Vrouw-zijn in de pastorie (1)
1. Vrouwen(-)vragen uit de pastorie
Recent verschenen meerdere studies over de predikant en het werk van de predikant. Eind 1988 viel de schijnwerper op de predikantsvrouw toen een publicatie het licht zag onder de titel: Vrouwen(-)vragen uit de pastorie. De nota is samengesteld door de Predikantsvrouwenadviescommissie. Deze commissie is begin zeventiger jaren ingesteld door de Bond van Nederlandse Predikanten en bestaat uit predikantsvrouwen.
Aanleiding tot het schrijven van de nota was het meer bekend worden van problemen binnen de pastorie. Met name de snelle toename van het aantal echtscheidingen onder predikantsechtparen blijkt onrustbarend. De predikantsvrouwenadviescommissie wil graag een bijdrage leveren aan de oplossing en preventie van pastorieproblemen. De nota geeft allereerst een uitgebreid overzicht van het ontstaan en het werk van de Predikantsvrouwenadviescommissie. Dat deze commissie zich zeer serieus kwijt van haar taak, blijkt wel uit het uitgebreide overzicht van kontakten met commissies en instanties die een raakvlak hebben met het werk van de vrouwenadviescommissie, zoals bijvoorbeeld het college van visitatorengeneraal.
Problemen
Problemen binnen de pastorie blijken in hoofdlijnen van tweeërlei aard te zijn: spanningen met een zakelijk karakter en moeilijkheden van meer emotionele aard.
Problemen die te maken hebben met het werk, betreffen dikwijls meningsverschillen tussen predikant en kerkeraad dan wel ruzie binnen de gemeente en/of kerkeraad. Maar ook het werk zèlf levert voor menige predikant een aantal problemen op. Te denken valt aan het zgn. 'beschikbaarheidssyndroom'. Het gevoel altijd beschikbaar te moeten zijn en toch het werk nooit af te hebben, kan alles-overheersend worden. Ook kan de verantwoordelijkheid jegens de gemeente op gespannen voet komen te staan met de zorg en de aandacht voor het gezin en zichzelf Zelfs signaleert men dat predikanten zozeer in hun werk kunnen opgaan, dat er wederzijdse vervreemding tussen de partners optreedt: een geleidelijk proces, dat – helaas – pas in crisissituaties openbaar komt. Als vijfde signaleert men gebrek aan dieper geestelijk kontakt; het ontbreken van een gezamenlijke geloofsbeleving. Tenslotte worden eenzaamheid en jaloezie bij de predikantsvrouw genoemd, waarbij in het laatste geval de gemeente als concurrent ervaren wordt.
Oorzaken
Na deze inventarisatie gaat de commissie in op oorzaken van de gesignaleerde problemen. Als hoofdoorzaak wordt de sterk veranderende samenleving genoemd. Dit veranderingsproces heeft zijn weerslag op de rol en de functie van de predikant. Ook stelt het hem voortdurend voor nieuwe problemen waar hij zich in moet verdiepen zoals echtscheiding, werkloosheid, opvoedingsvragen. Verder blijkt de werkdruk toe te nemen. Dit leidt gemakkelijk tot overbelasting en spanningen in de privésfeer. De commissie wijst erop, dat de oorzaken van de problemen veelal liggen in een complex van onderliggende faktoren. Het laatste gedeelte van de nota bevat een aantal voorstellen tot verbetering, waarmee pastoriebewoners geholpen zouden kunnen zijn. Allereerst denkt men aan preventie: voorlichting en toerusting tijdens de opleiding. Vervolgens aan begeleiding bij het dagelijks werk, bijvoorbeeld door een vorm van mentoraat en pastoraat voor predikanten. Tenslotte aan hulpverlening, waarbij het bij ernstige problemen mogelijk wordt zowel materieel als immaterieel hulp te bieden. Met name naar de kant van de opleiding en naar andere instanties worden een aantal waardevolle suggesties gedaan.
