Bestaat er te vroeg geloof?
Het ware geloof komt nooit zomaar uit de lucht vallen. Er gaat een behoorlijke voorbereiding aan vooraf. Ook in dit opzicht kent het geestelijke leven de onderwerping aan maat en regel. Let u maar eens op het leven in de natuur. Daar vindt u nooit sprongen en gapingen. Alles heeft er lijn en ontwikkeling, zoetvloeiende overgangen. Het leven kent wasdom. Natuurlijk bestaan er ook storingen en belemmeringen, maar wanneer het groeiproces harmonisch verloopt, dan is er sierlijkheid, maar geen starheid.
Dat zien velen helemaal anders. Bij hen heerst de botte regel. Zo leraart menigeen dat alle mensen langs dezelfde weg tot het geloof moeten worden gebracht. Het staat toch in de Schrift, zo beklemtoont men. Ziet u maar eens in het twee en dertigste hoofdstuk van Jeremia. Leest u daar niet duidelijk, dat de Heere hun enerlei hart en enerlei weg zal geven om de Heerete vrezen? De profeet bedoelt daar dat in de komende tijd van herstel Israël in de rechte verhouding tot God zal staan; niet meer in naam, maar werkelijk volk van God zal zijn. Dan zullen allen door één geest bezield worden en van één levenswandel zijn; allen zullen de Heere willen vrezen en Hem ook inderdaad als één man dienen. De Heere Zelf zal aan hen, hun en hun nakroost ten goede, die nieuwe gezindheid en die nieuwe levenswandel geven.
Het gaat om dit, zo oordelen diegenen, die op één weg voor allen aandringen: de bedoeling van die voorbereiding is om de fundamenten van het werkverbond in het zondaarshart geheel te breken. Er mag zelfs niet één steen meer blijven liggen. In die diepe ledige, ontblote grond moet nu het vast en eeuwig fundament van het geloof, Christus, worden geplaatst. Daarvoor wordt de mens voor de goddelijke vierschaar gesteld. Alvorens met het Evangelie in aanraking te worden gebracht, wordt hem de Wet voor ogen gehouden. Wel wordt hij allemauwst bij zijn dadelijke overtredingen van de Wet geplaatst. Maar daarbij blijft het niet. God laat ons de geestelijke zin der wet verstaan. En, op precies dezelfde maat als wij nu in de geestelijkheid van de Wet ingeleid worden, worden wij bekend met onze bedorven aard. Wij worden ontdekt aan onze vijandschap tegen God. Daardoor komen wij tot het besef, dat alles wat uit ons vandaan komt verwerpelijk is. Onze allerbeste begeerten, gebeden, tranen en alle andere pogingen om zalig te worden blijken voor ons enkel zonden te zijn, anders niet dan blinde bewegingen van de geest.
En hoe leert men dan verder? Wel om ons ten volle van onze ellende te overtuigen leidt ons de Geest naar het paradijs. Tot de oorsprong van onze rampzalige verdorvenheid. Daar ontdekken wij hoe onmogelijk het is, dat wij onze aard zullen verbeteren. Wij zien nu dat deze boze aard ons is aangeboren. Intussen, nog laat de Geest het daarbij niet. Hij doet ons ook de strafwaardigheid van onze zonde zien. Alle overtuiging toch van een zondaar te zijn, in zonde geboren, in zonde opgegroeid, tot alle kwaad geneigd en niets dan kwaad voortbrengende, is onvoldoende tot rechte vernedering voor God. Neen, zo betoogt men: een gepast voorwerp van genade wordt men eerst, als men zich als een vervloekt zondaar heeft leren kennen. De Geest leidt terug naar het paradijs, voert naar de Sinaï en drukt ons op het hart, dat de vloek, daar tegen de overtreder uitgesproken, ons persoonlijk geldt. Dan zegt de Geest tot ons: vervloekt bent u in uw gehele bestaan. De overtuigde zondaar zegt op dat alles 'amen'. Hij onderschrijft zijn doodvonnis. Zich tot de dood schikken blijft alleen maar over.
