Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? (7)
Notities rondom een misverstand
We hebben getracht in de vorige afleveringen van deze reeks een antwoord te geven op de vraag: Wie was de dichter van 'Rechtvaardigmaking'? Het kan toch nuttig zijn iets te zien van de persoon achter het gedicht voor wat betreft zijn genade en geestelijke ondervinding. Het moge zijn tot lering, bemoediging of bevestiging, naar het woord van de Psalmdichter: 'en scheppen moed uit mijn behoudenis' (Ps. 51).
Het gedicht 'Rechtvaardigmaking' werd in 1960 spontaan geboren, toen Pothovens z.g. vierschaarbeleving nog weer eens levend werd voor zijn gemoed. De zaak was niet versteend tot een stuk koude historie, tot manna waar de wormen uitkropen, maar werd door genade steeds levendig onderhouden en gevoed. In die zin ook achtte hij de goddelijke vrijspraak – ja, in de grond van de zaak wel een eenmalig en eeuwig geldend gebeuren, maar toch een zaak die, om eruit te leven, telkens weer verlichting en verlevendiging nodig heeft, zoals dat immers geldt voor alle stukken van het geestelijke leven. 'k Herinner mij dat wij eens samen uit de kerk kwamen en hij opnieuw zo verbroken was. Het gepredikte Woord had hem teruggeleid tot de eerste beginselen: de ontdekking, het roepen, toevluchtnemen, de angsten der wedergeboorte, aanvankelijke vertroosting enz. Moeten de drie stukken van de Heidelberger immers niet aanhoudend worden geleerd?
Nu was de dichter van 'Rechtvaardigmaking' geen theoloog in de wetenschappelijke zin van het woord; wel 'van God geleerd' maar geen universitair godgeleerde. Wij moeten niet alle uitdrukkingen, ook uit de vorige afleveringen, theologisch wegen. Veel bevindelijk spraakgebruik is in de loop der tijden ontwikkeld via de geestelijke gezelschappen op een wijze die – zeker wat de woorden betreft – soms toelichting of korrektie behoeft. In de geest van de dichter zelf wil ik trachten de door hem gebruikte term 'rechtvaardigmaking' toe te lichten. Gods Woord leert ons de rechtvaardiging door het geloof. 'De rechtvaardigheid Gods (is) door het geloof van Jezus Christus tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid' (Rom. 3 : 22). Dus wie waarlijk gelooft, hoe weinig of hoeveel hij ook gevorderd is op de weg des geloofs, is door Gods uitspraak in Zijn Woord gerechtvaardigd. Dit is zeker waar van God en van Zijn Woord uit gezien. In het gemoed van de gelovige echter kan dit nog wel eens duister, aangevochten, onzeker zijn. Van der Groe spreekt terecht en schriftuurlijk van een zwak geloof met een zwakke verzekering of een sterk geloof met een sterke verzekering, alles dus naar de mate van het geloof. Zo worstelt David in Psalm 51 met zijn zonden, erkent het heilig recht van God en smeekt om vergeving, juist nadat hem in Gods Naam de vergeving der zonden was toegezegd (2 Sam. 12 : 13). 't Is dus een schriftuurlijke beleving dat iemand, die in Gods ogen en uitspraak reeds verzoend is, nog staat voor de verzekering ervan voor eigen bewustheid. Het gedicht 'Rechtvaardigmaking' gewaagt nu – zoals Pothoven zelf het erin uitdrukt – van de bevestiging van zijn staat. Wat van Gods kant waar was (de staat van gerechtvaardigde) werd zo zijn innerlijke doorleving: de 'vierschaarbeleving' in een punt des tijds, zoals wij die b.v. ook kennen uit de werken van wijlen ds. I. Kievit. Gebruikt men hiervoor de term rechtvaardigmaking, dan is dat in zoverre niet onjuist, dat het hier gaat om de bewuste doorleving van de vrijspraak van de zondaar voor Gods gericht in zijn geweten. Hij voelt zich schuldig. God moet hem veroordelen, maar spreekt hem om Christus' wil vrij.
In Gods Woord is rechtvaardigmaking ook een richterlijke term. Niet alle gelovigen echter ervaren die bewuste vierschaarbeleving in het geweten. 't Kan zijn in de wasdom van het geloof, dat een bekommerd christen allengs meer en meer van zijn staat verzekerd wordt naar de mate des geloofs (v. d. Groe, W. à Brakel).
