Boekbespreking
Johannes Arndt, Het derde boek van het Ware Christendom over de innerlijke mens, vertaald en toegelicht door ds. J. Happee, Kok, Kampen, 1988, 144 blz., ƒ 35,–.
Eens was Johann Arndt onder ons een goede bekende. In de 17e eeuw werd zijn boek over het Ware Christendom uit het Duits in het Nederlands vertaald; herdrukken volgden tot in de 19e eeuw toe. Dat Arndt een Lutheraan was bleek voor het op stichtelijke boeken gestelde gereformeerde lezerspubliek geen bezwaar op te leveren. Zijn piëtistische instelling was voor dat publiek reden genoeg om hem te zetten naast zijn Engelse en Nederlandse geestverwanten.
Het Ware Christendom is een beroemd boek geworden. Het heeft in Duitsland zelf maar ook ver daarbuiten zijn duizenden verslagen. De vertaler van het fragment dat nu in nieuwe vertaling voor ons ligt, ds. J. Happee, luthers predikant te Amsterdam, somt een tiental talen op waarin het boek ooit verschenen is.
In de 20e eeuw, zegt Happee, verdween het boek uit het gezichtsveld. Toch niet helemaal, meen ik, want in mijn kast staat een Duitse uitgave uit 1919.
Ik sprak van een moderne vertaling; dat gaat zo ver dat door Happee Arndt in de je- en jouwvorm is gaan spreken, en God aanduidt in de weinig piëtistische vorm van Heer. Hiermee is Arndt toch wel wat losgemaakt van zijn wortel. Arndts Ware Christendom is een lijvig boek. Happee heeft daar het 'derde' uitgelicht, opnieuw vertaald en van een fiks aantal toelichtingen voorzien. Hij heeft bovendien heel wat afbeeldingen uit oudere edities overgenomen, wat het aanzien van het boek verhoogt.
Wat Happee met deze vertaling beoogd heeft is niet, zoals hijzelf zegt, de terugkeer naar een ouderwets geloof (18), ook niet het bevorderen van een zeker individualisme (18). Het lijkt mij toe dat vooral de 'innerlijkheid', de mystieke trek in Arndt Happee heeft aangesproken.
Die 'innerlijkheid' is er inderdaad in dit boek. Zozeer zelfs dat de vraag kan worden gesteld of zij niet de bijbelse grenzen overschrijdt. Steeds zegt Arndt dat wij het in onszelf moeten zoeken. De schat en de parel van grote waarde waarover Christus eens sprak in zijn gelijkenissen zouden te vinden zijn in eigen hart. Maar was dat werkelijk Christus' bedoeling? Spreekt Arndt over de tekst Jesaja 53 : 7 Als een lam werd Hij ter slachting geleid, enz., dan valt er zo goed als geen woord over wat Christus gedaan heeft voor ons, maar gaat het hele betoog erover dat wij even geduldig en even zachtmoedig moeten zijn als Hij was. Is dat werkelijk dé zin van deze tekst?
Arndt steunde op de middeleeuwse mystieken, vooral Tauler (1300-1361) en nam zelfs grote gedeelten uit Taulers preken in zijn Waar Christendom op. Nu, dat is merkbaar. Luther is door Arndt niet vergeten, maar staat toch wel ver van hem af.
Happee ziet in Arndt een oecumenisch figuur. In geloofsbeleving zouden Protestanten en Rooms-Katholieken niet zo ver van elkaar afstaan, getuige het boek van Arndt! (132)
Om Luther in dit geheel toch ook nog een plaats te geven heeft Happee hem, naar mijn gevoelens, in de mystiek getrokken. Geloof zou bij Luther 'een opengaan voor God' hebben betekend (28), de 'deemoed' zou bij Luther een kernbegrip zijn gebleven (44). Happee gaat er aan voorbij dat bij Luther het 'zich vernederen' geworden is een 'vernederd worden' nl. onder Gods wet, en dat het geloof bij hem het vertrouwen is op God die goddelozen in het evangelie vrijspreekt. Dat is heel andere taal
Liever val ik Happee bij als hij een en andermaal spreekt over het 'verschil' (21) en de 'afstand' (137) die er tussen Luther en Arndt geweest is.
