De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voorbede concreet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorbede concreet

9 minuten leestijd

In de serie Calvijn commentaren verscheen recent in nederlandse editie het eerste deel van de 'voorlezingen' over het boek Daniël. Dit deel vangt aan met het gebed, waarmee Johannes Calvijn gewoonlijk zijn voorlezingen besloot. 'Verleen ons – o Heere – genade, opdat wij ons zo bezighouden met de geheimen van Uw hemelse wijsheid, dat we waarlijk toenemen in vroomheid; zulks tot Uw glorie en onze stichting— Amen'. Een kort en krachtig gebed, dat kennelijk in dezelfde formuleringen steeds herhaald werd. Dat korte en kernachtige is trouwens kenmerkend voor alle formuliergebeden. Het is niet in het minst ook kenmerkend voor het allervolmaaktste gebed, dat Christus ons Zelf leerde bidden. Dat gebed mag en moet ook voorbeeld zijn voor onze openbare gebeden.


Het kan niet ontkend worden dat in de eredienst in de gemeente de gebeden vaak veel langer zijn dan de formuliergebeden. Soms zijn gebeden complete verhandelingen aangaande de stof, die in de preek aan de orde komt of aan de orde was. Is dat de bedoeling? Is het de bedoeling dat het gebed een preek apart is?
Enkele weken geleden schreef ik over het gemeenschappelijk gebed, naar aanleiding van een verzoek van de redactie van Uitdaging, in verband met een gebedsweek, die belegd was in de tweede week van januari. In dat artikel stelde ik dat de dienaar des Woords de mond van God naar de gemeente toe is en de mond van de gemeente tot God. In zijn voorbede zal als het goed is het hart van de gemeente mee resoneren, meezuchten, meebidden, meedanken.
Nu kreeg ik in reactie op dat artikel een uitvoerige brief van een bijna tachtigjarige emeritus predikant, die regelmatig onder de Woorddienst komt. Hij verzekert mij, dat hij aan de hoge kant zit als hij zegt 'dat misschien één op de tien (predikanten) werkelijk voorbede doet'. En hij bedoelt dan 'concrete voorbede'. 'Er worden in het gebed vaak stukken van de preek uitgesproken'.

Voorbeelden
Zelf geeft de briefschrijver een aantal voorbeelden:
Er wordt bijna nooit gebeden 'voor het Oude Bondsvolk Israël, dat ook de Joden samen met ons gevonden mogen worden aan de voeten van de Heiland, opdat ook zij en wij met hen kennis der zaligheid mogen ontvangen'.
'Er wordt zelden gebeden voor vorstenhuis en regering.'
'Er wordt bijna nooit gebeden voor de volken der aarde, dat zij mogen zoeken de waarachtige vrede, opdat de wereldvrede daarvan vrucht moge zijn'.
En om het nu verder maar samen te vatten, er wordt zelden of te weinig gebeden voor vervolgers en verdrukkers, voor het christelijk onderwijs, voor dokters en verpleegkundigen, voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten, voor de bekering van de talloos velen, die in ongeloof of pure onwetendheid voortleven.
En dan sluit de briefschrijver af met: 'Er zou nog meer te noemen zijn. Maar genoeg…' Welnu, daar zit 'm intussen ook het probleem. Er zou nog meer te noemen zijn. Er zou nog zo onnoemelijk veel meer te noemen zijn. Wanneer honderd briefschrijvers de voorbeelden aan zouden moeten dragen, zouden er honderden verschillende voorbeelden, verschillende zaken, die voorbede behoeven, worden genoemd. Even afgezien van concrete gevallen van ziekte of bizondere nood in de gemeente is het immers zo dat, wanneer het om meer algemene zaken en noden gaat, ieder zijn eigen subjectieve voorkeur gelden laat. Ieder komt dan vanuit zijn eigen hoek van het leven.
Persoonlijk heb ik een predikant gekend, die nooit naliet voor het verplegend personeel in de ziekenhuizen te bidden. Hij had zelf enkele dochters, die in de verpleging werkzaam waren. Predikanten, die zelf ooit bij het onderwijs werkzaam waren, vergeten zelden het onderwijs in de voorbede. Predikanten, die een gehandicapte in hun directe omgeving hebben, zullen vaak daaraan aandacht geven, met name ook aan de verpleging en verzorging van gehandicapten.
Ik nuanceer hiermee enigszins de brief van de emeritus predikant. Er zijn predikanten, die nooit nalaten voor Israël te bidden. Er zijn inderdáád ook predikanten, die er nooit voor bidden. Dit zal afhangen van de geestelijke instelling, die men zelf ten opzichte van het Oude Bondsvolk heeft. Als men Israël (land, volk en staat) op hetzelfde vlak ziet als België (land, volk en staat) zal men minder aandrang voelen om er concreet voor te bidden dan wanneer men in Israël ook vandaag nog een (het) volk van belofte ziet.
Er zijn predikanten, die nooit zullen nalaten voor volk en overheid te bidden. Er zijn inderdaad predikanten, die het zelden doen. De betrokkenheid van predikanten op het politieke leven bepaalt ook de concretisering van de politieke voorbede. In ieder geval geeft de Schrift zelf de opdracht om hier voorbede te doen: voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, opdat wij een stil en gerust leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.


