De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloof ik wel echt?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloof ik wel echt?

8 minuten leestijd

Ook wanneer wij een gezond geloofsleven hebben, zal toch van tijd tot tijd de vraag aan de orde komen: heb ik wel een echt geloof? Dat is verstaanbaar, want de belofte van het Evangelie geldt alleen de oprecht gelovigen. Zij hangt samen met de volharding van het geloof in de verzoekingen en die hebben weer een verband met de geestelijke hoedanigheid van het hart. De zekerheid van het geloof in de vergeving der zonden rust aan de ene kant op de vaste belofte van het Evangelie, maar sluit aan de andere kant toch de veronderstelling in, dat ons geloofde toetssteen kan doorstaan. Alleen de ware gelovigen geldt de zekerheid van de vergeving der zonden.


Wanneer er een opgewekt geestelijk leven aanwezig is, is er geen opzettelijk zelfonderzoek nodig om zich van de oprechtheid van zijn geloof te verzekeren.
Wanneer u toch eenmaal in het licht wandelt, behoeft u niet te vragen of u wel kunt zien. Eerst wanneer u uit een bewusteloosheid bijkomt, komt bij u de vraag aan de orde: leef ik of ben ik dood? Het is in die samenhang verklaarbaar, dat de Schrift de opwekking tot beproeving van het geloof over het algemeen wat terzijde stelt. Zo heel veel leest u er in de Heilige Schrift niet over. Vergeleken met de Schrift en de latere oude schrijvers valt het zwaargewicht tot zelfonderzoek juist op de laatste. Zij wekken ons onophoudelijk op het geloof te keuren, Gods Woord daarentegen wekt ons slechts bij uitzondering tot dit zelfonderzoek op.


Vanwaar is die soberheid van de Schrift te verklaren? Wie de Schrift bestudeert komt er spoedig achter. De Schrift neemt zelf het werk der onderzoeking op zich. Ze is als een klare spiegel. Ze tekent ons het beeld van de rechtvaardige en de goddeloze glashelder. De lezer van de Schrift herkent zich bij de lectuur geheel vanzelf in zijn toestand. In het Oude Testament vindt in de oproep tot zelfonderzoek alleen bij Zefanja, in het tweede hoofdstuk. Men moet zich daar onderzoeken om tot het besef te komen, dat men zich bekeren moet. In het Nieuwe Testament vinden wij evenzeer maar één enkele rechtstreekse opwekking in het dertiende hoofdstuk van de tweede brief aan de Corinthiërs. Intussen is het daar niet de bedoeling om de Corinthiërs tot kennis van hun geestelijke staat te brengen, maar tot erkenning van het apostelschap van Paulus. Goed lezen, dan wordt de zin duidelijk!
Hoe het ook is, één ding is helder – de plicht tot zelfonderzoek staat in nauwe samenhang met wat wij vleselijke gerustheid en geesteloosheid van hart noemen. Dat is in tijden van verval een onmisbare eis voor alle belijders. Beproef uzelf – een gehele reeks stichtelijke werken hebben daaraan hun ontstaan te danken. Met voorliefde zocht men naar allerlei merktekenen van genade. Dat was zeer verstaanbaar. De ouden verbonden geloof en zaligheid onafscheidelijk aanéén. Men erkende het geloof als vrucht van een onveranderlijke verkiezing. Het lag daarom voor de hand om de zekerheid der zaligheid achter zich te zoeken in zijn roeping. Om zich nu evenwel van zijn roeping te verzekeren, moest men nauwkeurig weten welke de merktekenen van haar goddelijkheid waren. Op die manier kreeg de leer van de merktekens een brede plaats in het leven van de gelovige. Een vloed van kenmerken kwam op. Er kwam geen einde aan.
Nu kan niet worden ontkend, dat de leer der kenmerken een pastorale bedoeling had. Er zat bij vóór de aanwijzing, dat er bij het diepst verval nog onuitwisbare sporen van het geestelijk leven overblijven, maar omgekeerd, dat alle afval zich uit gemis aan geestelijk leven verklaart. Maar hoe goed deze ontleedkundige proeven ook werkten, ze hadden ook ongetwijfeld een grote schaduwzijde. Weet u – velen gingen meer op hun geloof zien, om te onderzoeken of het wel echt was, dan op het voorwerp van het geloof. Zo kwam het ervan, dat hun geloof verzwakte en niet voldoende vrucht voortbracht. Hoe kon men in deze weg tot zekerheid komen? Een geloof, zwak in kracht en arm in vrucht, kan geen stof tot verzekering geven. Maar dit gevaar is het enige niet. Wanneer bijna allen gaan twijfelen aan de oprechtheid van hun geloof, schijnt het een teken van roekeloosheid en zelfoverschatting te wezen om het niet te doen. Dan begint zowaar de twijfel zelf onder de merktekens van het geloof mee te rekenen.


