De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vastgehouden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vastgehouden

7 minuten leestijd

En als Jezus opgestaan was… verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Markus 16 : 9

In de oorlog is het meermalen gebeurd dat een gevangene werd bevrijd uit de wurgende greep van de vijand… daarna echter toch weer werd opgepakt, vastgezet of erger. Aanvankelijk dus verlost, maar uiteindelijk nog verloren.
Ontstellende werkelijkheid! In Gods Koninkrijk echter een radicale onmogelijkheid. Verlosten des Heeren zullen nimmermeer verloren gaan. Vergis u echter niet. Al is dit vast en zeker, 't is allerminst vanzelfsprekend. 't Is veeleer een wonder steeds weer. Letterlijk een wonder bóven wonder: het mogelijke blijkt hier onmogelijk te zijn!
Een wonder, alleen gewerkt door Hem, Die leeft. Alle mogelijke machten overwonnen heeft. En als Overwinnaar in de strijd Zijn volk de zege geeft! Het blijkt onmiddellijk na Jezus' opstanding, dezelfde dag nog, overduidelijk en onomstotelijk.
Maria Magdalena. Een vrouw met een duister verleden, zeven duivelen – kon het erger? – hadden haar vele jaren bezet. En geleefd onder de macht van de boze, had ze zich uitgeleefd in het boze. Letterlijk bij het duivelse af.
Totdat Jezus was gekomen.
In de ontmoeting met Hem was het wonder geschied, het onmogelijke mogelijk geworden… de strik losgebroken… en zij was vrijgeraakt. Bevrijd uit de genadeloze greep van de vijand, vrijgesproken van haar nameloze schuld!
Maria Magdalena… een ontkomene!
Deze en gene herkent het wonder wellicht. Die ontmoeting met de levende Heere. Zijn Woord was met macht. Greep je aan. Liet je niet meer los. Trok je weg uit de machten waarin je gevangen zat. Er gebeurde iets. Doodsbanden van gedane zonden en verdiend oordeel begonnen te beklemmen, angsten der hel te benauwen tot stikkens toe. Door Zijn Woord trok Hij echter door. Er doorheen. Er bovenuit. Zette je voeten op de rotssteen, Jezus het fundament van zaligheid. Zodat je opgelucht mocht zingen: Gij deed mij in de ruimte gaan!
Maria Magdalena, de ontkomene, had deze dagen het angstig gevoel opnieuw gevangene te worden. Jezus, haar Helper en Heiland was immers gestorven en begraven? Betekende Zijn einde niet haar einde. Brak met Zijn levensdraad niet Zijn levenswerk af, het goede werk ook in haar?! Was ze zonder Hem niet vogelvrij voor de vijand?! Ze voelde de hete adem van de boze al in haar nek. Wat moest ze alleen beginnen tegen deze overmacht? Die z'n ontkomen prooi nooit zondermeer prijsgeeft! In moedeloosheid raakte ze verstrikt, wanhoop verstikte haar. Zou zij, de verloste, toch nog een verlorene zijn?
Met ogen vol tranen staart ze in het lege graf en het hamert in haar hoofd: Mijn Heere is dood… is weg… 't is voorbij… voorgoed…! Verstomd is ze, er zijn geen woorden voor!
Maar toen!
We lezen ervan: En als Jezus opgestaan was verscheen Hij éérst aan Maria Magdalena. Plots stond Hij daar, achter haar. Levend en wel. En klonk midden in haar aanhoudend snikken en angstig vragen Zijn stem: Maria!
De stem van de Herder. De overbekende. En het schaap herkende.
Onmiskenbaar. Riep het: Rabbouni! Mijn Heere!
Alleen een naam, over en weer, maar meer dan genoeg op dit moment. Alleszeggend. Dit: Ik ben het… U bent het!
Zonder woorden wist ze het nu: 't is niet verloren, het goede begin brengt Hij tot een goed einde!
Later op Pinksteren heeft Maria alles nog dieper en rijker verstaan. Begrepen dat haar Heere juist door het kruis en de opstanding heen, haar schuld voorgoed had te niet gedaan. En zodoende ook de duistere machten elk recht om te heersen had ontnomen, hun heerschappij in de wortel had aangetast en vernietigd. Hij was de vaste grond van haar behoud. De onmogelijke aflossing van haar schuld, mogelijk door de losprijs van Zijn ziel. Wat een wonder!
De mogelijke verliezen van haar kant, onmogelijk door de overwinning van Zijn hand. Wonder boven wonder!
Zien we het intussen? Het vertroostend licht dat sinds de paasochtend over ons is opgegaan. Bevrijd door het wonder, worden we ook bewaard door het wonder boven wonder!
Het zwakke Lam ter slachting, is tegelijk de sterke Leeuw ter overwinning. Als trouwe Herder waakt Hij over Zijn weerloze schapen. Als sterke Held bewaart Hij temidden van de machtige vijanden.
