'Geen steen verzegelt meer'
'Gij alleen'
Toen de dichter Muus Jacobse in de oorlogsjaren de pen greep om uiting te geven aan zijn hoop en vrees, verontwaardiging en wanhoop, zijn afkeer van het regime van de bezetter, schreef hij tientallen verzetsgedichten. Eén daarvan is 'Het teken van het beest'. De titel verwijst overduidelijk naar het laatste bijbelboek. De handelwijze van Hitler, die honderdduizenden de dood injoeg – op het slagveld, in de gaskamers – en wiens rijk was 'gegrondvest op de mythe van het bloed', inspireerde de dichter tot deze regels:
Het was de duivel zelf die het hem leerde,
hoe hij van val tot val nog triomfeerde:
wie overwint het teken van het Beest?
Wie overwint? In die benauwde jaren gaf de dichter het enige antwoord dat de bijbel hem aanreikt. Het antwoord van het kruis op Golgotha:
Heer, Gij alleen, die aan het kruis geheven
Uw eeuwig rijk stichtte van vrede en leven
en onze bodem met Uw bloed geneest!
Zo eindigt een verzetsgedicht – geschreven in een tijd, waarin de duivelse machten vrij spel leken te hebben. De machten van zonde, duivel en dood kunnen alleen overwonnen worden – zijn overwonnen! – door Jezus Christus aan het kruis.
Een dienend dichter
Muus Jacobse is het pseudoniem van prof. dr. K H. Heeroma (1909-1972). Hij was zowel dichter als geleerde. Als wetenschapper heeft hij naam gemaakt op het terrein van de dialecten (hij was een groot kenner van het Nedersaksisch en doceerde dat vak aan de Universiteit van Groningen) en de filologie (met name het Middelnederlands). De dichter heeft de geleerde nogal eens parten gespeeld. Wie wetenschap bedrijft, dient zoveel mogelijk objectieve feiten te verzamelen om deze vervolgens te interpreteren. Heeroma echter ging vele malen af op zijn dichterlijke intuïtie en gevoel en gebruikte deze als argumenten. Dit leidde meermalen tot subjectieve, oncontroleerbare uitspraken.
Muus Jacobse wilde vooral een dienend dichter zijn. Hij wenste aan te sluiten bij het eerste réveil – Da Costa, Groen van Prinsterer – en het tweede: Abraham Kuyper en De Savornin Lohman. Nogal pretentieus stelde hij in 1934 een bloemlezing samen van jonge protestantse dichters onder de titel Het derde réveil. Tussen de twee wereldoorlogen was hij o.m. redacteur van Opwaartsche wegen en De werkplaats, beide prot. chr. letterkundige tijdschriften. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf hij via een eigen pers illegale publicaties uit. Het hiervoor genoemde gedicht 'Het teken van het beest' is te vinden in de bundel Vuur en wind, een bundel oorlogspoëzie, die na de oorlog is bekroond. Tijdens de oorlog wilde hij zijn land dienen door een weg te wijzen, zoals hij die verwoordde in 'Het teken van het beest'. Ook na de oorlog koos hij voor een dienend dichterschap. Hij vermeed te grote diepzinnigheid. Traditionele woorden en begrippen handhaafde hij, maar hij wilde ze wel opnieuw bezielen. Als dienend dichter wilde hij ook, in het voetspoor van Martinus Nijhoff, meewerken aan de nieuwe psalmberijming. Ook wie meent theologisch niet geheel met hem op dezelfde lijn te zitten, zal respect moeten kunnen opbrengen voor zijn keuze voor een dienend dichterschap.
'De duisternissen vloden'
Een voorbeeld van een goed verstaanbaar gedicht is 'Kwatrijnen op de Paasdag' uit zijn bundel Het huisgezin. In vier kwatrijnen – strofen van vier regels – beschrijft het gedicht de opstanding van Jezus Christus, gevolgd door de ervaringen en ontmoetingen van de vrouwen bij het graf, de Emmaüsgangers en de discipelen. Het geeft uiting aan wat Pasen ten diepste betekent: de duisternis is gevloden, het graf is leeg.
