Aandringen tot geloven
Ze zijn in iedere gemeente nog te vinden, van die schuchtere typen die u vertellen, dat ze zich zo bezwaard gevoelen over de grootte en veelheid van hun zonden. Ach neen, ze komen in het gesprek met u niet aandragen met versleten termen en stereotiepe gezegden, evenmin van zonden die poppen ook hadden kunnen bedrijven. Ze zeggen u, dat ze tegen beter weten in hebben overtreden, met opzet en wil zich hebben laten gaan. Hun belijdenis kleurt zich nooit in algemene, vage termen, het is hen te doen om concreetheid. Vaak hebben ze hun zonden al beleden en nagelaten, maar zij zijn weer in het oude spoor gevallen. Ze hebben de Naam des Heeren gelasterd, de Heere beledigd. Zou er dan voor hen nog hoop bestaan? Ze vallen weliswaar niet in wanhoop, maar op de bodem van het gesprek schemert toch door, dat het met hen hopeloos is.
Natuurlijk zijn er die zeer ernstig spreken in hun woordkeuze, maar ge gevoelt als het ware vanzelf dat de warme ernst aan hun woord ontbreekt. Ze gevoelen niet wat zij zeggen, ze worden gedreven door de zucht om ootmoedig te schijnen. Dezulke personen moet u maar zien te vangen in hun eigen ondeugd. Zeg maar eens met een fijn lachje om uw mond: Ja, mijn vriend, inderdaad moet ik u gelijk geven. Uw zonde is zeer groot. Dan beginnen ze meestal wat minder gas te geven. Terug te krabbelen. Waarschuw ze dan om met heilige zaken geen onheilig spel te spelen. Hebt u evenwel te doen met oprechte zielen, dan gaat het er bij hen om de hoop op vergeving op te wekken. Een kleine wenk hierbij kan dienen: echte schuldbelijdenis is immer persoonlijk, levend, concreet, plastisch. Maar nooit aan versleten behang gelijk!
Het gaat er bij zulke mensen om hen te wijzen op de verzekeringen Gods van zijn welgezindheid jegens boetvaardige zondaren. Men komt dan nogal eens aandragen met het tekstwoord uit Jesaja: Komt dan en laat ons tezamen richten, zegt de Heere. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Nu is dat natuurlijk een prachtig woord uit de profetie, maar u zult vermoedelijk wel tegengeworpen krijgen: de verzekering van vergiffenis in die tekst heeft geen algemene strekking, maar geldt alleen hen, wie ze rechtstreeks is gegeven, te weten het oude Israël. Verzekeringen van algemene strekking zijn hierom gepaster. Denkt u eens aan dat woord ook uit Jesaja: De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig. Daar blijkt toch uit de samenhang kennelijk, dat het een woord is van alomvattende strekking.
Mocht iemand hieraan nog twijfelen, hij denke aan het bevel van God om alle kreaturen het Evangelie te verkondigen. Aan Paulus' streven om een iegelijk mens volmaakt te stellen in Christus. Aan Johannes' getuigenis dat het bloed van Jezus van alle zonden reinigt. Met name aan Jezus' eigen verklaring, dat alle zonden behalve de lastering van de Geest de mens vergeven zal worden.
Voeg nu daarbij de bijbelse voorbeelden van de rijkdom van de genade van God. Die zijn evenzovele bewijzen van de waarachtigheid van bovengemelde verzekeringen. Er is bijna geen soort van misdrijf, of het wordt in de Heilige Schrift weergegeven als uitgewist door genade. Denkt u maar eens aan de overspelige David, aan koning Manasse, aan de moordenaar op Golgotha, aan de bekeerlingen op de Pinksterdag. Of gaat u maar eens stilstaan bij de zondaren in de gemeente van Corinthe, schuldig aan hoererij. Laten wij andere zonden daartoe maar schieten, maar vergeet nu eens niet, dat Paulus tot bekering roept. Dat is een teken daarvan, dat hij die zonden, ofschoon tegen beter weten in bedreven, niet te groot acht om vergeven te worden.
