De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkorde een zaak van juristen en theologen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkorde een zaak van juristen en theologen

8 minuten leestijd

Het is een zeer te waarderen beslissing van de uitgever geweest om in zijn serie 'Inleiding tot…' ook een deeltje betreffende het kerkrecht op te nemen, al was het alleen al vanwege het feit, dat in het Nederlandse taalgebied de laatste tientallen jaren nauwelijke één publikatie van enige omvang is verschenen. Publikaties op dit terrein beperken zich tot òfwel zeer algemene vraagstukken zoals de funktie en positie van het ambt òfwel tot internkerkelijke huishoudelijke kwesties. Van een levendige studie van het kerkrecht kan naar mijn stellige indruk aan de theologische faculteiten – de r.k. misschien uitgezonderd – heden ten dage niet gesproken worden, terwijl dit – pakweg – tot eind vorige eeuw wel anders is geweest, al heb ik eveneens de indruk dat de belangstelling voor dit studieveld bijvoorbeeld in Duitsland aanzienlijk groter is dan in Nederland. Over de oorzaken van het gebrek aan belangstelling kan men slechts gissen. Wellicht is de verbrokkeling van de gereformeerde kerk hier te lande debet aan het verschijnsel. De belangstelling voor het kerkrecht viel dikwijls samen met 'breukverschijnselen' in de kerk. Kerkstrijd en kerkscheuringen werden behalve via de dogmatische band veel, ten laatste ook via de kerkrechtelijk band, 'gespeeld'; op zulke momenten laait de belangstelling op. Misschien zijn kerkmensen, meer intuïtief dan konkreet, zich deze relatie bewust en komt daar veelal hun afkeer van het 'formalistische' kerkrecht uit voort. We zullen waarschijnlijk óók in rekening hebben te brengen de vrij algemene afkeer van het institutionele en formele in ons individualistisch en sterk op de persoonlijke ervaring georiënteerd tijdsgewricht. Hoe dit zij, als men de weinige interesse – óók onder predikanten? – zou willen en mogen toeschrijven aan het gevoelen dat de orde in de eigen kerk naar tevredenheid funktioneert, dan nòg valt te betreuren dat het terrein van het kerkrecht in het algemeen, zijnde immers een onderdeel van de theologische discipline, relatief geringe wetenschappelijke bearbeiding ondervindt.
Is het aan de ene kant de kerkelijke oecumene verdeeldheid, die zich wreekt, óók in de studie van het kerkrecht, anderzijds dwingen oecumenische toenaderingspogingen – zoals het Samen op Weg-proces – tot een hernieuwde bezinning op de wortels van het kerkrecht. In de onderhavige bundel treft men daarvan enige voorbeelden aan.

Juristen naast theologen
Een punt dat mij persoonlijk interesseerde betreft de vraag of en zo ja, in hoeverre juristen, naast theologen, een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling en toepassing van het kerkrecht. Een van de auteurs van de bundel, drs. W. Bakker (+) schrijvend over de vraag 'Wat is kerkrecht?' zegt: 'In wezen is kerkrecht echter een theologische discipline, zij het met juridische "affiniteit"'. Het blijkt dat met name in de Lutherse reformatie van meer af aan tot op vandaag toe juristen het tot hun taak en competentie rekenen om zich in het kerkrecht te bekwamen, zó zelfs dat zij op sommige momenten de dienst uitmaakten in de zgn. consistories.
H. J. Royaards (1794-1854), de Utrechtse kerkhistoricus die in de vorige eeuw het kerkrecht hier te lande een plaats heeft gegeven in het academisch onderwijs, beschouwde het kerkrecht als een gemengde wetenschap, te beoefenen zowel door juristen als theologen, liefst in onderlinge samenwerking. En aan de kerkorde van de Ned. Herv. Kerk van 1951 is onlosmakelijk de naam van o.a. Paul Scholten, een eminent jurist, verbonden.
De betrokkenheid van juristen houdt vermoedelijk verband met de vraag in hoeverre men het formele karakter van het kerkrecht tot z'n recht wenst te laten komen, òf dat men geheel naar de andere kant neigt en, met bijvoorbeeld Rudolf Sohm, het goddelijk karakter van het kerkrecht accentueert. Hier ligt, denk ik, een fundamentele moeilijkheid, aangezien de Bijbel en met name het Nieuwe Testament geen voor alle tijden geldend, uitgewerkt kerkrecht biedt. Dat brengt mee dat een kerkelijke ordening die de benaming recht met recht wil kunnen dragen, aangewezen is op uitwerking van de theologische grondlijnen in formeeljuridisch hanteerbare kaders en procedures. En dat betekent weer dat in de praktische vormgeving en toepassing van het kerkrecht algemene rechtsbeginselen verdisconteerd moeten worden – waaraan overigens naar mijn mening evenmin een bijbels gehalte valt te ontzeggen – èn dat allerlei zeer praktische, menselijke vondsten en oplossingen ingeweven worden. Zo ontstaat op bijbelse fundamenten een met mensenhanden gebouwd huis. Dit gegeven van ongelijkwaardige elementen in het bouwwerk vraagt, met name in de toepassing, om een goed ontwikkeld onderscheidingsvermogen.
Waar dat niet voldoende geschiedt, daar kan op basis van een zeer ruime en 'geestelijke' interpretatie van regels – zie de bijdrage van A. van de Beek 'Hermeneutiek van het kerkrecht' in deze bundel – de regel ontkracht en de (rechts)eenheid verbroken worden. Maar niet minder groot is het gevaar dat met een beroep op allerlei zeer menselijke en tijdgebonden regels afgoderij wordt bedreven zodat een formalistische toepassing van het kerkrecht uitloopt op een vorm van wetticisme, die spot met de grondtoon van het evangelie en met elementaire beginselen van gerechtigheid. Toepassing van het kerkrecht blijft zodoende een verantwoordelijke en riskante aangelegenheid, die niet anders dan met het gebed en verootmoediging gepaard kan (behoort te) gaan. Zowel voor theologen als juristen, die het kerkrecht hebben vast te stellen en toe te passen, geldt dat de vreze des Heeren ook in deze het beginsel van alle wijsheid is.

