De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tweeërlei bekommering (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tweeërlei bekommering (II)

6 minuten leestijd

De ziekelijke bekommering als blijvende toestand, de bekommering, die het niet durft wagen op de beloften des Heeren kan ook nog een andere oorzaak hebben dan onkunde. Zij kan ook voortkomen uit bijblijvende lust tot de zonde. Het aloude Avondmaalsformulier kan hier ons licht geven. Het formulier immers zegt ergens: geen zonde of zwakheid, die nog tegen onze wil in ons overgebleven is, kan hinderen, dat God ons niet in genade zou aannemen en alzo deze heerlijke spijs en drank waardig en deelachtig maken. Tegen onze wil – maar zonden, die niet betreurd en niet bestreden worden, brengen een ban over de ziel. Zo menigeen blijft bekommerd omdat zijn zoeken van de Heere hem geen volkomen ernst is. Men wil het oog niet uitrukken, de hand niet afbouwen, die ergernis geeft. Men wil Dagon niet laten vallen voor de ark des Heeren. Er is wezenlijk geen strijd, kan het dan anders of zulk een hart, dat heimelijk aan enigerlei zonde blijft vasthouden, komt niet tot blijmoedig geloof? Er is daar geen ernstig, geen onverdeeld aangrijpen van de liefde van Christus; en eerder toch daalt geen vrede in ons hart, voordat de boezemzonde beleden is en bestreden wordt.


Uit de aard der zaak ligt het voor de hand hier aan meer verborgen zonden te denken. De meer in het oog lopende zonden worden doorgaans wel gemeden, waar enigermate geestelijke ernst is gekomen. Wij zeggen niet, dat ook op het openbare terrein alles onder ons vlekkeloos is, in geen enkel opzicht. Maar wij bedoelen in deze sfeer toch niet zozeer grove overtredingen als echtbreuk, diefstal en openlijke zedeloosheid. Deze zonden zijn te zeer openbaar. Wij weten nog maar al te zeer, dat er onder het openlijk bedrijven van deze goddeloosheden geen gemeenschap met God kan bestaan. Maar hoe is het nu met de meer geheime overtredingen? Geheel willekeurig denken wij aan tal van zonden die niet direct voor aller oog worden bedreven, maar toch wezenlijk de kracht van onze ziel breken en van de Heere vandaan houden. Het kan zijn een geheime pronkzucht. Een stille geldzucht. Een lichtgeraaktheid van karakter. Ook denken wij aan slordigheid in het gebruik van de genademiddelen. Een gebrek aan orde in onze levenshouding. Daardoor raakt op de duur ons gehele bestaan tot in de wortel ontwricht. Bij veel mensen is de eigenlijke oorzaak van hun innerlijke en dikwijls ook uitwendige achteruitgang de wanorde in hun levenshouding. Het zich voort laten drijven door datgene wat nu bepaald toevallig hen voor de voeten komt. Er is geen richtsnoer, geen levensideaal, dat alle krachten der ziel samenbundelt naar het ene nodige.


Nu wij toch hierover schrijven kunnen wij nog wel meer van die kleine vossen noemen die de wijngaard verderven. Een opmerkzame beschouwing van het bonte leven doet ze ons als vanzelf aan de hand. Een zekere twistzucht om het gelijk altijd aan onze zijde te hebben. Met name speelt dat in familie-onenigheden, waar wij ons met welbehagen aan kunnen overgeven. Zo blijft dus voortdurend de vermaning tot eensgezindheid nodig. Aan die onderlinge liefde en eenheid moeten de discipelen des Heeren kenbaar zijn in de wereld; daardoor ook moeten wij elkaar tot onderlinge steun zijn in het midden van de vijandige wereld, die vanzelf reeds zo zware lasten te dragen geeft. De apostel Paulus noemt in de brief aan de Romeinen ook het trachten naar hoge dingen en het wijs zijn bij zichzelf. Het is een kenteken van de gevallen menselijke natuur, zich steeds te willen uitstrekken tot het hoge, het opzienbarende, het geprezene. Voor allerlei werk, dat roem geeft, zijn immer velen te vinden, die zich aanbieden. Het geringe, het onopgemerkte wordt meest voorbijgegaan. Doe niet alzo, vermaant de apostel. Voor dat schitterende zijn er genoeg, die het zoeken en dat geringe, waaraan zo weinigen zich geven willen, moet toch óók gedaan worden, zo het geheel geen schade zal lijden. En als hierop nu volgt: zijt niet wijs bij uzelf, dat is, heb geen hoge gedachten van uzelf, dan is daarmee genoemd, wat tot het najagen van de hoge dingen drijft. Men houdt zich namelijk voor te goed, om met die kleine dingen zich in te laten, men acht zich boven dat geringe verheven. Nauw aaneengeschakeld zijn alle christelijke deugden; zowel de éne als de ander ontbreekt, waar de ootmoed wordt gemist. Ook deze meer geheime zonden kunnen, onbestreden, voortwoekeren in ons hart, ons van de gemeenschap met de Heere afhouden en op deze manier vasthouden in een bekommerde toestand.


Uit welke van die twee oorzaken, onkunde en zondelust, de bekommering ook voortkomt, altijd houdt ze de zondaar van de Heiland verwijderd. Altijd is ze een ziekte van de ziel, hetzij dan uit minder of niet meerder schuldige oorzaak ontstaan. En er bestaat geen behoud, geen werkelijk nieuw leven, of deze bekommering moet hebben plaatsgemaakt voor een geloven, dat het waagt op het Woord van de Heere, omdat het de macht en de liefde erkend heeft, die in de persoon van Christus is besloten. Beide vormen van bekommering, die de zondaar van Christus verwijderd houden, hebben dit met elkaar gemeen, dat daarbij altijd de blik der ziel op het eigen gemoedsbestaan blijft staren, in plaats van vertrouwend op te zien tot de Heere. Het gaat er juist om, dat ons hart, dat ernstig behoud zoekt, deze genade leert vragen, om slechts in zóverre op zichzelf te zien, dat het de behoefte aan redding erkent. Die redding zelf wordt niet in, maar buiten de mens gevonden. Die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, die heeft het eeuwigen leven. Dit aanschouwen heft de ziel op, uit de toestand waarin ze verkeert. Dit aanschouwen brengt tot erkenning van de onuitsprekelijke genade in de Heere geschonken. Ja, het wekt dat kinderlijk vertrouwen, dat alles van Zijn trouw verwacht. Men moet nooit vergeten: God wil niet, dat de mens in bekommering voortleeft of de zaligheid wel voor hem is. Zeker, het komt voor in het leven van het geloof, dat de Heere Zijn aangezicht verbergt en dat Hij de toestroming van Zijn liefde terughoudt, hetzij tot kastijding van onze ziel, die niet teer leefde voor Hem, hetzij tot een beproeving van het geloof om dat geloof te sterken, juist door meer dan ooit te moeten vasthouden aan het onzienlijke, zonder de steun van het genieten, dat een aanvankelijk zien is van het heil des Heeren. Maar dit is iets anders dan dan Hij een zoekende ziel in onzekerheid zou willen laten, of zij wel steunen mocht op zijn genade in Christus. Dat zou geen vorming zijn. Een zondaar, die van de Heiland verwijderd blijft, kan geen leven in zijn ziel bezitten. Zo is het dan niet God, die dit beschikt over de mens, maar de schuld van de mens, die zich onttrekt aan de genadeleiding van God. De schijnbare nederigheid van deze bekommering is hoogmoed, omdat het een weigering is, zich onvoorwaardelijk over te geven aan de genade in Christus verschenen.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Tweeërlei bekommering (II)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's