Een paaspreek van Luther
Zondag 27 maart 1524, een eerste Paasdag, preekte Luther in de Stadskerk te Wittenberg zowel 's middags als 's morgens over het paasgebeuren, Christus' opstanding uit de doden. Beide preken zijn bewaard gebleven, omdat één van zijn leerlingen ze opschreef, en – gelukkig – het manuscript niet verloren ging. Een eigenlijke tekst had Luther voor deze preken niet, maar hij sloot zich geheel aan bij wat Lukas in zijn evangeliebeschrijving over het heilsfeit van Pasen ons meedeelt.
Voor dit artikel hebben wij de middagpreek gekozen. Haar inhoud willen wij hier verkort weergegeven, voorzien van enkele citaten, opdat wij de stem van Luther zelf zullen horen. Daarna willen wij door enkele opmerkingen onzerzijds het een en ander onderstrepen.
Ge hebt vanmorgen gehoord, zo begint Luther zijn hoorders toe te spreken, wat Christus' opstanding is, wat voor nut zij ons brengt en hoe men erover preken moet. Het voornaamste in dit alles is dat ge weet hoe zij in ons werkzaam is. Alles wat God in Zijn Woord heeft laten optekenen, heeft tot doel 'dat het heenwijst op deze Man, Christus, Zijn lijden en Zijn opstaan', en 'vooral op de kracht van Zijn opstanding, opdat de mensen erover praten en ervan zingen zullen'.
Laten wij eens nagaan, zegt Luther, hoe de Joden de steen hebben verzegeld, hoe de engel des Heeren, nog vóór de vrouwen kwamen, de steen wegwentelde, en hoe de vrouwen welriekende specerijen naar het graf brachten.
De steen
Er lag een steen voor het graf… Luther heeft daarin iets zinnebeeldigs gezien. Eens had God aan het volk Israël de Wet ofwel de Schrift gegeven, maar wat hebben de Joden ermee gedaan? Zoals zij een steen legden op het graf, zo hebben zij met de eigenlijke en ware zin van de Schrift gedaan, dat wil zeggen met Christus. Zij hebben de Wet als een steen ervoor gelegd, en die Wet bovendien verzwaard en verzegeld met hun eigen inzettingen. De Wet van Mozes is op zichzelf al zwaar, maar als dan nog menseninzettingen erbij komen, dan zit Christus geheel opgesloten.
Zoals nu de Joden gedaan hebben, zo hebben ook wij gedaan. Velen roemen wel in het Evangelie, maar kruisigen Christus en leggen Hem in het graf en verzegelen het graf. Hoe zo? Omdat door hen Christus gepreekt wordt alleen maar als een machtige Heer en Rechter. Het Woord Gods is daarmee van haar eigenlijke zin beroofd. Hij zal heel ànders gepreekt moeten worden, namelijk als een Heiland die ons de zaligheid geeft. Waar dat niet gebeurt, daar wordt Hij opnieuw gekruisigd. In de steen, zegt Luther, zie ik een beeld van een Christusprediking, waarin men zegt dat wij door werken der Wet tot Hem kunnen komen, en waarin men niet hoort dat wij door het geloof tot Hem komen. 'De wachters zijn de monniken, die erop uit zijn, dat men dit (geloof) niet preken zal.' Een prediking waarin het gaat over de kracht en vrucht van Christus' opstanding uit de doden duldt de duivel niet. 'Dat Christus' opstanding in mijn hart regeert, en dat ik daardoor en niet door mijn werken zalig word, dat kan de duivel niet verdragen.' O zeker, de paus en de goddelozen geloven dat Christus eens opgestaan is, dat geloofsartikel beamen ze volmondig; maar van hen geldt wat Paulus zegt (2 Tim. 3 : 5), dat zij wel een gedaante van vroomheid hebben, maar de kracht daarvan verloochenen. Zij zien op hun eigen kracht inplaats van op de kracht van Christus. Met wóórden wordt aan Christus' opstanding vastgehouden, maar met de dáád wordt zij geloochend. 'Wanneer Zijn opstanding in mij zwakker is dan zij in Hem was, dan baat zij mij niets.' De kracht ervan ervaar ik niet door wèrken, maar door het gelóóf.