De kwestie is echter dat er nog veel meer te noemen zou zijn. Waarom zo weinig concrete voorbede – om nog wat verder te borduren op de brief van de emeritus – voor de ambtelijke vergaderingen van de kerk, voor de huismoeders in hun zware gezinstaak, voor verslaafden, voor zakenmensen in allerlei stresssituaties, voor de media en de daarbij werkende journalisten, voor de wetenschap en hen die daarin werkzaam zijn, voor het (wereld)diakonaat, voor het leger en degenen die daarin de geestelijke verzorging voor hun rekening nemen, voor gevangenen, voor zeevarenden, voor de visserij met de voorgeschreven vangstbeperkingen, voor het milieu?
En ook ik zeg: 'er zou nog meer te noemen zijn. Maar genoeg'. Van Koning Hiskia lezen we dat hij de brieven van de vijand voor het aangezicht des Heeren uitspreidde. Hij behoefde de hele inhoud ervan niet aan God te noemen. Met het uitspreiden van de brieven beleed Hiskia Gods alwetendheid. God las de brieven mee. Hij wist wat erin stond. De voorbede is dat niet anders dan onze afhankelijkheid belijden jegens Hem, die van al onze noden weet, méér dan wij Hem kunnen zeggen, maar die desalniettemin in al onze noden door het huis van Jacob gebeden wil zijn.

Evenwicht
Intussen is het goed om naar de bezorgde vragen van die oude ambtsbroeder te luisteren. Niet alles kan in de voorbede aan de orde komen. Dan moeten de brieven maar worden uitgespreid voor Gods Aangezicht. Maar bidden moet wel bidden zijn en bidden blijven. Wanneer bidden preken wordt is er iets fout. Een ambtsdrager, die wekelijks preken las in een vacante gemeente, zei eens dat hij in het gebed, dat hij dan doen moest, wel eens het nodige kwijt kon aan de gemeente. Bidden was zo een verkapte vorm van preken en dan nog om het de gemeente eens (aan) te zeggen. Hoeveel verkapte prediking en impliciete terechtwijzing zit er inderdaad soms niet in gebed en in de eredienst. Dan gaat het karakter van de voorbede verloren.
Gebeden kunnen ook lange vertogen worden, die nergens concreet worden. Met name is dat ook vermoeiend voor de gemeente wanneer het aan het eind van de dienst gebeurt en voorgangers nog eens herhalen wat ze al gezegd hebben of aanvullen wat ze nog hadden moeten zeggen maar waar ze in drie kwartier nog niet in geslaagd waren. Dienaren van het Woord moeten dan beseffen dat, na een ingespannen meedoen met de preek (want horen, geconcentreerd horen is niet minder inspannend dan geconcentreerd preken) de gemeenteleden ook nog van harte mee moeten kunnen bidden en danken. Soms danken predikanten voor de rijke bediening, die we hebben gehad. Men moet dan wel bedenken dat de hoorders niet zo de rijkdom ervan behoeven te hebben ervaren als waarin de dienaar het subjectief ervaren heeft. Subjectieve terughoudendheid is gewenst.


