De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

10 minuten leestijd

Dit jaar bestaat het Nederlands Bijbel Genoodschap 175 jaar. Jan J. van Cappelleveen schreef een brochure 'Binnen ieders bereik'. Het begin van het eerste hoofdstuk 'Op het juiste moment' geen een aardige indruk van hoe-het-allemaal-begon:

'In het dorpje LIanfihangel in Wales staat een opmerkelijk standbeeld. Meestal worden generaals en admiraals, koningen en keizers met standbeelden geëerd. In LIanfihangel staat het standbeeld van een eenvoudig dienstmeisje, Mary Jones. Ze heeft geen leger aangevoerd als Jeanne d'Arc. Ze heeft geen zieken verpleegd als Florence Nightingale. Ze spaarde zes jaar om een bijbel te kopen Ze liep vijfenveertig kilometer naar het dichtstbijzijnde stadje Bala, waar volgens zeggen bijbels verkocht werden. Ze liep vergeefs.
Tussen 1791 en 1793 deed een geestelijke opwekking Wales op zijn grondvesten schudden. In jaren waren geen bijbels in het Wels gedrukt. Ineens wilden duizenden mensen een bijbel bezitten. Predikanten deden een beroep op de Britse Society for Promoting Christian Knowledge die in het verleden al eerder biibels in het Wels had laten drukken. Maar het ging deze organisatie op dat moment niet erg voor de wind. Ja, ergens op zolder lagen nog 500 exemplaren, als Wales daarmee gediend was. Ze betekenden met meer dan een korst brood voor een hongerige meute. Opnieuw drongen predikanten uit Wales er bij het genootschap op aan dat het bijbels zou laten drukken. En nog eens en nog eens, tot het er niet langer onderuit kon. In 1796 schraapte het zijn laatste geld bij elkaar voor 10.000 bijbels en 2.000 nieuwe testamenten, die twee jaar later ter beschikking kwamen. Voor één van deze bijbels spaarde Mary Jones. In 1800 had ze het bedrag bijeen, maar kwam te laat. Ze was in die tijd niet de enige die met lege handen stond. Die oplage beantwoordde voor nog geen kwart aan de behoefte. Mary klopte voor haar bijbel aan bij ds. Thomas Chartes van Bala. Volgens de overlevering stimuleerden haar tranen hem tot actie. De werkelijkheid was dat hij allang met plannen rondliep om mensen in Wales aan bijbels te helpen. Tijdens een bezoek aan London voor een vergadering van een traktaatgenootschap kwam hij op het idee een bijbelgenootschap voor wales op te richten.
Hij lanceerde zijn plan op 7 december 1802 in een kleine kring van bekenden en zijn vriend, Joseph Hughes, riep uit: "Voor Wales, waarom niet voor heel Brittannië? En indien voor Brittannië, waarom niet voor de hele wereld?" Dat groepje mensen bracht op 7 maart 1804 ruim 600 vooraanstaande Britten bijeen in een ruimte achter de London Tavern. Nog diezelfde avond werd een genootschap opgericht, dat zich ten doel stelde de bijbel in Engeland en in heel de wereld binnen het bereik van de mensen en in het bijzonder van de armen te brengen. The British and Foreign Bible Society was geboren. Er werden meteen drie secretarissen benoemd, de anglicaan John Owen, de baptist Joseph Hughes en de Duitse lutheraan Karl Friedrich Adolf Steinkopf. De laatste moest vooral de contacten met het buitenland onderhouden.
Vervolgens gebeurde er iets opmerkelijks. Het Britse voorbeeld werd meteen in andere landen gevolgd. In een razendsnel tempo ontstonden overal organisaties die de bijbel gingen verspreiden. Nog in hetzelfde jaar in Stockholm en Neurenberg, een jaar later in Berlijn en Schotland, nog weer een jaar later in Bazel en Dublin. Dan in Moskou (1807), in Philadelphia in de Verenigde Staten (1808), in Helsinki en Calcutta (1811), in Zürich, Istanboel en op Ceylon (1812), in Petersburg, nu Leningrad, en in Kaapstad (1813), in Denemarken en in het toenmalige Batavia (1814).