Pothoven heeft dit nooit ontkend en mij zelfverzekerd dat ook zijns inziens reeds de eerstbeginnende gelovige, van Gods zijde gerekend, in Christus is aangezien. Vanwaar anders de genade, het nieuwe leven, het geloof? Kan dat er zijn buiten Christus? Mits het geloof maar een zaak is van waarheid in het binnenste. Maar Christus kan lange tijd een verborgen Persoon zijn. Voor de innerlijke vierschaarbeleving zou het dan juister en schriftuurlijker zijn een term te gebruiken als 'innerlijke bevestiging', of – zoals het gedicht ook zegt: 'Hier wordt zij welbewust verzekerd van haar staat (…) en is het vreê met God…'. De term rechtvaardigmaking behoort immers bij het geloof van stonde aan; zij is een uitspraak van God in het Woord over allen die geloven, of zij het nu innerlijk gevoelen of niet. Bij de dichter slaat de term rechtvaardigmaking op de bewuste verzekering van de rechtvaardigmaking. Zeer verhelderend las ik ergens: 'De bewustheid maakt de verzekering uit. De verzekering is die weldaad, die onze godgeleerden ook wel bij andere leerstukken onder een andere naam vermelden. B.v. bij het behandelen van de leer der rechtvaardiging noemt men het een rechtvaardiging in de consciëntie; als men van de vrede van God handelt, spreekt men ook van een vrede in de consciëntie. Petrus meldt van een vastmaken der roeping en verkiezing. Door deze en soortgelijke uitdrukkingen moet men niet anders verstaan dan de verzekering waarvan wij hier spreken'. En andermaal: De verzekering is die weldaad van het genadeverbond waardoor de gelovigen door de inwonende Geest volgens 't onfeilbaar Woord van God kennis knjgen van hun aandeel aan Christus, zodat zij in de hoope der heerlijkheid mogen verkeeren. Gal. 4 : 6, Rom. 8 : 16' (S. van Emdre).
Nogmaals, met rechtvaardiging wordt dus in het gedicht bedoeld de bewuste doorleving van de rechtvaardigmaking ofwel de bevestiging van de gelovige, waarmee door de dichter niet ontkend wordt de schriftuurlijke leer van de rechtvaardiging Gods over allen die geloven.
Nog een zaak die – blijkens reakties op deze artikelenreeks – met betrekking tot het gedicht enige opheldering behoeft. In de onderwerping aan Gods heilig recht zegt de dichter: O God, Ge hoeft mij niet naar de hel te brengen, ik zal zelf wel gaan! O, daar zouden ze, geestelijk gesproken, God nog één kus willen geven eer Hij hen verlaten zou!' Hier gaat het (het gedicht zegt het duidelijk) over 'het eren van Gods deugden', waarbij 'de deugd van het recht het wint, al eist zij: Doodt het kind!'
Dat is dus niet hetzelfde wat men hoort in een harde wettische leer waarin de Plaatsvervanging ontbreekt: 'Gooi mij maar in de hel en anders zal ik zelf wel gaan!' De dichter gaat het om het billijken van Gods rechtvaardigheid zelfs in het verdoemen van de overtuigde en verslagen zondaar. Het is de schriftuurlijke belijdenis: 'Gij zijt rechtvaardig in Uw spreken en rein in Uw richten' (Ps. 51 : 6) en 'HEERE! Gij zijt rechtvaardig en elkeen Uwer oordelen is recht!' (Ps. 119 : 137), zoals de Psalmdichter zelfs na ontvangen genade beleed. En juist in het omhelzen en goedkeuren van Gods recht, waar het gedicht spreekt van het kussen van God, daar geeft God Zijn Zoon te kussen en het Bloed des Lams te drinken en de vrede Gods te smaken door het Offer van de Zoon. Opvallend is dat de dichter die deze zaken zo helder en krachtig doorleefde juist niets moest hebben van zulke 'rechtvaardigmakingsdrijvers' op de preekstoel die onbeschroomd bulderen van recht en hel en zo blijk geven niets te verstaan van de diepten van het verderf, nog minder van de deugd van Gods rechtvaardigheid die juist verheerlijkt is in het Offer van de Zoon. 'Zij hebben het maar over de verdoemenis omdat zij nooit verdoemd zijn geworden', zei hij mij. Hij wenste over de rechtvaardigmaking te spreken niet in termen van recht en hel, maar in termen van borgtocht en plaatsvervanging, waarin de hel is verslagen, de toorn geblust en het recht bevredigd. Want waar hij God leerde kussen in Zijn recht, gaf God hem de Zoon te kussen in Zijn Offer. Wat het eerste betreft: 'Verder kon het niet en verder hoefde het ook niet', zo schreef hij. Dus niet naar de hel, al keurde hij het zich waardig, maar zinken 'in de liefdesarmen Gods en op het Fundament dat gelegd was.' – 'Hier wordt de Zoon gekust eer z' op de weg vergaat.'
Juist naar de Borg zag hij de mingevorderde zielen dan ook zo gaarne heengedreven, zonder de toeleidende genade te ontkennen. De plaatsruimte laat het niet toe om naar ons voornemen nu de reeks te besluiten. D.V. nog eenmaal een afsluitend artikel.
ds. L.H. Oosten, Hedel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's