Boekbespreking
B. Maarsingh, Ezechiel II, 304 blz., geb. ƒ 82,50, bij int. ƒ 74,50, uitg. G. F. Callenbach, Nijkerk, 1988.
In de serie De prediking van het Oude Testament verscheen het tweede deel van het boek Ezechiel, de verklaring van h. 16 : 1-32 : 32. Evenals in de reeds verschenen delen wordt elk onderdeel afgesloten met een samenvatting van de prediking van de betrokken pericoop. Bij de aankondiging van dit belangrijke werk, dat echt niet alleen voor theologen van professie is geschreven moet ik mij zeer beperken. Vele Hebreeuwse termen worden verklaard op een wijze die de context zeer verduidelijkt. Andere vertalingen dan de Statenvertaling geeft zijn nauwgezet overwogen.
Het is een bewogen stuk van de geschiedenis dat hier – ten dele – aan ons voorbijgaat. Het laat zien wat de Heere voor Zijn volk is. Gods bemoeienis met Israël staat voorop. En dat alles ondanks dat Israël weerspannig is tegen de Heere, h. 2 : 5 v., 3 : 9; 17 : 12 spreekt van de adelaars, een moeilijke allegorische uitspraak. De schrijver tekent hierbij aan: Tegenover de menselijke ontrouw staat de onwrikbare trouw des Heeren; Hij laat Zijn volk niet los. Hij heeft Ezechiel tot een wonderteken (mophet) voor Israël gesteld, h. 24 :27, 12 : 6. Ez. behoorde tot de eerste groep van bannelingen naar Babel (597). Daar riep de Heere hem tot profeet; hij zou zielszorger, een wachter zijn over het huis Gods, h. 3 : 17, 33 : 7. Hij moet de zonde van het volk ontdekken. De rol, die Ez. bij zijn roeping ontving was beschreven met klaagliederen, zuchten en wee, h. 2 : 10. Zwaar was Ez. opdracht. Er is een tijd geweest, dat zijn tong aan zijn gehemelte kleefde: hij was stom, h. 24 : 25. Hij wist het tevoren h. 3 : 26: Hij zou het volk geen bestraffend man zijn – een oordeel – zij zijn immers een wederspannig huis, maar hij zal weer een wonderteken zijn, en 'zij zullen weten, dat Ik de Heere ben' h. 24 : 27.
Diep ingrijpend is de uiteenzetting van h. 18, onder het hoofd: 'Ieder is persoonlijk verantwoordelijk'. Maar een goddeloze vader kan een vrome zoon hebben. Herinnerd wordt aan de uiterste tere vraag: Waarom zoudt ge sterven? De Heere heeft geen lust aan de dood van de goddeloze. Calvijn wijst op de onbeschaamdheid van het volk (vs. 25 v.) dat zegt: de wegen des Heeren zijn niet recht, niet Gods weg is verkeerd gericht, maar hun handel en wandel beantwoordt niet aan de juiste maatstaf.
