De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tweeërlei bekommering (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tweeërlei bekommering (I)

6 minuten leestijd

Wij eindigden een vorig artikel met de opmerking dat er meer dan één soort bekommering bestaat. Wij bedoelden daarmee eerst een bekommering als een doorgangstoestand, die noodzakelijk is, omdat ze uitdrijft tot een zoeken des Heeren, een roepen en worstelen om het heil deelachtig te worden. Niemand gaat uit het zondige, wereldse leven tot het leven der kinderen Gods over, zonder door deze bekommering te zijn heengegaan. Men komt tot de hoogte der Godskennis alleen door de diepte der zelfkennis. Daar is onrust, verlegenheid nodig, om als een arm zondaar een rijke Heiland te zoeken.
Intussen is er ook sprake van bekommering als een ziekelijke toestand. Wat wordt daarmee bedoeld? Wel, er zijn gemeenteleden, die hun leven lang niet verder komen dan de vraag: Dat Jezus een barmhartige Heiland is, is dat ook wel voor mij? Kan ik mij dat wel persoonlijk toeëigenen? Menige kring is er, die juist zulk een zielstoestand houdt voor een teken van bijzondere ernst, voor iets begeerlijks en lofwaardigs, bóven een geloven, dat het waagt op des Heeren Woord alleen. Toch is zulk een toestand een ziektetoestand, onterend voor de Heere en de ziel van alle blijdschap berovend en alle kracht ontnemend. Hoe kan het dan zijn, dat in zulk een toestand iets goeds wordt gezien?


Op dit punt is hier, evenals in zo menige andere zaak, nodig op de juiste manier te onderscheiden. Daar is een bekommering, die 'rechtmatig' is. Het is de bekommering, waar de dichter van de achtendertigste psalm van spreekt, als hij zegt: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden. Dat is de toestand van de mens, van wie de ogen zijn opengegaan voor de schuld en strafwaardigheid van zijn overtreden, die zichzelf als een zondaar leerde kennen. Hij ziet het eeuwig verderf als de toekomst, die hem wacht. Deze bekommering kan nergens ontbreken, waar het geweten is ontwaakt, maar dat is iets geheel anders, dan die bekommering waarvan wij spreken als een ziekelijke toestand. Terwijl de rechtmatige bekommering juist uitdrijft tot de Heiland, houdt die valse bekommering van Hem terug. Terwijl de rechtmatige bekommering een doorgangstoestand is, is de andere een slepende ziekte van de ziel, die de Heere wantrouwt en Zijn beloften niet aanneemt. De eerste is een bekommering over zichzelf; de tweede is een bekommerd zijn of de Heere wel genadig wil zijn. De lijders aan deze ziekte stellen achter elk van de heerlijke toezeggingen van God in gedachte een vraagteken. Zeker, zij zeggen niet: de Heere zal Zijn beloften niet houden, maar zij vragen immerdoor: is die belofte nu wel voor mij? Zo blijven zij geslingerd en bewogen als de golven van de zee. Zo komt het niet tot een vreugdevol aangrijpen van de toezeggingen van God en daarom ook niet tot een wandelen in de wegen des Heeren door de drijfkracht van de dankbare liefde.
Waaruit komt zulk een toestand voort? Twee oorzaken zijn hier te noemen. Deze ziekelijke bekommering spruit voort uit onkunde, of uit zondelust. Onkunde aangaande de weg om behouden te worden is bij zeer velen oorzaak van die toestand. Men wil eerst ervaren en dan geloven, terwijl naar de orde van de Heere het geloven aan het ervaren voorafgaat. Men gevoelt in zichzelf geen verzekerdheid. Men aanschouwt de vruchten van het nieuwe leven niet; men heeft geen blijmoedige hoop. En – omdat nu dat alles nog ontbreekt, gaat men vragen: zijn de beloften des Heeren wel voor mij? Dat is vruchten willen plukken, eer de boom nog geplant is. De daad van het geloof is, in Jezus de Christus te zien en zich aan Hem toe te vertrouwen voor tijd en eeuwigheid. Waar nu dit geloof nog niet is, kan niet aanwezig zijn wat eerst door dit geloof wordt uitgewerkt. Eerst zich vernieuwd te willen weten en dán te geloven – het is, als wanneer Naäman eerst genezen had willen zijn, om zich daarna naar de Jordaan te begeven. De Heere roept ons op tot geloven; op dat geloven zal de ervaring volgen, maar dat ervaren gaat nimmer vooraf.


Anderen verstaan wel, dat de vruchten van het geloof er niet kunnen zijn, voordat het geloof er is, maar alvorens de beloften van de Heere te aanvaarden, willen zij eerst althans iets bijzonders doorleefd hebben. Een merkwaardige droom, een verrukking van zinnen, een levendige gemoedsbeweging – dat moet naar zij menen eerst hun er zeker van maken, dat zij persoonlijk deel hebben aan de genade des Heeren. Deze mensen willen eigenlijk, naast het Evangelie, nog een Evangelie voor zich alleen hebben, een rechtstreeks Woord van God voor hun zielen. Maar, wanneer zij dit eisen, vragen zij iets anders, dan wat de Schrift belooft. Nergens staat in Gods Woord, dat de Heere alle mensen door zulke zielsondervindingen leidt. Goed, laat Hij dan sommigen langs zulke wegen voeren, dat is geen regel voor allen. De persoon en de belofte van Christus – dat is de enige grond van vastheid. Hij nodigt zondaren; wie zich dan als zondaar erkent, mag zich geroepen weten. Het heil des Heeren is voor allen, die het begeren met hun ganse hart.
Bekommering uit deze oorzaak voorkomende, gaat alleen weg door betere kennis van het Evangelie. Wie van mensenredeneringen afziet, wie zich werkelijk door het Woord des Heeren wil laten leiden, zal komen tot rust en vrede in het hart. Laat u alleen niet misleiden door de schijn, alsof de weigering om de Heere op Zijn Woord te geloven, een teken zou zijn van diepere ernst dan een blijmoedig staatmaken op Zijn beloften. Het schijnt beslist erg vroom steeds te blijven klagen, steeds te blijven zeggen: mocht de Heere dat mij eens geven! Weet dan dat schijn bedriegt. Het Woord des Heeren zegt van zulk een gemoedsbestaan: Die in de Zoon van God gelooft, die heeft de getuigenis in zichzelf Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, terwijl hij niet heeft geloofd de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon. Neen, het is geen eren van God, dit aarzelen en vrezen. Het is een verdenken van de trouw en de waarheid des Heeren. Het is eisen van andere gronden van zekerheid dan die het onze God heeft behaagd te geven. Een volgend maal over een tweede oorzaak van ziekelijke bekommering.

A. v. Brummelen, Huizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Tweeërlei bekommering (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's