De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Schuldbelijdenis
In de Kroniek van Kontekstueel (febr. 1989) maakt ds. T. Poot een aantal opmerkingen over de inhoud en de betekenis van de schuldbelijdenis naar aanleiding van de vrijlating van de 'twee van Breda', die vieren veertig jaar gevangen gezeten hebben, en de uitspraak van de synode van Almere over de breuk in de Gereformeerde Kerken in 1944. Poot weet uiteraard ook dat het hier om zeer verschillende zaken gaat, maar 'wat de zaken enigermate verbindt is hun oorsprong in de oorlogsjaren en de moeite die wij hebben om af te rekenen en klaar te komen met een brok verleden dat diepe sporen van leed getrokken heeft'. Men name de vraag: hoe ga je als kerk om met kerkelijke schuld houdt Poot bezig. Niet alleen met het oog op wat er in 1944 gebeurde is dat van belang, maar niet minder rondom het Samen-op-Weg-gesprek in ons land. Ook in dat kader is meermalen aangedrongen op gemeenschappelijke schuldbelijdenis. Maar hoe en in welke toon?'
Poot wijst in dat verband op Daniël 9.

'We moeten er echter opmerkzaam op zijn dat Daniël inzet bij de schuld van het heden en van daaruit de verbondenheid met de schuld van het verleden aanvaardt en belijdt. Het is karakteristiek voor een bepaald type prediking van de zonde om te beginnen in het verleden, bij onze val in Adam, en van dááruit min of meer concluderend te spreken over onze tegenwoordige verdorvenheid. In ongerechtigheid ben ik geboren en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen (Ps. 51). Dáárom ben ik zo onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar dat is niet de profetische orde. Bovendien blijft in zo'n prediking de concrete zondeaanwijzing en -ontdekking veelal zeer vaag. Men spreekt lang en luid over de zonde-in-het-algemeen, maar men weet er in ons leven-hier-en-nu geen drie op te noemen. Daniël en David beginnen schuld te belijden over de heel concrete en aanwijsbare zonde en ongerechtigheid van hun eigen en van Israëls bestaan. En als zij dan gewagen van de zonde der vaderen, dan is dat niet om te verkláren en zodoende heimelijk te verontschuldigen, maar om de ernst èn de diepte van ònze ongerechtigheden-nú te belijden. Zó alleen kunnen de kinderen de schuld der vaderen belijden, als onze schuld nú, als ons hardnekkig voortgaan in hun dwaalspoor.
Wij hebben God op 't hoogst misdaan.
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan;
Ja, wij en onze vaad'ren tevens!
(Ps. 106 : 4)
Naar mijn mening heeft die toon al te zeer ontbroken in de verklaring van Almere en is daarom het scherpe verwijt van krokodilletranen niet geheel ten onrechte. Maar zouden wij, hervormden en gereformeerden en nu ook luthersen en remonstranten, in het Samen-Op-Weg-proces bereid zijn tot zulk een schuldbelijdenis? Om uit te spreken: wij staan inzake de verdeeldheid der kerk vandaag schuldig tegenover de HEERE èn tegenover elkander en gaan daarmee in het schuldspoor van de vaderen. Of willen we het alleen hebben over 1618/19 en 1834 en 1886 en daarbij onze huidige posities handhaven?
Van vrijgemaakte zijde is op de synodale schuldbelijdenis gereageerd met het verwijt dat deze schuldbelijdenis niet gepaard gaat met wederkeer en daarom zonder waarde is. Ik laat de vrijgemaakte invulling van wat in dit opzicht 'wederkeer' mag heten, nu maar rusten. Maar juist is dat zonde belijden zonder de zonde te haten en te vlieden (Heid. Cat. zondag 33) slechts een halve en dus in het geheel geen bekering is. Oprecht schuldbelijden voor God en mensen heeft zijn waarmerk in het concreet bekennen van onze zonde-nú, zijn diepgang in het erkennen van onze onlosmakelijke verbondenheid met de zonde der vaderen en zijn uitgang in het breken met de weg die we tot dusver gingen om onze voeten te laten richten op de weg van de vrede! Wil Samen-Op-Weg dat? Wil het Contactorgaan Gereformeerde Gezindte dat? Of zijn we juist daarom zo onvruchtbaar omdat we dàt niet willen?'

We kunnen de vragen die Poot aan het slot stelt ook aan onszelf richten. Willen onze hervormd-gereformeerde gemeenten en kerkeraden dat? Schuldbelijden in die diepe zin waarin Poot dat aan de orde stelt en vandaar uit de ander tegemoet treden? Ik meen dat er reden is tot zelfonderzoek. In veel (terechte) verwijten aan het adres van de Gereformeerde Kerken over de koers die zij gaan, de vervreemding van het gereformeerd belijden, was en is voor mijn gevoel een toon van zelfgenoegzaamheid niet geheel en al afwezig. Vervreemding bij de ander constateren is een ding. De eerlijke bekentenis dat er ook een stuk vervreemding onder ons aanwezig is ten aanzien van het leven uit het reformatorisch erfgoed, ondanks alle spreken over trouw aan Schrift en belijdenis, is een ander ding. In het oecumenisch gesprek zullen we alleen dan een vruchtbare-gesprekspartner zijn, als we beginnen met onszelf onder de kritiek van het Woord te stellen en ons door dat Woord te laten gezeggen.