Arndt is goed te lezen, ook nu nog, maar alleen dan wanneer men eerst zijn grote voorganger, Luther, en andere reformatoren gelezen heeft. Wie direct aan Arndt begint kan uit zijn evenwicht raken.
K. Exalto
Dr. G. Manenschijn, Geplunderde aarde getergde hemel, Ontwerp voor een christelijke milieu ethiek, Ten Have, Baarn, 1988, 206 blz., ƒ 25,–.
Dit boek van de hand van dr. G. Manenschijn, hoogleraar in de ethiek aan de Theologische Universiteit te Kampen, handelt over een onderwerp waarvoor op dit moment mede in verband met het Conciliair Proces, brede kerkelijke belangstelling bestaat. Deze belangstelling vloeit voort uit een morele verontwaardiging over de huidige milieuverwoesting die, zo blijkt uit het inleidende hoofdstuk, tevens de bron vormde voor de totstandkoming van dit boek. Volgens Manenschijn schiet de gangbare ethiek in haar aandacht voor het milieu te kort, omdat zij te antroposofisch van aard is; het milieu wordt te veel benaderd vanuit het gezichtspunt van het menselijk belang. Pogingen uit het verleden om de ethische theorie op dit punt bij te stellen zijn hierin, naar zijn mening, niet ten volle geslaagd.
Een goede ethiek dient volgens Manenschijn uit te gaan van een evolutionair, ecologisch natuurbegrip. De term 'ecologie' duit op de onderlinge afhankelijkheid van mens, dier en milieu. Het centrale thema in zijn onderwerp bestaat in het aanbrengen van coherentie en consistentie tussen een dergelijke milieu ethiek enerzijds en de christelijke opvattingen betreffende God, mens en natuur anderzijds.
De oplossing van dit probleem spitst zich toe op de vraag hoe de relatie tussen scheppingsgeloof en evolutie theorie moet worden gezien. Manenschijn acht deze met elkaar verenigingbaar door uit te gaan van de idee van de wordende God, zoals deze bijvoorbeeld is terug te vinden in de proces-theologie. Het grote bezwaar tegen de hier gekozen benadering is, dat niet het christelijke geloof, maar een ecologische evolutionaire milieu ethiek als uitgangspunt wordt genomen. Het christelijke karakter van zijn ethiek geeft hij vervolgens inhoud door uit de christelijke godsdienst argumenten te ontlenen ten gunste van een dergelijke ethiek. Om daarvoor geschikt te zijn dienen bestaande christelijke opvattingen omtrent God, mens en natuur te worden aangepast en bijgesteld.
In zijn opvatting, die in deze sterke gelijkenis vertoont met Kuiterts visie op de christelijke ethiek, is voor een goede milieu ethiek het christelijk geloof dan ook niet noodzakelijk. Op deze wijze krijgt het adjectief 'christelijk' van zijn milieu ethiek wel een zeer bescheiden inhoud.
Ook op andere punten kunnen zij zijn mening niet delen, zoals bijvoorbeeld zijn kritiek op de scheppingsordeningen en de rol die hij toeschrijft aan wat hij noemt een religie van 'een hemel zonder aarde als zoethoudertje voor aardsgemis' als zijnde de voedingsbodem voor de cultuur van het narcisme.
Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn dat we tegen dit boek van Manenschijn grote bezwaren hebben. Toch is het wel goed dit boek te lezen met de gave van onderscheid. Hij stelt wel zaken aan de orde die onze aandacht verdienen, maar waarvoor de oplossing die Manenschijn aandraagt geen bijbelse ondergrond heeft. De behoefte doet zich gevoelen dat juist theologen, die ervan overtuigd zijn dat de evolutiegedachte onverenigbaar is met het belijden van het geloof in Gods Woord, ook in Genesis 1 en 2 over de schepping, zich verdiepen in een onderwerp als dit waarover Manenschijn zich gebogen heeft.
De Heilige Geest, Die aan geen tijd is gebonden, zal daarvoor ook zeker hart en verstand willen en kunnen verlichten.
C. v. d. B., N. a. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's