Deze beweging was niet te stuiten; overzee niet, maar evenmin op het vasteland van Europa waar Napoleon de macht stevig in handen had. Engeland was in oortog met zo ongeveer geheel West-Europa. Toch sprongen overal bijbelgenootschappen op, eerst achter de Napoleontische grenzen en, toen de troepen van Napoleon vastliepen in de besneeuwde steppen van Rusland en diens macht in West-Europa gebroken werd, ook in snel tempo in de voorheen door Frankrijk bezette gebieden. In belangrijke mate droeg daaraan een Europese reis bij van ds. Karl F. A. Streinkopf die tussen juni en december 1812 – de periode waarin de troepen van Napoleon tot aan Moskou oprukten en vervolgens terugvluchtten – vanuit Londen via Zweden en Denemarken dwars door Duitsland trok naar Zwitserland en weer terug om overal mensen te inspireren het Britse voorbeeld te volgen en bijbelgenootschappen op te richten. Hij reisde op een Deens paspoort, omdat hij anders als Britse spion zou zijn opgepakt.
Ook na zijn reis werden nog op diverse plaatsen bijbelgenootschappen opgericht; twee weken na dat van Batavia, op 29 juni 1814 in het net bevrijde Amsterdam het Nederlands Bijbelgenootschap. Er moet meer aan de hand geweest zijn dan die paar tranen van eenvoudig, bijna ongeletterd dienstmeisje. Haar verdriet activeerde ds. Charles misschien en bespoedigde zijn plannen, maar er moet een andere verklaring zijn voor de snelle opgang van de bijbelgenootschapsbeweging in de rest van de wereld. Een belangrijke reden was dat mede door de Verlichting lectuur steeds meer de massa begon te bereiken. De Franse Revolutie werd gepredikt in honderden pamfletten die van hand tot hand gingen. In Engeland verschenen al 200 kranten en tijdschriften. In Nederland was de Rotterdamse Courant al een kwaliteitskrant, maar ook de regio kon bogen op eigen bladen.
Toch kon lang nog niet iedereen lezen en schrijven. Een onderzoek uit het begin van 1800 toont aan dat in Gouda een kwart van de bruiden en de helft van hun mannen de huwelijksakte ondertekende. De rest moest volstaan met het zetten van een kruisje en was dus nog analfabeet. De percentages mensen die konden lezen lijken pover, maar toen in de zeventiende eeuw de Statenvertaling werd gepubliceerd, lagen ze nog veel lager. Toen kon nauwelijks tien procent van de bevolking lezen. In het oorspronkelijk voorwoord wordt dan ook gezegd dat deze "oversettinge" gemaakt is "ten eynde dat deselve in de kercken ende publijcke Scholen van de Vereenighde Nederlanden, ende andere Rijcken ende Lantschappen onder onse gehoorsaemheyt resorteerende, mogen worden aengenomen end gebruyckt". Deze vertaling was dus in de eerste plaats bestemd voor voorgangers en onderwijzers om voor te lezen. Ze was nog niet zozeer bedoeld voor persoonlijk en gezinsgebruik. Die vertaling gaf de stoot tot een eerste alfabetiseringsgolf. Velen wilden de bijbel zelf kunnen lezen, er werden scholen gesticht. De verlichting versterkte vervolgens die behoefte aan educatie. Toch was onderwijs omstreeks 1800 nog steeds een luxe, zij het voor velen al een noodzakelijke luxe.
Dan volgt de tweede alfabetiseringsgolf, aan de ene kant gestimuleerd door organisaties als de typisch uit de Verlichting voortgekomen Maatschappij tot Nut van het Algemeen en aan de andere kant door Kerken en christelijke instellingen zoals het in 1797 oprichte Nederlandsch Zendeling Genootschap dat in eigen land armenscholen oprichtte en zich inzette voor volwassenenonderwijs.
Alleen was de bijbel nog geen boek voor de brede massa geworden. Hij had in de zeventiende eeuw zelfs meer en meer de kenmerken verkregen van een eliteboek. Kopers eisten uitgaven in leer gebonden met gouden, zilveren of op zijn minst koperen sloten en voorzien van etsen en gravures. Als drukkers geen platen leverden, kochten ze bij hen losse drukvellen en lieten die zelf met prenten doorschoten inbinden. Door die eisen werd de bijbel duur. In de tweede helft van de achttiende eeuw begonnen er wel goedkopere uitgaven van de bijbel te verschijnen, maar in het begin van de negentiende eeuw, mede door de Franse bezetting, verarmden velen. Zo bleven ook die goedkopere bijbels toch nog buiten het financiële bereik van velen.'