Op deze manier komt er een gehele massa van bekommerden, bij wie u tevergeefs de blijdschap zoekt, omdat die alleen uit de hoop geboren wordt. Een ogenblik is de verzekering daar, straks is er weer de moordende twijfel. Zo komt er een leven tussen hoop en vrees al de dagen van het leven. Het komt er per slot van rekening op uit, dat u de zekerheid vanuit uw geloof behouden te worden mist. U legt er zich bij neer ze te missen, omdat u ze als een toegift acht, die maar enkelingen te beurt valt. Velen troosten zich dan met de hoop, dat zij vóór het sterven nog wel door een bijzondere openbaring of werking des Geestes tot het volle licht zullen komen.
Dat gebeurt immers nog wel eens. In die weg was in de gereformeerde kringen van ons volk evengrote onzekerheid omtrent de persoonlijke zaligheid regel geworden als daarbuiten. U weet immers dat de rooms-katholieke kerk ontkent dat iemand voor zijn dood volstrekt zeker van zijn zaligheid kan zijn. In protestantse gemeenteleden sloop dit gif nu ook in. Alles werd één grijsgrauwe nevel.


Al meer zakt het klare geloof in de gemeente weg. Is er de moed niet om als slotsom van het onderzoek vast te stellen, dat men een oprecht gelovige is, de bekwaamheid om zichzelf behoorlijk te onderzoeken wordt evenzeer doorgaans gemist. In het donker kunt u een verloren voorwerp moeilijk terugvinden, hoe zult u dan bij duisternis in het hart de merktekens der genade ontdekken? Nu is dit evenwel zo merkwaardig, dat die merktekens juist veelal in de duisternis worden gezocht. Wandelt u in het volle licht, dan behoeft u ze niet te zoeken – u ziet ze vanzelf.


Bovendien om tot de goede slotsom te komen, gaan wij ons ook wel aan alle kentekenen tegelijk toetsen. Maar terwijl wij daarin nu de juiste handelwijze dienden te gebruiken, gaan wij hierin vaak mis. Er zijn zwakken en sterken, zuigelingen en vaders in Christus. En nu ziet u deze dwaling ontstaan, dat velen om toch zo getrouw mogelijk met zichzelf te zijn zich liever een sterkere dan een zwakkere maatstaf aanmeten. In plaats van zich met de kinderen te meten, meten zij zich met de reuzen. Natuurlijk valt dan de vergelijking in de meeste gevallen ongunstig voor hen uit. De vrucht van het zelfonderzoek neemt de twijfel niet weg, maar vermeerdert deze niet weinig.


Wat moeten wij nu van dit verschijnsel zeggen? Er zijn er velen, die, hun levenlang niet verder komen en menige kring is er, die juist zulk een zieletoestand houdt voor een teken van bijzondere ernst, voor iets begeerlijks en lofwaardigs, verre te verkiezen boven een geloven, dat het waagt op 's Heeren Woord. Toch is zulk een toestand een ziektetoestand, de Heere onterend en de ziel van alle blijdschap en kracht berovend. Hoe kan het dan zijn, dat in zulk een toestand iets goeds wordt gezien? Het is hier, als in zo menige andere zaak nodig juist te onderscheiden. Daar is een bekommering, die rechtmatig is. Het is de bekommering, waar de psalmist in de achtendertigste psalm van spreekt als hij zegt: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Dat is de toestand van de mens, wiens ogen zijn opengegaan voor de schuld en strafwaardigheid van zijn overtreden, die zichzelf als een zondaar leerde kennen en het eeuwig verderf aanschouwt als de toekomst die hem wacht. Deze bekommering kan nergens ontbreken, waar het geweten is ontwaakt.


Intussen deze bekommering is niet perma nenten blijvend, maar een doorgangstoestand, noodzakelijk, omdat ze uitdrijft tot een zoeken des Heeren, een roepen en worstelen om het heil deelachtig te worden. Niemand gaat uit het zondige, wereldse leven tot het leven der kinderen Gods over, zonder door deze bekommering te zijn heengegaan. Moge al de mate en de duur van deze bekommering verschillend zijn, zodat het niet aangaat van alle zielen dezelfde verslagenheid te eisen, toch komt men tot de hoogte der Godskennis slechts door de diepte der zelfkennis. Daar is bekommering, onrust, verslagenheid nodig, om als een arm zondaar een rijke Heiland te zoeken. Maar dit is iets geheel anders dan die bekommering, waarvan wij spraken als een ziekelijke toestand. Het verdient wellicht aanbeveling eens nader onze gedachten te laten gaan over de ziekelijke bekommering in onderscheiding van de rechte bekommering. Meer dan men denkt wordt daar in de gemeente mee getobd. Maar dat zullen wij ditmaal niet doen. Wij laten dit onderwerp overstaan tot een volgend maal. Ook geestelijke dingen hebben hun maat en tijd.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geloof ik wel echt?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's