Uitsluitend theologen
Na deze 'omtrekkende gedachtenbeweging' waartoe lezing van de bundel aanleiding gaf, te hebben geventileerd vraagt de bundel als zodanig nog nader de aandacht.
Een reeks van – uitsluitend – theologen, die zich als docent met het kerkrecht bezig (hebben) gehouden, leverde één of meer bijdragen. Hun namen luiden als volgt: W. Bakker, J. Plomp, A. J. Bronkhorst, A. van de Beek, H. B. Weijland, W. van 't Spijker, D. Deddens, D. Nauta, L. C. van Drimmelen, R. G. W. Huysmans en G. D. J. Dingemans.
De bundel bevat een drietal onderdelen: het inleidend deel (72 blz.), de geschiedenis van de kerkinrichting (75 blz.) en het geldend kerkrecht (71 blz.). Deze delen zijn in respektievelijk 7 en 5 paragrafen gesplitst, terwijl twee paragrafen in subparagrafen zijn onderverdeeld. Elke paragraaf c.q. sub-paragraaf heeft één auteur. In totaal dus 17 paragrafen en 10 subparagrafen, verdeeld over 11 auteurs.
De bundel bevat een personen- en een zakenregister, terwijl bij iedere (sub-)paragraaf literatuur is vermeld. De meeste bijdragen dragen een informerend analyserend karakter, met ruime aandacht voor de historische facetten. Voor een werk dat beoogt een inleiding tot… te zijn een logisch verdedigbare, evenwichtige en als zodanig ook wel geslaagde opzet.
Het boek windt er geen doekjes om – hoe kan het anders gelet op de theologische veelkleurige schare van medewerkers? – dat de auteurs qua theologische opvattingen en kerkrechtelijke uitgangspunten niet allen op dezelfde lijn zitten. Dat kan in zoverre een bezwaar zijn, dat degenen die voor het eerst kennismaken met het vak, misschien niet onmiddellijk onderkennen waar de verschillen zitten en in hoeverre particuliere standpunten verkondigd worden. Hier ligt een taak voor de docenten die het boek gebruiken ten opzichte van hun studenten. Twee bijdragen, met name de genoemde A. van de Beek 'Hermeneutiek van het kerkrecht' en die van Dingemans 'Kerkorde als ecclesiologische vormgeving', betreden minder orthodoxe wegen en prikkelen als zodanig uiteraard tot de meeste tegenspraak.

Te smal
Bij de in 7 sub-paragrafen verdeelde paragraaf over het kerkrecht van de Nederlandse reformatorische kerken, waar het geldende kerkrecht van 6 reformatorische kerkgenootschappen en het Samen op Weg-proces aan de orde is, heb ik mij afgevraagd wat per saldo de zin is van de behandeling in 4 sub-paragrafen van 4 (kleinere) kerkgenootschappen, die totaal niet meer dan anderhalve pagina omvat. Veel verder dan een aanduiding van de plaats waar men de betreffende regels kan vinden, komt men niet.
De bijdrage van de (enige) rooms-katholieke auteur, Huysmans, die als 'gast' is gevraagd te beschrijven waar een predikant van een reformatorische gemeente in Nederland, die samenwerkt met een rooms-katholieke parochie, kerkrechtelijk mee te maken krijgt, heeft zeker algemene informatieve waarde, maar ik vraag mij af of een predikant c.q. gemeente van reformatorisch belijden na lezing nu echt weet waar hij/zij aan begint. De bijdrage gaat weinig expliciet op de vraagstelling in.

Kerk en Staat
Van Drimmelen schenkt in zijn bijdrage over 'kerk en staat', die overigens volledig terecht een plaats in deze bundel heeft gekregen, o.a. aandacht aan artikel 6 van de Grondwet (de vrijheid van godsdienst), maar spreekt niet over de aan iedere burger toegekende (andere) grondrechten. Recent is toch aangetoond, dat in een civielrechtelijke context het vraagstuk van de doordringing van de grondrechten in de kerkelijke sfeer een reële en gevoelige zaak is.


De uitgever worde er in verband met een eventuele bij- of herdruk attent op gemaakt, dat de bij de inhoudsopgave vermelde paginering vanaf de 12e tot en met de 17e paragraaf niet klopt.
Tot slot zij opgemerkt dat blijkens het 'Woord vooraf' de voorbereiding van deze bundel in handen is geweest van de Werkgroep Nederlands Reformatorisch Kerkrecht. Het lijkt een omissie dat niet duidelijk gemaakt wordt hoe deze werkgroep geformeerd is, noch op welke autoriteit deze steunt.
Mijn positief-kritisch getinte kanttekeningen, die om tot hun recht te komen breder zouden verdienen uitgewerkt te worden, nemen niet weg dat ik persoonlijk verheugd ben over het verschijnen van dit boek in dit jaar, waarin Voetius 'de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht in Nederland' (Bakker) wordt herdacht, en dat ik de hoop uitspreek, dat de werkgroep nieuwe publikaties zal stimuleren.

mr. G. Holdijk, Apeldoorn

W. van 't Spijker en L. C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, 231 p., ƒ 37,50. Kok Kampen z.j. (1988).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kerkorde een zaak van juristen en theologen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's