Het gaat ook in het gebed in de gemeente om het juist evenwicht. Altijd weer zal het moeten gaan om de smeking om de verlichting met de Heilige Geest, die de schuilhoeken van het menselijk hart doorzoekt en die Trooster wil zijn. Altijd weer is nodig het gebed om de opening van het Woord voor het hart en van het hart voor het Woord. Wat vraagt Calvijn dan in dat korte gebed, aan het begin van dit artikel genoemd, niet machtig veel. Hij vraagt om ontsluiting van 'de geheimen van Uw hemelse wijsheid', zodat mensen toenemen in vroomheid en dat tot de Gloria Dei, de eer van God. Het gaat om niets meer en om niets minder. Ontsluiting van de geheimen van God, toename in vroomheid en dat alles tot eer van God.
Maar dan zal de voorbede in de gemeente verder ook concrete voorbede moeten zijn. Concreet mogen de ernstig zieken en de stervenden aan de orde komen alsook degenen, die een hoogtijdag beleven of op andere wijze reden hebben tot bizondere dank. Op zich is het goed als deze leden der gemeente met name voor het begin van het gebed worden genoemd. Dan kunnen in het gebed de brieven voor Gods Aangezicht worden uitgespreid. Hij weet er van. En de gemeente weet ook voor wie we bidden.
Maar daarnaast zal er ruimte dienen te zijn voor meer algemene zorgen en vragen, op terreinen in het bredere leven van de mensen, dichtbij en ver weg. Soms is er een directe aanleiding, bijvoorbeeld als ervoor een bepaald doel gecollecteerd wordt. Hulpverlening is niet alleen een zaak van geld maar (allereerst) van voorbede.
Vooral echter omdat het aantal zaken, waarin voorbede vereist is, onnoemelijk groot is toont zich ook hier in de beperking de meester. Dan kan toch telkens één bepaald terrein wat uitvoeriger naar voren worden gehaald om daarin de voorbede te concretiseren?
Bij een installatie van een ministerpresident in Amerika is er alle aanleiding om de wereldgroten heel speciaal in de voorbede te noemen.
Bij een discussie als die rondom 'de twee van Breda' kunnen rechtspraak, straf (moet) en vergelding aan de orde komen met daarachter de verschrikkelijke gebeurtenissen in de tweede wereldoorlog.
Wanneer in de preek een gehandicapte de preekstof bepaalde (doven, blinden, geesteszieken) dan kan het terrein van de zorg ten aanzien van deze gehandicapten in het gebed worden betreden.
Kortom, dan zal een evenwicht worden gevonden tussen de smeking om de verlichting met en de doorwerking van de Heilige Geest en de smeking om de zorg des Heeren over heel concrete terreinen van het leven.

Geestelijk
Een kort gebed behoeft niet ongeestelijk te zijn en een lang gebed is niet geestelijk omdat het lang is. Een formulier gebed is niet minder geestelijk dan een 'vrij' gebed. Als na het Onze Vader nog een stuk vrij gebed volgt kan men zich afvragen of het mag. Volmaakter dan het 'allervolmaakste gebed' kan het niet.
En verder, concrete voorbede is geestelijk van aard. Als dat te 'gewoon' is is het gebed te 'vroom'.
Bij God zijn alle dingen op het allervolmaaktst bekend. Toch vraagt Hij onze voorbeden. Want Hij is Schepper en wij zijn schepselen. Minder dan een druppel aan de emmer…

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1989

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Voorbede concreet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1989

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's