Voetius-herdenking
3 maart 1589, dus 400 jaar geleden, werd Gisbertus Voetius in Heusden geboren. Voor de theologische faculteit van Utrecht aanleiding om uitgebreid in te gaan op de betekenis van zijn persoon en werk voor kerk en theologie. In het blad Kerknieuws van 24 februari schonken de hoogleraren Graafland en Van 't Spijker aandacht aan deze theoloog van de gereformeerde orthodoxie. Graafland schrijft in zijn bijdrage naar aanleiding van de inwijdingsrede die Voetius hield in 1636 toen de Utrechtse IIlustre school tot academie werd verheven over Voetius' wetenschapsideaal. De rede was getiteld 'Sermoen van de nutticheyt der academiën en scholen' (naar aanleiding van Lucas 2 : 16).

'Als we deze rede van Voetiuslezen, komen wij onder de indruk van het hoge ideaal, dat hij stelt aan de wetenschap en de academie die deze wetenschap beoefent en voorstaat. Opmerkelijk is vooral de relatie tot het onderwijs van Christus. Daaruit blijkt het grote ideaal van Voetius, namelijk dat hij de wetenschap ten diepste dienstbaar wil stellen aan de komst van het koninkrijk van God. In concreto wenst hij met name, dat de theologische wetenschap haar vrucht zou afwerpen voor de kerk. De predikanten die afstudeerden, moesten op de academie zo zijn geoefend en toegerust, dat zij als nuttige instrumenten in de kerk optimaal zouden kunnen functioneren. Dat dit Voetius' grote ideaal was, bleek al eerder uit zijn in 1634 gehouden inaugurele rede, waarmee hij zijn hoogleraarschap aanvaardde. Het thema handelde over de noodzakelijke verbondenheid van wetenschap en vroomheid. (Oratio de pietate cum scientia conjungenda).
Wetenschapsbeoefening en een levend geloof, dat zich uit in een waarachtig christelijke levenswandel, vormden voor Voetius een twee-eenheid. Natuurlijk gold ook dit weer in de eerste plaats voor de theologische wetenschap en allen die deze beoefenden, hetzij in de school of in de gemeente. Maar niet minder gold de noodzaak hiervan voor alle andere takken van wetenschap en andere wetenschappers. Voetius gaat de hele rij langs en spreekt vanuit deze optiek allen aan op hun roeping om als christen wetenschap te beoefenen en zo Gode dienstbaar te zijn. Uit deze stellingname wordt duidelijk, dat Voetius oog had voor de praktische betekenis van de wetenschap. Enerzijds beheerste hij de theorie vrijwel volkomen en had hij ook een grote liefde voor de theorie. Dat komt onder andere naar voren in zijn grote kennis van de scholastiek en het overvloedig gebruik maken ervan.

Maar tegelijkertijd treft het ons, dat hij een uitgesproken voorliefde heeft voor het behandelen van praktische en actuele onderwerpen. Met name zijn disputaties leggen daar een indrukwekkend getuigenis van af.

Geen leersysteem
Daar zit de gedachte achter, dat de wetenschap, met name de theologische, gericht moet zijn op de praktijk, dat wil zeggen op hetgeen in de kerk en de wereld aan de hand is. Hier ligt ook de oorzaak, dat Voetius geen afgerond leersysteem heeft gegeven, zoals velen in zijn tijd wel gedaan hebben. Was hij daartoe niet in staat? Dit is veeleer te verklaren uit het gegeven, dat Voetius dit onnodig vond. Er waren al genoeg dogmatische boeken. Daaraan hoefde hij er niet nog één toe te voegen. Maar waar de school en de kerk wel om verlegen zaten, was de toepassing van de leer in het leven, wetenschap, verkondiging en pastoraat. Zo was de verbinding van wetenschap en vroomheid voor Voetius zijn levensprogram. In dit licht dienen wij dan ook Voetius' inzet voor de zogenoemde Nadere Reformatie te zien. Omdat Voetius voordat hij hoogleraar werd, negentien jaar predikant was, kende hij de kerk. Hij wist dat de leer wel goed was, goed gereformeerd. Daar had middellijkerwijs de Dordtse Synode voor gezorgd. Maar het gemeenteleven en het christelijke leven van de gelovigen beantwoorden daaraan zeer weinig. Er bestond een menigmaal diepe kloof tussen leer en leven.'