Ja, de Overwinnaar over alle machten zegeviert zonder ophouden over alle tegenkrachten!
Ze zijn er. Tegenkrachten. Boze machten die oprukken. Benauwend kan het zijn. Eens temeer nadat de Heere in ruimte stelde.
Onverhoeds steekt de duivel zijn kop op. En spuit z'n gif in mijn bloed. De twijfel. 't Is allemaal niks geweest! Dat verlossende woord heb je zelf naar je toegehaald! Dat geloof is eigen werk! Mijn vertrouwen kwijnt. Ik dreig terug te vallen in het oude… in ongeloof!
Verder nog gaat het soms. Bij het minste of geringste grijpt de boze z'n kans. God… Jezus… de Heilige Geest… ach kom, is het wel waar, is het geen hersenschim. Waar is God… waar?! O, alles komt op losse schroeven te staan, begint te wankelen, ik sta aan de rand van een diepe duistere afgrond, zie niets meer, van wat eerst zo duidelijk voor ogen stond. 'k Ben wanhopig!
En niet te vergeten, de gevaarlijkste vijand. De verrader binnen de muren. Je eigen verkeerde hart. Het trekt je mee. 't Gebed verslapt, de bijbel blijft dagen dicht, oude zonden worden springlevend, nemen opnieuw de overhand. En je gaat door….
Nee, kinderen van God zijn daar niet te goed voor. Zie David, de man naar Gods hart, overspel, leugen en moord, 't gaat hem af met groot gemak. En Salomo, Jedidja geheten, geliefde des Heeren betekent dat, hij valt voor de vrouwen, buigt voor de afgoden.
Kinderen van God, ze staan er gekleurd op, in zwàrt, wel te verstaan! Wie niet? En vandaag voel je je nameloos leeg. Eindeloos ver weg. Alles wat was lijkt voorbij. Wie ben ik toch?.
Ja, meer dan eens lijkt het, net als voor Maria, dat Gods goede werk in een mislukking eindigt. Het glipt tussen je eigen vingers vandaan. Zelf kun je niets meer vasthouden. Verliezen kun je slechts!
Maar wat onze enige mogelijkheid is, blijkt ten enemale onmogelijk bij God! De levende Heere verschijnt. Aan mensen als Maria. Dolende en dwalende schapen. Zij gaan zelfs vóór. Die dag werd Maria als éérste opgezocht. De negenennegentig kunnen en moeten wachten voor één! Het vrijgekochte geeft Hij niet prijs. En de tegenkrachten breken stuk op Zijn macht. Niet zozeer door het recht van de sterkste, maar veeleer door de sterkte van het recht, vastgelegd in Zijn kruisdood.
De Levende! Hij geeft ons niet over aan de twijfel, hoe taai die ook is, zo taai dat ik het niet gebroken krijg. Hij verbreekt het. Een enkel woord is genoeg. 'Ik, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij Zijt Mijn!' Ik voed het oud vertrouwen weder. Vind ik 's Hoogsten lof mijn lust.
De Levende! Hij overwint als de vijand mij zoekt terug te winnen. Hij grijpt me vast, als de boze me in zijn afgrond duwt. Hij doet me Zijn waarheid weten temidden van alle leugens die ik niet kan weerleggen. Een enkel woord: 'Zie hier ben Ik, uw God'.
't Is genoeg. Mijn ziel keert weer tot uw rust.
De Levende! Hij Die de zonde van haar macht beroofd heeft, komt mij op mijn zondige wegen steeds weer tegen, roept mij terug, als ik dwaal als een eigenwijs schaap, dat ondoordacht en welbewust zijn Herder uit het oog verloren heeft. 'Keer weer afkerig kind van Mij!'
David zelf kwam niet op zijn schreden terug, maar de Heere kwam hem tegen. En dan gebeurt het toch. Hij breekt, verbroken voor God, met zijn zonde. Kruipt op z'n knieën terug!
Kan het dan nog? Zo vreemd gegaan, zo ver weg geweest? Zie, hij bidt! 'Verwerp mij niet van Uw aangezicht! Neem Uw Heilige Geest niet van mij! Geef mij weder de vreugde van Uw heil!' Ja, en dan blijkt altijd, het kan toch nog. Zijn antwoord is Zijn Woord: Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zijn barmhartigheden hebben geen einde. Elke morgen, zelfs na de zwartste nacht, zijn ze nieuw. Uw trouw is groot!
Maria, ik, wij werken ons er niet bovenuit. Integendeel, alleen dieper erin. Maar Hij, die dood is geweest en leeft, werkt voort door alle tegenwerking van binnenuit en van buitenaf heen. Hij laat Zijn werk niet varen.
Mij rest slechts dit éne.
Te bidden: Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden!
En in één adem te zingen: Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus!

P. J. Visser, Harderwijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vastgehouden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's