De h. 16, 20 en 23 geven een samenvatting van de geschiedenis van Israël. H. 16 wordt wel als een hoogtepunt van het boek beschouwd. Allegorisch wordt de grote genade getekend, die de Heere aan Israël heeft bewezen. Hun vader was een Amoriet en hun moeder een Hethitische, h. 16 : 3. Israël wordt getekend als een hulpeloos en waardeloos vondelingetje (vergelijk Nozea). Het vondelingetje is tot de hoogste rang verheven. Met de mantel der genade is zij bedekt. Maar zij heeft zich in de diepste poel van vuil gestort, tot in de kern verdorven. Het antwoord op en de dankbaarheid voor Gods tere en zorgende liefde was? Aan Jerusalem en aan Israël wordt ondankbaarheid en ontrouw en schaamteloze trouwbreuk verweten. De zo hoog verhevene – door 's Heeren zorg en liefde verlaagt zich ten diepste tot sacrale prostitutie. Calvijn tekent hierbij aan: Zo iets is in het verleden nooit vertoond en zal in de toekomst ook nooit vertoont worden: het wegwerpkind tot de hoogste rank verheven heeft zich in de diepste poel van onreinheid gestort, h. 16 : 34 v. Terecht geeft de schrijver aan h. 20 het opschrift De Grote Aanklacht. Onbegrijpelijk is de trouweloosheid van het volk Israël ten aanzien van de Goddelijke weldaden aan Israël. Bij vs. 1 v. over de Godsraadpleging volgt een verbijsterend antwoord. Calvijn schrijft hierover: De hoofdzaak is, dat God hen afwijst, omdat zij hoezeer zij ook een heilige ijver voorwenden, zij van een verkeerde geest zijn. Van het ene geslacht naar het andere was de goddeloosheid voortgeschreden; de misdrijven waren in zekere zin erfelijk geworden. De zonde zat er diep in. Groot was de trouweloosheid van de oudsten van Israël. In de paragraaf over de prediking van Ez. 20 staat de volgende toepassing: Het is een voorrecht een plaats bij God te hebben voor onze vragen, Hem te raadplegen. Wie met zijn gebeden komt en anderzijds zijn eigen gang gaat, moet niet op verhoring rekenen. Toekomst hebben alleen zij, die van harte leven uit het geloof en in overgave aan Hem aan wie men alles te danken heeft. Wij zullen zijn als de heidenen (h. 20 : 32), dat was de leus en toch zal er een andere tijd en een andere situatie komen; men zal walgen van hun slechte daden. Het zwaardlied (h. 21) spreekt van het moordende zwaard. Het volk is rijp voor het oordeel. Daarvan spreekt het drie maal herhaalde Puinhoop (deze vertaling ook in de N. vert. NBG): en diep ontroerend vonnis over Jerusalem. Men had geen oog voor Gods weldaden en de wet des Heeren werd veracht (ontheiliging van de sabbath). Zelfs een kerk kan een puinhoop worden – het volstrekte einde. En toch gaat een deur naar een toekomst open. De Allerhoogste kan op puinhopen bouwen. H. 21 : 26 betekent een oordeel over de laatste koning van Isr./Juda, een omkeer van alle waarden. Een donkere toekomst? 'Maak het lage hoog en verlaag het hoge'. Toch gaat een deur tot de toekomst open. H. 21 : 27 spreekt van Mijn volk. 'Gij zult weten dat Ik de Heere ben, h. 12 : 20, 13 : 9, de levende, almachtige God in tegenstelling met de nietige afgoden.
Er is een nieuw verbond met een eeuwigheidskarakter! Ez. 21 : 27 moet gelezen als heenwijzing naar de Gezalfde, de koning die recht en gerechtigheid zal handhaven, Gen. 49 : 10.
Uit het vele, dat ik in de tekst aanstreepte citeer ik enige treffende uitspraken en stellingen. Toekomst hebben alleen, die van harte uit het geloof en in de overgave aan Hem aan Wie men alles te danken heeft h. 20 : 45. Het doel van ons leven is Hem te kennen in Zijn heilige liefde voor Israël: Het volk Gods zal Zijn heiligheid ervaren door het nieuwe begin, dat Hij zal maken.
Wee, wie het Woord naast zich neerlegt. Nodig is geloofsgehoorzaamheid.
En ten besluite (uit De Prediking van H. 16): Erg is een wereld zonder God. Erger een volk, dat weet heeft van Hem, maar niet radicaal vóór Hem kiest. Het ergst is een Kerk, die alles van God heeft gekregen en deze grote gaven verslingerd heeft. Dat is het einde. Maar over Golgotha loopt de verbinding tussen de heilige God en de schuldige mensheid.
Het werk geeft veel stof voor studie en meditatie en wie dit deel heeft doorgewerkt zal de verschijning van het laatste deel over Ezechiel gaarne tegemoet zien.
H. Bout
Ds. L. de Liefde, Christophorus, verslag van een zoektocht, uitg. Boekencentrum, Den Haag, 187 blz., prijs ƒ 29,50.