Terecht wijst Graafland er op dat dit gereformeerde denken over de wetenschap vanuit de notie van de zeggenschap van God over het hele leven botst met het moderne wetenschapsideaal en vreemd moet overkomen in een tijd van secularisatie. De ontwikkelingen zijn sinds Voetius een andere kant uit gegaan onder invloed van het rationalisme en de opkomende Verlichting. De theologische wetenschap, beoefend aan de Rijksuniversiteit, staat in dat opzicht voortdurend voor een uitdaging. In deze confrontatie is het goed de stem van Gisbertus Voetius te laten klinken. Een herdenking is immers meer dan het opsieren van een monument uit het verleden. Herdenken betekent ook luisteren, kritisch en aandachtig, om je door het verleden te laten verrijken en zo op het spoor te komen wat dit verleden – in dit geval Voetius en zijn theologie – ons nu nog te zeggen heeft.

De catechese van Kohlbrugge
In de bezinning op de catechese, het onderricht van de kerk, is een belangrijk aandachtspunt de bepaling van de doelstellingen. Mevr. drs. H. A. Schenderling-Smelt gaat in het blad Ecclesia van 24 februari na wat de Elberfeldse predikant Kohlbrugge bedoelde met zijn geloofsonderricht. In dat verband zegt ze onder meer:

'In de eerste plaats was zijn catechese erop gericht de kinderen tot geloof te brengen. Kohlbrugge zag het als zijn taak de kinderen tot zondekennis te brengen, opdat zij hun toevlucht zouden nemen tot Christus. In nauwe samenhang hiermee wilde Kohlbrugge zijn catechisanten bestand maken tegen toekomstige tijden van aanvechting en radeloosheid. De vraag rijst hoe hij deze veelomvattende doelstelling dacht te realiseren. Welnu, hij was zich ervan bewust dat het komen tot erkenning van zonden en het vinden van vergeving door het volbrachte werk van Christus, het werk van de Heilige Geest is. Hij was er echter ook stellig van overtuigd dat de Heilige Geest middellijk werkt. Het geloof is immers uit het gehoor! Veelbetekenend is in dit verband wat Kohlbrugge tijdens een catechisatie opmerkte naar aanleiding van Rom. 10 : 16, 17: "Het geloof komt voort uit de prediking. In het Grieks staat: uit het horen. Als ik predik vanaf de kansel en jullie houden je oren dicht, wat kan de prediking dan niet bewerken?" De meisjes antwoordden: "Het geloof", waarop Kohlbrugge vervolgde: "Als jullie in de Kinderlehre niet horen, kan ze ook niet werken. Ik heb de prediking uit te spreken en jullie hebben te…?" De kinderen vulden aan: "… te horen". Deze passage laat duidelijk zien dat Kohlbrugge het volgen van de catechese op één lijn stelde met het bezoeken van de kerkdienst. Het behandelen van de stof beschouwde hij derhalve als het verkondigen van Gods Woord. Door middel van deze "prediking" wilde hij de kinderen oproepen tot geloof en bekering. Regelmatig liet hij deze oproep expliciet klinken. Zo zei hij tijdens een catechisatie: Kinderen, als ik tegen jullie zeg, dat jullie je moeten bekeren, opdat jullie niet voor eeuwig verloren gaan (…), dan beginnen jullie te huilen alsof ik tegen jullie zeg: jullie moeten in de gevangenis gestopt worden. Ik kan jullie echter geen betere raad geven dan: bekeer je tot de Here, zeg tot Jezus: wij hebben van onze dominee gehoord dat wij ons moeten bekeren, anders zouden we niet gelukkig worden en niet bij U in de hemel komen. We begrijpen echter niet goed wat hij bedoelt. Leert U ons wat wij moeten doen." De gedachte dat onderricht in de christelijke leer geen zin zou hebben, zolang de kinderen nog onbekeerd waren, wees Kohlbrugge dus scherp af. De kinderen der gemeente zijn immers kinderen van het verbond, en als teken daarvan zijn ze gedoopt. Op grond van het feit dat zij leden der gemeente zijn, behoren zij onderwezen te worden in de christelijke leer, opdat zij hun doop leren verstaan en het geloof deelachtig worden.'

Voorts beoogde Kohlbrugge met zijn catechese de kinderen ook de weg te wijzen in het praktische leven. Mevr. Schenderling is van mening dat Kohlbrugge door zijn accent op het verbond, op grond waarvan het kind geloofsonderricht ontvangt nauw aangesloten heeft bij de inzichten van de Reformatoren. Niet voor niets neemt de Heidelbergse Catechismus in zijn geloofsonderricht een belangrijke plaats in. Gaf hij niet herhaaldelijk uiting aan zijn liefde voor de 'eenvoudige Heidelberger'?

A. N.,Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's