Maar vergeet vooral Paulus niet. Deze noemt zich de voornaamste der zondaren. Hem is barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in hem al zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven. Dat alles dient, opdat geen zondaar, hoe diep ook gevallen, zal wanhopen aan de mogelijkheid van behoud. Nu zal de ongeruste zondaar steeds genegen zijn om voor zichzelf een uitzondering te maken. Allicht gaat hij u wijzen op Petrus' woord tot Simon de tovenaar: Bekeer u dan van deze uw boosheid en bid God of 'misschien' u deze overlegging van uw hart vergeven wordt. Hier toch lijkt het wel of Petrus Simon onzeker maakt met het oog op de hoop tot vergiffenis, zelfs al bekeerde hij zich in oprechtheid. Toch is het niet zo. Onze kanttekening op de Statenvertaling geeft hier het rechte licht als hij opmerkt: Dit zegt Petrus niet omdat hij twijfelde of God hem zijn zonde vergeven zou, indien hij zich oprecht bekeerde. Neen, maar juist omdat hij twijfelde of hij zich oprecht bekeren zou. Dat blijkt uit de volgende woorden. Er volgt immers: Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid. Uit het woordje 'want' blijkt nu, dat Petrus in Simons diepe verdorvenheid de oorzaak vindt van zijn vrees dat zijn gebed onverhoord zal blijven. Immers – alleen aan diegene die zich bekeert, wordt genade bewezen en iemand, die een samenknoopsel is van ongerechtigheid, komt er niet licht toe om zich te bekeren. Laat dan niemand, die zich oprecht bekeert, twijfelmoedig vragen, of God hem wel vergiffenis zou willen schenken. Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is God in goedertierenheid geweldig over degenen die Hem vrezen.
Intussen – het doeltreffendste middel is hier aarzelende zielen te verwijzen naar de volmaaktheid van wat Christus gedaan heeft tot voldoening, ja, tot verzoening der zonde. Daar vinden wij een ruim terrein. Het zou nog wat anders zijn, wanneer de mens aan God een zoenoffer had aangeboden. Er zou dan reden zijn geweest voor de vrees, dat het niet toereiken kon tot bedekking van de zonde. Maar alle bezwaar vervalt nu God Zelf een zoenoffer geeft. God toch was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Het zoenoffer is wel door een mens gebracht, maar Hij die het bracht, was Gods Zoon zelf, voor ons overgegeven in de dood. Als iemand het nu durfde te wagen om te zeggen, dat dit offer niet genoegzaam zou zijn om onze zonden te verzoenen, dat zou zoveel betekenen als Gods werk van onvolkomenheid te beschuldigen. Het zou op één lijn staan met de onvolkomen zoenoffers van de priesters van Aäron.
Neen, neen – de gunst van God kan slechts worden verworven en de gemeenschap met God kan slechts worden hersteld door een genoegdoening die ons aan de ene kant schuldvrij maakt en aan de andere kant gerechtigd tot het leven. Aan die eis voldoet het zoenoffer van Christus. Kon het geschonden recht volkomener gehandhaafd worden dan daardoor dat Gods eigen Zoon, ons gelijk geworden, Zich aan de vloek der wet overgaf, terwille van zondaren? Zelfs door de eeuwige veroordeling van het ganse menselijke geslacht zou het recht niet krachtiger gehandhaafd zijn. De wet kan nooit meer geëerd worden dan door een gehoorzaamheid, die zelfs tot de dood des kruises zich uitstrekte en werd gebracht door één, die recht had om met God te regeren. Zelfs wanneer de mens nooit had gezondigd, maar voortdurend gehoorzaam was gebleven, dan zou zijn gehoorzaamheid zelfs in de verte niet met deze gehoorzaamheid vergelijkbaar zijn. Het is reden om in verbazing te geraken over de verzoening, die Christus' gehoorzaamheid heeft uitgewerkt.
Nu blijft één ding onweerlegbaar overeind. Zij, die betwijfelen of God wel gewillig is om hun zonden om Christus' wil te vergeven, doen het kruis geen eer aan. Die mensen plaatsen zich vierkant tegenover God. God heeft welbehagen in Christus' offer. Hij vult een hemel met mensen, die als zovele vruchten zijn der verzoening, aan het kruis gewerkt. Laat boetvaardige zondaren dan ook eer geven aan het kruis, door te geloven dat het machtig is hen van hun misdaden te reinigen. Ja, dat in het ogenblik zelf, waarop zij tot het kruis opzien, met de begeerte, dat zijn zoenkracht aan hen bevestigd wordt, hun misdaden als nevelen worden. Weet u, dat u de Vader vertoornt als u de waarde van het priesterlijk offer van Zijn Zoon verkleint? De Vader heeft een welbehagen in u, als u na van uw zonden gezegd te hebben: niets op aarde of in de hemel kan ze uitwissen – aan Christus' bloed de ere geeft van te kunnen wat niets anders kan.
Kaïn meent, dat zijn zonde groter is dan dat ze vergeven wordt. Zulk een Kaïn heeft een ontdekte zondaar niet te volgen. Weg er mee, neen, volg de moordenaar aan het kruis. De Heere onze God heeft inzake de verzoening van de zondaar evenzeer gezorgd voor zijn recht en eer als voor diens verlossing. Christus wordt in gelijke mate verheerlijkt als de genade over de zondaar rijk wordt. En wat denkt u, zo God hem al niet wilde behouden, zou Hij het dan niet doen om Zijn Zoon te verheerlijken? God neemt juist de zondaar aan, om de bij zichzelf rechtvaardigen te beschamen. En over die diepte van Gods onpeilbare erbarmen zullen wij ons in de toekomende eeuwen blijven verwonderen.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's