De engel
De engel des Heeren heeft de wachters verdreven en de steen van het graf weggenomen. 'Een engel kan een steen even gemakkelijk wegschuiven als ik een ganzeveer.' De engel kwam uit de hemel, droeg een wit kleed en zijn aangezicht blonk; hij kwam van boven, niet van beneden. Die engel is een beeld geweest van de apostelen en van allen die tot op heden toe op de rechte wijze over Christus' opstanding hebben gepreekt. En wat zei hij? Vreest niet, ik weet dat gij Jezus zoekt, de Gekruisigde, Hij is hier niet, want Hij is opgestaan! Kijk, dat is het Evangelie! Het Evangelie zegt: Vreest niet, uw Heiland leeft! 'Uit de hemel is de engel gekomen; wij zullen nooit rechte evangeliepredikers hebben dan alleen wanneer zij uit de hemel gegeven worden.' 'Een prediker moet er zeker en gewis van zijn, dat God door zijn mond spreekt; is dat niet zo, laat hij dan zijn mond houden.' Hij moet er zó zeker van zijn dat hij Gods Woord predikt als stond God Zelf op de kansel. Dan komt hij waarlijk uit de hemel. En wat dóet hij? Hij jaagt de wachters schrik aan en wentelt de steen van het graf.
De wet
De engel zette zich op de steen… Wij zitten niet meer ònder de Wet, maar door het geloof in Christus zijn wij vrij. Ik preek en werk niet onder dwang maar vrij. Alle anderen die zo niet doen, zijn verdoemd. Zij zitten met Christus in het graf. De engel maakt ons vrij. Het christelijke geweten is vrij van de zonde. De engel droeg een wit kleed, dat betekent: het Evangelie is een blijde boodschap. Wie een ware engel is verkondigt louter en alleen de Schrift. De leer der apostelen is boordevol troost en schittert als het zonlicht, want Christus is daarin. Zie, zo betoont Christus de kracht van Zijn opstanding.
De wachters
Dat de wachters schrokken, dat is goed. Toen de apostelen dit Licht begonnen uit te dragen in de wereld, schrokken de Joden. En precies zo zien wij heden de tyrannen schrikken vanwege onze prediking. Wordt door ons het volk de christelijke vrijheid gespreekt, dan worden zij bang, dan weten zij niet wat zij doen zullen, want het Licht is zo fel. Zij vallen ter aarde. Toen de apostelen begonnen te preken, lagen zij als dode honden ter aarde. En zo is het heden ook. Waar het Evangelie gepreekt wordt, daar zie je ze vallen. Ook hierin bespeurt men de kracht van Christus' opstanding.
De vrouwen
De vrouwen kwamen… Zij zijn een beeld van de goede gewetens, die nochtans in de dwaling bevangen zitten. Zulken waren er velen in die tijd. Zij hadden veel te lijden onder de 'steen' en het 'zegel' van de farizeeën. Zij kwamen om de dode Jezus nog eens te zien. Maar hun begeerte was dat Hij nog leefde, want zij hadden Hem lief. Zo was het ook met ons toen wij nog onder pausdom leefden. Deze zielen zijn in het bezit van specerijen, dat wil zeggen: een goed leven. Maar valse predikers verhinderen hen om te komen tot de kennis van God. Onder het pausdom hebben er velen geleefd, die wel beseften dat alwat de paus hun gebood niets hielp. Men bad wel, maar er zat geen kracht in. Het werd hun niet gezegd, waartoe Christus gestorven is. De gewetens zaten zo verstrikt in de dwaalleer dat ze zeiden: Wie zal voor ons de steen wegnemen? Wie bevrijdt ons van ons kwaad geweten? Zou ik niet al mijn specerijen voor niets hebben meegebracht? En zie, daar komt dan de engel, en rolt de steen weg. Ja, nu moeten zij wel belijden dat het niet hun verdienste was, maar dat hun genade bewezen werd. Nu het Evangelie ons geopenbaard is, moeten wij al het onze wegwerpen! Christus is niet meer hier, zei de engel. Hij is opgestaan. Hij leeft. 'Leeft Christus niet in u, dan kan niets u helpen – dat is waarachtig de waarheid; maar als u gelooft, dan hebt u werkelijk àlles.' Ik weet het: de menselijke natuur kan dat niet geloven. Is het niet een groot wonder, dat ik, arme zondaar geloven moet, dat God op njij in genade neerziet en dat ik geheel vrij ben?
Preken
Geen wonder dat ook de vrouwen nog vreesden. Zij hebben het wel aan anderen verteld zij zagen, maar geloofden het zelf eerst nog niet. Daarom heeft Christus zich steeds weer laten zien. Dat betekent: Men moet het steeds weer preken, het er inhameren. Met één enkele preek kan een ziel geheel verstrikt raken, zodat men er wel 10 jaar voor nodig heeft om haar te bevrijden. Vandaar dat overal in de Schrift ons Christus voor ogen wordt gesteld. Komt de engel uit de hemel, dan wordt het 'zegel' verbroken en de 'steen' wordt weggerold. De paus en Christus kunnen niet samen tegelijk heer en meester zijn. Het dek is te kort en het bed is te smal. Hij alleen kan onze Bruidgom zijn; ligt een ander bij u, dan is het een hoereerder. Het is van tweeën één, of die hoereerder (de paus) moet wijken, of Christus kan niet in waarheid bij u wonen.
