat is achterhaald. Lamech maakt hier de dienst uit. Ada en Zilla zijn er tot meerdere eer van Lamech. Ze moeten zijn ijdelheid strelen hoort mijn stem. Dronkemanstaai lijkt het wel. Kaïn – hij spreekt niet over hem, maar zinspeelt duidelijk op hem. Welnu, Kaïn sloeg Abel dood uit pure nijd, hij werd gepasseerd, dat was erg.
Hij, Lamech, vermoordt iemand om een woord en een striem. En ik schaam mij er niet voor.
Ik vraag ook niet om bescherming, zoals Kaïn nog deed. Wie maakt mij wat. En wat maal ik om vloek en teken. Zevenvoudige wraak? Zeventig maal zevenmaal. Daar komt God helemaal niet meer aan te pas. En zo zien we het gelijk òp gaan: God wordt geëlimineerd en de mens geëmancipeerd. Lamech neemt God het heft uit handen, hij heeft hem niet meer nodig – hij is niet angstig, hij is mans genoeg. Zondeval, broedermoord, het wraakrecht, dat God toekomt, wordt Hem ontnomen. Lamechs zwaard- of wraak- of praal-lied spreekt boekdelen. En het einde van dit lied laat zich raden: Een bloedbad. Toen begon men de Naam des Heeren aan te roepen.
Toen de mensheid in het algemeen eigen naam uitriep, en aan de kennis van God ontzonken was, de Naam des Heeren tussen grote haken had gezet, met een paar grote halen had geschrapt: toen. Dwars tegen de menigen en stromingen in. Net als… nu. Waar mag dat vandaan komen? Van Enos! Dat komt voort uit dat sterke: 'Ik zal' des Heeren. In het geslacht van Seth verklaart de Heere nadrukkelijk: Ik ben er ook nog, en Ik ben er als uw God! Wat een verrassend wonder, van vèrstrekkende betekenis. Toen. En dat had een vervolg tot vandaag toe. God had vijandschap gezet, een vore getrokken, die de duivel nooit kan onderploegen.
We hebben bij dat aanroepen van de Naam te denken aan de openbare eredienst, die vastere vormen aanneemt en regelmatig wordt gehouden. Wij weten weinig van het 'hoe', al zullen altaar en offer er hun plaats in gehad hebben. Het 'dat' is belangrijk. Een begin. In het gezin van Enos, met Seth, misschien nog met Adam! De duivel spuwt er op, hij zal vele pogingen aanwenden om het te verstoren. Maar in een wereld, die nu eens schreeuwt en dan weer schatert, begon men. Vernam men een stil en gestadig roepen. Om God, om zijn heil. Een naam werd aangeroepen, de Naam des Heeren, de Naam, uitgeschreven in ht Woord!
De Naam des Heeren. De Heere openbaarde Zich, riep als het ware Zijn Naam uit. Gods openbaring doorloopt een geschiedenis en ontplooit zich daarin. De Naam wint aan duidelijkheid. De Heere maakt zich gaandeweg bekend: Adam, Enos, Henoch, Noach, Abraham, Israël. En om een grote sprong te nemen: Jezus Christus. God voortijds, veelmaal en op velerlei wijze gesproken hebbende tot de vaderen (Hebr. 1 : 1). God liet Zich en laat Zich kennen in Zijn Naam, denk maar aan Mozes. Hij wist de mensen te bereiken. Hij werkte het geloof. Door het geloof begon men de Naam des Heeren aan te roepen.
Belijden, bidden, aanbidden, het behoort er allemaal bij. Het aanroepen kent ook een voortgaande ontplooiing. Openbaring en geloof zijn op elkaar afgestemd. Naarmate men meer van de Naam weet, zal het noemen van die Naam, het roepen van die Naam, meer inhoud krijgen; dat geldt nu nog.
Uitgerekend toen! En uitgerekend nu! De Naam des Heeren aanroepen wordt een staande uitdrukking voor de dienst des Heeren. Roep ik iemand, dan trek ik daarmee zijn aandacht. Dan vraag ik hem naar mij toe te komen. De Naam is een roepnaam. Wat is de Heere ver weg, ver ook geweken van ons mensen, door de zonde. Heere! Haast U! Het is contact zoeken.
De Naam is een contactnaam. Het gaat niet om een vluchtig contact, het gaat om gemeenschap! Heel de cultus wordt er in bedoeld, en tegelijk vereenvoudigd: Roept Zijn Naam aan 'Ps. 105 : 1). Roep Hem als het ware òp, tot uw hulp en heil. De psalmen zijn roep-liederen. Voegen wij ons vanavond bij de prille gemeente, die begon de Naam des Heeren aan te roepen. Enos, een zwakke man: Sterke God. Zou het 'toen' samenhangen met Zijn Naam. Wie groot en hoog is, zoals Lamech, doet stellig niet mee. De Naam des Heeren zal niet in vergetelheid geraken. Hier wordt die, in woord en sacrament, genoemd. Daarom wordt Hij hier aangeroepen door jong en oud.
Echt? Lamech drukt zijn stempel op de ontwikkeling. God is uit de tijd. Moeilijk is het dan Hem te dienen. Och, moeilijk, ik red mij wel zonder God. Zeker, Lamech. Ik niet, is dat Enos? Hoort u die Naam als levensruimte, als wij worden doodgedrukt door wereld en duivel. Dan roepen! Wendt u naar Mij toe! Hoe Heere? Roept u Mij aan. Mijn Naam staat borg voor al uw noden. De Heilige Geest wekt vertrouwen in de Naam en werkt dat belijden, bidden, danken, loven in onze harten. Men begon. Verscholen tussen de oude, stokoude mensen, schitterden de ogen van kinderen. Mag het. Het moet en het mag en wij bevinden ons in goed gezelschap. Abraham, Samuël, Elia, om de voormannen te noemen! Christus.
Dan neemt de uitdrukking een zwenking. De naam des Heeren, dat is de Heere Jezus Christus. In Hem maakte God Zijn Naam volkomen bekend. Stefanus stierf, aanroepende: Heere Jezus. De eerste gemeente bestond uit lieden, die deze Naam aanriepen Hand. 9 : 21. Paulus vervolgde hen. Hij moest zwichten voor Christus. Als apostel richt hij zich tot de gemeente, allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, 1 Cor. 1 : 2. Van Israël breidt zich de kennis van de Naam uit over alle volken, wordt die voortgeplant van kind tot kind. Toen begon men. Een kleine vonk. Overal een grote brand.
Laat Lamech maar pochen. De mens blaast zich op, ook met behulp van wetenschap en techniek, totdat hij barst, en zijn wereld uiteenspat in vuur en rook. Dat zal gebeuren, daar zijn velen bang voor. Wij beleven er reeds wat van. Daarom klemt het te meer. Behoren wij tot die 'men'. Naamlozen? Nu, kinderen van Enos, vernoemd naar Jezus, Aanroepen. Maakt er een begin mee, al zou het bijna te laat zijn. Wordt de zon geblust in duisternis, baadt de maan in bloed, dan nog zal het geschieden, al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden.
Maranatha.

L. Kievit, Putten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het aanroepen van de Naam (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's