Ds. De Liefde wijdde zijn zes weken durende studieverlof aan een overdenking van de oude legende over Christophorus. In dit oude verhaal klinkt de geschiedenis door van een levensweg en in zijn boek stelt ds. De Liefde dan de vraag aan de orde: kan dit oude verhaal ook mensen van vandaag nog iets te zeggen hebben? Mensen die bezig zijn aan hun zoektocht door dit leven naar zinvolle ervaring. In uitingen van mensen in onze tijd valt een vraag waar te nemen naar authentiek geestelijk leven. In een meditatief omgaan met motieven uit de legende van Christophorus legt de schrijver allerlei verbanden met ons leven hier en nu. Hij doet dat op een boeiende en heel verrassende manier. Aan zijn overwegingen bij deze oude legende laat hij vooraf gaan een uiteenzetting over de plaats van het verhaal in het informatietijdperk. De invloed van de beeldcultuur op de leescultuur. Hij acht het te ongenuanceerd om de TV met name de schuld te geven van de problemen met de leescultuur. De moeilijkheid ligt meer in de wijze waarop de beelden ons tempo van lezen beïnvloeden. De informatie rolt zo snel over ons heen in deze tijd, dat we daardoor oppervlakkiger kennis gaan nemen van wat ons wordt aangereikt. Iets is daarom al snel te moeilijk, te onverstaanbaar. Het past dan niet meer in de sjablooncultuur van populaire bladen en spraakmakende televisie- en radiopersonen, aldus ds. De Liefde. Hij vindt vervolgens dat daar in de kerk te weinig over wordt nagedacht. Hij meent dat de prediking veel meer een verhalend karakter zal moeten hebben. Verhalen doen het beter dan betogen. Wie op de catechisatie iets persoonlijks vertelt, brengt meer op gang dan wie dogmatische zaken analyseert. Vroeger kwam in de preek het 'oude moedertje' aan het woord of een 'wijze ouderling' uit de eerste gemeente van de voorganger.
Identificatiepersonen voor de hoorders zodat ze makkelijker in de prediking werden meegenomen. In de prediking als communicatiemethode zal meer dan ooit aandacht dienen te komen voor de wereld waarin de hoorders zich elke dag bevinden. Mensen leven vandaag in vele werelden. De Liefde merkt treffend op dat de ziel van sommige kerkgangers nog niet aangekomen is in de kerk, terwijl de dienst al begonnen is. In de communicatiewetenschap spreekt men dan over de factor 5. Men wil daarmee aangeven dat het in onze tijd 5x zoveel meer inspanning vergt om een boodschap te laten overkomen. Men hoort al zoveel, mensen raken immuun vqor boodschappen. De veelheid aan informatie maakt moe en leidt tot oppervlakkig kennisnemen. Zeker, God zorgt voor vrucht op Zijn Woord. De Geest maakt het woord der prediking vruchtbaar in mensenharten ook in deze tijd. Toch ben ik het geheel met ds. De Liefde eens dat we niet mogen achterblijven op het veld van de cultuur. We hebben de gemeente te leren dat de Boodschap 'niet zomaar met "instant verkondiging" hap snap te verkrijgen is'. De kerk moet zich de geestelijke leegheid en armoede van haar leden aantrekken. De hier gesignaleerde ontwikkelingen gaan ook onze kerkdeuren echt niet voorbij. Hoe gauw is een preek niet te moeilijk? Wat is het deel der gemeente dat zich werkelijk inzet voor bijbelstudie, bezinning op geloofsvragen niet meestal beschamend klein? We moeten om zo te zeggen de 'factor 5' volkomen serieus nemen en inderdaad alle tijd nemen de geloofsinhoud van de Kerk der eeuwen geduldig en volhardend aan mensen van dèze tijd uitleggen en doorgeven.
Hier en daar heb ik langs de kantlijn een vraagteken gezet. Niet in alles kan ik met de uiteenzettingen meegaan die coll. De Liefde biedt. Ik mis b.v. heel sterk de pneumatologische dimensie op blz. 137 als hij daar schrijft over de doop. Maar overwegend is toch bij mij achtergebleven de instemming met wat hij terzake de verkondiging voor deze tijd aandraagt. In deze woestijnperiode van de christelijke gemeente is de woning van het Woord meer dan ooit de schuilplaats die de opgejaagde mens nodig heeft.
J. Maasland, C. a. d. IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's