Pas wanneer dit alles eerst heeft plaatsgegrepen en wij volkomen hopeloos zijn gemaakt, pas dan alleen is het de geschikte tijd om ons het Evangelie te verkondigen. Vóór die tijd mag de dienaar des Woords ons geen genade betuigen. Althans zo beweren velen. Het Evangelie is toch maar zomaar niet voor alle mensen zonder onderscheid? Zeker, de Wet is voor allen, maar het aanbod der genade wordt alleen gericht tot bepaalde gekwalificeerde mensen. Nader gezegd tot hen, die zo diep van hun strafwaardigheid overtuigd zijn, dat zij niet meer om genade durven roepen. De weg des heils mag wel aan alle mensen bekend gemaakt worden, maar geopend alleen voor de boetvaardigen.
Zijn deze gedachten nu op waarheid gegrond? Kan er te vroeg geloof ontstaan? Wat moeten wij op deze kwestie antwoorden? Wanneer mag de zondaar zich diep genoeg van zonde en schuld overtuigd achten om te mogen en te durven geloven? De beste boeteling is in zijn eigen schatting nooit diep genoeg aan zichzelf ontdekt, nooit genoeg vernederd, nooit genoeg benauwd. Hij ziet er tegen op om te geloven. Niet tevergeefs heeft men hem voor een gestolen geloof, voor een gestolen Christus beangst gemaakt.
Ook op dit punt is men het antwoord niet schuldig gebleven. Men heeft vastgesteld, dat men dan op de rechte tijd heeft geloofd, wanneer men kennelijk door de Geest Gods tot het geloof is gebracht. Het is, zo heeft men beweerd, een verdacht verschijnsel wanneer het geloof zonder moeite en strijd ons eigen is geworden. Het is geen lichte zaak om te geloven. Zo gemakkelijk gaat het daarmee niet toe. Er gaat aan het echte geloof een levendig besef van onvermogen vooraf om daartoe te komen. Er is trouwens een zo levendig gezicht van zijn onwaardigheid, dat men het vermetel en brutaal acht – ja, er niet aan durft te denken – om tot Jezus te gaan. De oprechte wacht dan tot hij geroepen wordt. Hij ziet uit naar een innerlijke roeping, die hierin bestaat, dat hij door de Geest vrijmoedig gemaakt wordt om tot Jezus te gaan en de last van zijn zonden voor Jezus neer te leggen. En hoe zou de Geest hem dan vrijmoedig maken? Doordat er met kracht één of ander woord van de Schrift in het hart valt. Bijvoorbeeld: Wend u naar Mij toe en word behouden. Wie zeggen kan: in die woorden werd ik bepaald bij Jezus in Zijn gepastheid, algenoegzaamheid en bereidwilligheid. Die woorden hadden zulk een overtuigende kracht, dat ik mijn overgave niet kon terughouden. Ik riep: Heere, U bent mij te machtig geworden. Zulk een moet niet vrezen. De Meester riep hem en hij moet komen!
Volgens bovenstaande geschetste mening doet men er niet goed aan om aan het gepredikte woord van het Evangelie vrijmoedigheid te ontlenen om tot Christus te gaan. De grond van die vrijmoedigheid ligt wel in het woord, maar enkel in het Woord, ons gebracht door de Geest – niet in het Woord ons gebracht door de dienaar. Deze beperking van de prediking van het Evangelie staat in samenhang met de opvatting van het Evangelie zelf. Het ligt in dezelfde lijn om te menen dat niemand geloven mag, alvorens hij uit bepaalde hoedanigheden of bijzondere ondervindingen weet te behoren tot hen tot wie het Evangelie komt. Zulk een Evangelie toch kan slechts komen tot hen, wier boetvaardigheid hen als oprecht bekeerden aanwijst. Dezulken houden dan ook op om tot God te roepen en zij wachten slechts tot God hen roept. In dat geroepen worden hebben zij het teken, dat zij recht hebben om te geloven en dat de geschikte tijd daarvoor is gekomen.
Intussen, niet alle oude leraars menen, dat zo omslachtige en ingrijpende voorbereiding aan het geloof vooraf behoeft te gaan. Bij de meesten vindt men zelfs een mildere opvatting. Het is goed om ook daarnaar te luisteren. Wij moeten altijd voorzichtig zijn met onze eigen mening halsstarrig vol te houden. Het gaat immer om een gehoorzaam luisteren naar de Schrift. Dat beslist alles.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's