• Een lezer kocht in Tel Aviv een boek van Derek Prince, getiteld 'The Last Word of the Middle East'. Hij werd getroffen door een eenvoudige uitleg inzake een tekst, waarover nogal eens moeilijk wordt gedaan, tw. Jer. 3 : 14: 'Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht…'.

'Deze passage betuigt de terugkeer van de Israëlieten van een "noorderland" naar het land, dat God hun vaderen gegeven had. Ongetwijfeld is het laatste het land Israël. Een "noorderland" zou kunnen omvatten Rusland, Polen, Duitsland en andere landen in Oost-Europa en de Balkan. In 1946 was dat precies het gebied van waaruit het merendeel van de joodse ballingen hun tocht naar Israël maakten.
Wat bijzonder indruk op mij maakte was het detail "één uit een stad, twee uit een geslacht". Dat kwam nauwkeurig overeen met wat ik hoorde van joodse mensen rondom mij. Vaak luidde een vertelling van een overlevende als volgt: "Ik ben de enige van onze familie die Berlijn heeft overleefd. Maar ik heb wel een ander lid van de familie ontmoet, dat ook overleefde – mijn oom uit Hannover…'


Een predikant-lezer zond ons een stuk van zijn hand, getiteld 'De Kerk in zwavelbad of zwavelzuur'. Hoewel het geen verheffend stuk is, nemen we het hier op, omdat het wel gegrepen is uit een stukje droeve kerkelijke praktijk en een christelijk dagblad voor deze bijdrage aan meningsvorming geen belangstelling had.

'De Hervormde herder en leraar van Ter Apel, ds. Floris Kruyne, maakt ons middels een interview in Trouw deelgenoot van zijn gegrepenheid door boeddhistische meesters en monniken. Yoga, massage en meditatie zijn belangrijke facetten in zijn leven geworden, zozeer zelfs dat het mediteren voor hem het bidden heeft vervangen – behalve in de kerkdienst. (Waarom daar nog wel?) Wanneer ds. Kruyne meedeelt dat bepaalde oosterse meesters voor hem minstens (!) zo belangrijk zijn als Christus en soms het idee te hebben dat Christus voor onze tijd verouderd is, dan merken we dat er – ook in de kerk – niets nieuws onder de zon is.
In 1903 gaf de Hervormde predikant dr. L. A. Bähler te Oosterwolde een door hem vertaalde boeddhistische zendingsbrochure uit waarbij hij in een voorwoord het Boeddhisme tegenover het Christendom verheerlijkte. De brochure droeg daarbij de naam "het Christelijk barbarendom van Europa". Of hij daarbij gezegd heeft "Christus of Boeddha is voor mij lood om oud ijzer" is historisch slecht vast te stellen, maar de propaganda voor het Boeddhisme spreekt voor zichzelf.
Het geschrijf van deze "voorloper" van ds. Kruyne maakte nogal wat los in den lande. Er werd aangedrongen op tuchtmaatregelen tegen de schrijver en inderdaad sprak het Prov. kerkbestuur van Friesland uit dat zijn uitingen strijdig waren met "de geest en de hoofdzaak van de belijdenis van de Hervormde kerk". Maar in 1905 werd hij in hoger beroep niet schuldig verklaard.
De affaire wordt wel genoemd als aanleiding tot het ontstaan van de Gereformeerde Bond in de Hervormde kerk
Maar ruim 80 jaar later blijkt er niets wezenlijks veranderd te zijn. De volzinnen in onze kerkorde dat de kerk leeft in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en zelfs allereerst "dankbaar gehoorzaam" wil zijn aan de Bijbel als de bron van de prediking en als enige regel van het geloof (Artikel 10 van de kerkorde) lijken voor ds. Kruyne weinig zeggend en artikel 10 van de kerkorde lijkt een papieren tijger te zijn: indrukwekkend van uiterlijk maar krachteloos.
Ds. Kruyne noemt de synodale nota "Kerk-zijn in een tijd van Godsverduistering" beneden alle peil. Je moet inderdaad over enig lef beschikken in onze kerk.
Tegenover het woord van Christus "Ik ben de weg en de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Joh. 14 : 6) stelt ds. Kruyne dat er ook andere bruggen naar God zijn – bepaalde oosterse meesters bijvoorbeeld.
Geheel gegrepen door de New-Age gedachte nodigt ds. Kruyne onze kerk tenslotte uit om – verwijzend naar een ervaring van Harvey Cox die naakt en groepsgewijs in een zwavelbad ging zitten om een mystieke ervaring te krijgen – eveneens in een soort "zwavelbad" af te durven dalen. Ik heb sterk de indruk dat de Bijbel en het belijden van de kerk der eeuwen door ds. Kruyne per abuis niet in een zwavelbad maar in het zwavelzuur geduwd worden. Verterend voor kerk en geloof.
Het bevreemdt mij overigens niet dat bovengenoemde dr. Bähler in 1916 als lidmaat van de Ned. Herv. kerk bedankte. Hij was – volgens Reitsma's geschiedenis van de Hervorming en de Herv. kerk der Nederlanden – een man met geprononceerd mystieke neigingen.
Tenslotte ben ik nieuwsgierig of de al-dan-niet "dynamische" binding aan de belijdenis (zie het Samen op weg-proces) in dit verband voor onze kerk iets wezenlijks betekent.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's