Ziehier de preek. Voor sommige lezers misschien een wat vreemde preek. Wij zijn aan de beelden of allegorieën waarvan Luther gebruik heeft gemaakt niet gewend. De bestrijding van het pausdom is ver van ons afkomen te staan. Maar laten wij niet vergeten dat zij toen – het was 1524 – aktueel en zinvol was. Het publiek in de Stadskerk te Wittenberg was 'onder het pausdom' opgegroeid. Wat dat kerkelijk maar ook gééstelijk voor hen betekende, moet men niet onderschatten. Luther stond met zijn prediking midden in een machtige tweestrijd: tussen de leer van Rome en het Evangelie dat hij had mogen ontdekken. Hij zag daarin de strijd tussen God en de duivel, Christus en de antichrist, het Evangelie en een totaal verwettelijkte heilsleer.
Evangelie
Waar het ons bij het lezen van deze preek om gaan moet, is het horen van het Evangelie. En dat zit er volop in. Wie goed hoort ervaart zelfs nu nog, na meer dan vier eeuwen, de bevrijdende kracht van deze prediking. Eeuwenlang was een mens op zichzelf terug geworpen. Op zijn werken, zijn prestaties, ook ascetische prestaties en zijn mystieke oefeningen. De Wet schermde de toegang tot Christus af. Zij was bovendien verzwaard, 'verzegeld', zegt Luther, door ontelbare inzettingen van mensen. O zeker, er werd wel over Christus gesproken. Maar hóe? Hij werd gezien als Wetgever, Rechter. Men beleed Zijn naam in het opdreunen van het Apostolicum, maar daar ging geen kracht van uit. Men sprak over Zijn Kruis en Zijn Opstanding, maar wat achterwege bleef was de vertroostende prediking van het waarom van dit Kruis en het waartoe, met andere woorden de prediking der verzoening. Ondanks alle mooie en christelijke woorden bleef Christus in Zijn graf Zijn kracht voor en in ons werd niet ervaren. Het gebrek zat in de prédiking. De opgestane en levende Christus kwam niet meer door Zijn Woord tot de verslagen harten, de benauwde gewetens. De 'steen' bleef liggen en was zo zwaar. Christus bleef en zo ook de christenen.
Treffend is wat Luther zegt over die ene preek, die een geweten zozeer verstrikken kan dat er wel tien jaren voor nodig zijn om dat arme geweten te bevrijden. Hoe verwoestend is een wettische prediking! Het geldt voor vandaag niet minder dan voor de tijd van Luther.
Geloof
Luther was, ook op Pasen, een prediker des gelóófs. Hij wist: de 'menselijke natuur' wil er niet aan. Van nature beminnen wij graf en dood, de slavernij van de wet, Duizenden, in Luthers dagen en nòg voelen zich wèl bij een uitzichtsloze wetsprediking, ook al draagt zij de naam van 'evangelie'. Ook de gelovigen, gelijk de vrouwen, hebben het er moeilijk mee. Met één preek van de engel waren zij nog niet gered. Christus is méér dan eens verschenen. Onze afhankelijkheid van de prediking van het Evangelie is een blijvende.
Luther spreekt ook over bevrijding en vreugde. Vreest niet, uw Heiland leeft! Alles valt weg, als dat wordt gehoord. Luther spreekt van een Licht dat dan opgaat, een Licht dat dat van de zon overtreft.
Bruidegom
Aan het einde van de preek spreekt Luther over Christus als de Bruidegom van de ziel. Hij heeft dat niet zo vaak gedaan. Veel vaker komen wij bij hem tegen dat hij Christus aanduidt als een Man, als eeni Held, als een Heiland, als een genadige; Heere. Maar hier dus: de Bruidegom! Waarom? Om Christus te stellen tegenover de paus, die hoereerder. Gebruikt Luther het woord 'paus', dan moet men denken, niet zozeer aan een bepaalde persoon, als wel aan een (leer-)systeem, een geestelijke tyrannie, een verminking van het Evangelie door een verwettelijkte prediking. Met die hoereerder zal een christelijke ziel het bed niet mogen delen. Dan liggen wij 'naakt' voor God, want het dek is te kort en het bed is te smal. Christus wil Zijn eer aan niemand anders geven. Hij alleen is de Bruidegom ter ziel.
Het is Luther in zijn Paasprediking er niet zozeer om gegaan al de gebeurtenissen uitvoerig te beschrijven, al heeft hij ook daar wel, in andere preken, het een en ander aan gedaan, maar het ging hem er vooral om de kracht van Christus' opstanding te verkondigen. Hij deed dat, uiteraard, voor mensen van zijn tijd, vandaar zijn polemische uitweidingen. Maar de boodschap die hij heeft gebracht, is onvergankelijk. Klaar, helder en bevrijdend.
K. Exalto
[Tekst foto: Orgel in de Dom te Worms.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's