Kwatrijnen op de Paasdag
De morgenschemer werd een bliksemslag.
Licht wentelde de steen weg waar Hij lag.
De duisternissen vloden in beschaming.
Het graf was leeg. Het was de eerste dag.
Vrouwen die rouwende het haar ontbonden,
De steen bewenend die zijn voeten wondde,
Herkenden met een sidderende kus
De nieuwe aarde waar zijn voeten stonden.
Mannen die wandelden van stad naar vlek
Vonden een Derde in hun tweegesprek,
Maar toen zij wilden dat Hij in zou keren,
Ontweek Hij zegenend hun gastvertrek.
Door dichte deuren is Hij ingekomen.
Hij heeft de schrik der ogen weggenomen
En etende van honingraat en vis
Werd Hij tot geur van luchten, glans van stromen.
De steen is weggewenteld
Goed verstaanbaar is ook 'Paaslied' uit de bundel A Dieu', die Ad den Besten na de dood van Muus Jacobse samenstelde. Het gedicht is geschreven naar aanleiding van het verhaal van de overspelige vrouw, die de Farizeeën bij Jezus brachten (Joh. 8). Het heeft als gedicht meer niveau dan het zojuist geciteerde en dat komt onder meer omdat de dichter op fraaie wijze driemaal het woord 'steen' gebruikt in verschillende betekenissen.
In de eerste strofe duidt 'steen' de wet van Mozes aan: de wet stelt schuldig. De dichter veroorlooft zich hier een dichterlijke vrijheid: in Exodus 34 lezen we dat God Zelf de Tien Geboden of de tien woorden opschreef en niet Mozes; wèl schreef Mozes de overige woorden van God op (zie vs. 27 en 28). De wet verwijst naar het recht van God: met de wet in de hand moet Hij ons veroordelen. Onze schuld staat vast.
In de tweede strofe is de 'steen' het wapen waarmee het gericht wordt uitgeoefend. Steniging is de voltrekking van de doodstraf. De steniging blijft hier uit, want Jezus had gezegd: 'Wie van u zonder zonden is, werpe het eerst de steen op haar.' Daarmee zette Hij de Farizeeën klem en liet Hij hen beschaamd afdruipen. Over dit bijbelverhaal heeft ook de dichter Gerrit Achterberg een indrukwekkend gedicht geschreven, dat zelfs de titel opleverde voor zijn bekende bundel met christelijke gedichten En Jezus schreef in het zand.
In de derde strofe gaat het over de betekenis van Pasen: de 'steen' is nu de grafsteen. Die steen is weggenomen, het graf is niet meer verzegeld, de aarde kan nu spreken en getuigen van het 'woord' dat 'haar' het leven geeft. Knap is dat 'haar' tegelijkertijd ook verwijst naar de overspelige vrouw uit de vorige strofe. Ook dit is een aspect dat het gedicht meer diepte geeft.
Paaslied
bij Johannes 8 : 2-11
Zij brachten haar tot Jezus heen,
De vrouw, de overspelige,
Om naar de wet te stenigen
Die Mozes schreef in harde steen.
Maar Jezus bukte zich ter aard
En schreef daar nieuwe woorden neer
En sprak: 'Ga heen, zondig niet meer'.
En geen hief meer de steen naar haar.
Weer roept de aarde in het rond
Wat Hij in haar geschreven heeft,
Het woord dat haar het leven geeft:
Geen steen verzegelt meer haar mond.
De steen van het graf is weggewenteld. Wie leeft uit Christus' kruis en opstanding, is verlost van de steen de wet. Zonder Christus hangt die steen als een molensteen om de hals. De wet, die wij nooit kunnen houden, stelt ons schuldig. Wie met Christus verbonden is, mag echter weten wat het Avondmaalsformulier zo prachtig verwoordt: Hij is 'onschuldig' ter dood veroordeeld, 'opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden.'
J. de Gier, Ede
[Tekst foto's: De Dom te Fulda, waar Bonifatius, de eerste getuige van de opstanding in deze landen, bedraven ligt èn het graf van Bonifatius.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's