Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? (5)
(Notities rondom een misverstand)
Zagen wij een vorig maal het één en ander uit de ondervinding van de vroege bekeringsjaren van mijn geestelijke vader. Rijer Pothoven, ditmaal willen wij zien hoe de Heere later doortrok met de kracht van Zijn genade en hem bracht tot de verzekering van zijn genadestaat, zoals hij die beschrijft in zijn gedicht 'Rechtvaardigmaking'.
Rechtvaardigmaking
In een brief uit 1960 schrijft Pothoven daar het volgende van (aan de hand van de geschiedenis van Gideons bende met fakkels en kruiken):
'Dat is genade van den hemel! Wij zijn uit de aarde aards. En een levendgemaakte ziel is verblijd met het inwonend Licht, maar ook zo zuinig op zijn kruik. O, vrienden, het is alles verliezen om alles te behouden. (De kruik moet verbroken worden). Het is God te doen om de schat uit het aarden vat over te houden.'
'Om Sions wil zal Ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn, totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans en haar heil als een fakkel die brandt.'
Het volk van Gideon, dat kleine volkje dat in de smeltkroes der ellende leert en ontvangt van God om de Naam des Heeren hoger te achten dan eigen leven, dat strijdt de goede strijd des geloofs.
De 300 van Gideon trokken in drie hopen op. Dat is nog heden ten dage de bevinding van die lieve kleine Klaagkerke.
'Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.' Geen wonder, want geloof blijft tot aanschouwen. Hoop blijft tot vervulling. Maar de liefde blijft eeuwig.
Ik kan soms schreien van blijdschap als ik nog mensen ontmoet die nog willen luisteren naar het waarachtig getuigenis van Gods volk. O, dan zucht mijn ziel tot God om hun waarachtige bekering, gelijk zij zucht voor het bekommerde volk om hun bevestiging.
O, gij bekommerde zielen, hoe gelukkig dat ge niet voldaan blijft met hetgeen ge beleefd hebt, maar leert uitzien naar een tweede wonder: de rechtvaardiging uwer ziel in het gerichte Gods, ééns, ogenblikkelijk en voor eeuwig, door het dierbaar Bloed des Lams.
Wordt ge bevreesd en beangst en meer en meer bekommerd vanwege uw schuld en zonden? Het is nuttig en noodzakelijk hoor!
We moeten ontledigd en ontgrond worden geheel en al, ja door de wet der wet gaan sterven, opdat we de 'prijs des Bloeds' waard worden.
O zielen, dat is als wij ons het rechtvaardig oordeel des doods waardig keuren over onze eigen ziel.
Daar krijgen ze God zo hemels lief dat ze zeggen (in de onderwerping aan Gods heilig recht): O God, Ge hoeft mij niet naar de hel te brengen, ik zal zelf wel gaan!
O, daar zouden ze, geestelijk gesproken. God nog één kus willen geven eer Hij hen verlaten zou.
Toen mij dit geschiedde, verder kon het niet en verder hoefde het ook niet. O, eeuwig geprezen zij de Naam des Heeren! Toen werd mijn ziel afgesneden van de oude Adam en zonk ik neer…
Waarheen? Naar de hel? O neen, maar in de eeuwige liefdesarmen Gods en op het Fundament dat gelegd was!
Ik heb het nog in dichtvorm gezet als volgt:
Als onder 't heilig recht
de ziele niet meer vecht,
maar billijkt 't zondeloon,
wat haar ook overkoom',
rechtvaardigend haar God,
wat eeuwig zij haar lot;
als in haar laatste vreugde
(het eren van Gods deugden!)
de deugd van 't recht het wint,
al eist zij: Doodt het kind!
O, stonde van 't gericht,
O, dood'lijkst tijdsgewricht…
Toch wordt verloren gaan
door God niet toegestaan.
Hier wordt de Zoon gekust
eer z'op de weg vergaat.
Hier wordt zij welbewust
verzekerd van haar staat.
Hier drinkt zij 't Bloed des Lams,
't welk haar in 't leven laat.
Hier wordt de toorn geblust
en is het: vree met God
door 't Offer van Zijn Zoon.
O, allerzaligst lot!
Driebergen, augustus 1960
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk, dat de schrijver onder rechtvaardigmaking verstaat de bevestiging van de genadestaat van Gods kinderen voor eigen bewustwording, het als een gans onwaardige tegenover Gods rechtvaardigheid door genade geworpen te worden in de liefdesarmen van Christus. Zoals hij zelf in gesprekken mij verzekerd heeft, ontkende hij daarmee niet het leven der wedergeboorte als een leven uit Christus, ook vóór een bewuste vierschaar-beleving. Hij achtte dat hoog en was er immer zielsverblijd mee. Hij ging daar ook altijd teer mee om, al legde hij niemand haastiglijk de handen op. Maar hij wilde de onvaste zielen uitgedreven zien naar de vastigheid in Christus.
Hoogachting voor het kleine
Zijn erkenning van en hoogachting voor het geringste genadewerk Gods, ook vóór de bewuste verzekering, blijkt wel uit zijn ervaring rond het sterven van Annigje Schut van de Sluisjesdijk onder Piershil, een bekommerde christin. Pothoven voerde jarenlang met deze vrouw correspondentie vanuit een geestelijke verbondenheid.
Hij mocht wel geloven in een aanvankelijke bekering van deze vrouw, bestaande in bekommernis over schuld en zonden en een hunkering naar Christus de Zaligmaker. Maar nimmer kwam zij tot een klaar getuigenis aangaande de verzekerdheid van de vergeving van haar zonden.
Zo ging zij na een jarenlang ziekbed heen. De eerw. heer De Redelijkheid zou de begrafenis leiden en ook Pothoven was verzocht een woord te spreken. Zuchtend ondernam hij de reis van Driebergen naar Piershil, niet wetend wat hij spreken zou. Want het was met de overledene nimmer tot geestelijke doorbraak gekomen. Nooit had zij klaar getuigd zich het eigendom van de Borg te weten. Maar in een wachtkamer te Rotterdam gaf de Heere hem antwoord op zijn zuchten, door een kindermond.
Terwijl hij daar zo zat te peinzen, kwam een moeder binnen met een kind van een jaar of vijf aan de hand. En dat kind, zich aan niemand storend, begon op heldere toon te zingen: 'God zal Zijn Waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn Verbond gedenken. Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht…!'
Dat was het antwoord. Gods Verbondstrouw. De waarachtigheid van Zijn Woord. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Wat hij begon, zal Hij ook voleindigen. Al was het dan in de stilte van de verborgen mens des harten, ook aan Annigje Schut zou de belofte vervuld zijn: 'Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat ook voleindigen tot op de Dag van Jezus Christus!'
Nu had Pothoven voor de begrafenis een rijk getuigenis aangaande de eeuwige trouw van God jegens de Zijnen.
'k Herinner me nog goed hoe hij bij zijn terugkeer van de begrafenis deze geschiedenis met tranen vertelde.
Wat kon hij laag afdalen, maqar tegelijk ook wijzen op de noodzakelijkheid om gebouwd te worden op 'het Fundament dat gelegd was', namelijk Christus, zie bovengenoemde brief Zijn lievelingspsalm was dan ook Psalm 32 : 1, 'Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven…'
Een volgend maal D.V. nog iets meer over de dichter.
ds. L. H. Oosten, Hedel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's