Samenvattend stellen we vast dat uit de nota warme bewogenheid met de pastoriebewoners straalt. Er wordt een eerlijke poging ondernomen om hulp te bieden waar maar mogelijk is. Als zodanig zal de commissie voor menige pastoriebewoonster een ferme steun in de rug betekenen, al was het alleen maar omdat problemen die men dikwijls min of meer vaag ervaart, benoemd en geanalyseerd worden. Deze positieve waardering neemt echter niet weg, dat ik toch met een aantal vragen blijf zitten. Daarop wil ik nu graag nader ingaan.
2. Vragen bij vrouwen-vragen
Na de beknopte weergave van de inhoud van de nota nu dus enkele – fundamentele – vragen, die daarbij mijns inziens te stellen zijn. De eerste is deze: hoe ziet en benadert men het werk van de predikant? Als 'werk-analyse' geeft de nota veel en waardevolle informatie, maar is een dergelijke analyse van het begin af aan al niet te 'ééndimensionaal'? Wie het predikantschap als 'beroep' gaat analyseren loopt het gevaar de dragende grond en diepste intenties ervan te missen. Temidden van alle problemen, vragen en verwarring in de hedendaagse samenleving bli/jft de predikant Verbi Divini Minister, 'van God Zelf geróepen'. Dat is ten diepste iets anders dan dat men een soort functionaris is in dienst van de gemeente. Gelukkig ontbreekt deze notie in de nota niet geheel. Er wordt immers aandacht gevraagd voor de eigen geloofsbeleving van de predikant en de noodzaak van een diep geestelijk kontakt tussen de pastoriebewoners. Maar werpt juist dit gegeven geen ànder licht op talrijke overige problemen? Men versta mij goed: eze invalshoek bedoelt geenszins die problemen te bagatelliseren of goedkoop op te lossen. Maar de benadering ervan zou anders te toonzetten zijn. Een tweede vraag betreft het pleidooi voor de opbouw van een eigen identiteit, met name ook van de predikantsvrouw. Wat wordt hiermee bedoeld? In de loop van de menselijke ontwikkeling, vooral wel tijdens de puberteit, ontwikkelt zich een bepaald zelfbeeld: het besef dat men iemand is, dat men zich als een bepaald iemand ziet. Daarmee samenhangend komt men tot het maken van eigen keuzes en dragen van eigen verantwoordelijkheid. Voor een gezond psychisch leven is het ontwikkelen van een eigen identiteit van groot belang. Richt men zich in een huwelijksrelatie zozeer op de ander, dat de eigen identiteit grotendeels opgaat in de (sterkere) partner, dan kan dit zowel de huwelijksrelatie als het persoonlijk functioneren enorm onder druk zetten. Zeker binnen de pastorie is het belangrijk dat de predikant niet alleen steun, maar ook een klankbord vindt in zijn echtgenote. Dat kan alleen wanneer zij ook in staat en bereid is kritisch het werk van haar man te begeleiden. '…Een hulp (…) die als tegen hem over zij' (Gen. 1 : 18). Echter: evenals 'vrijheid' in bijbelse zin altijd 'vrijheid-in-gebondenheid' betekent, heeft het identiteitsbegrip ook zijn beperkingen. Identiteits-(ontwikkeling) in bijbelse zijn kan nooit een autonoom iets zijn, maar valt ook onder de geboden èn beloften van God. Identiteitsontwikkeling los van de relatie tot God en de naaste, moet vroeg of laat wel leiden tot ik-gerichtheid en egoïsme. Daarom is voor alles ook bij het (verder) ontwikkelen van de eigen identiteit een regelmatige omgang met de Heilige Schrift en een persoonlijke omgang met God in gebed en meditatie nodig. Identiteitsontwikkeling los van bijbelse begrippen als dienstbaarheid, zelfverloochening, navolging, roeping leidt op den duur tot individualisme en autonoom denken en handelen. Daarom is de passage in de nota over de noodzaak van gezamenlijke geloofsbeleving en het zoeken en onderhouden van dieper geestelijk kontakt zo essentieel. Dat geheim te kennen ondersteunt het dagelijks werk, versterkt de huwelijksband en verlost de predikant van krampachtigheid.
De derde kanttekening bij de nota heeft betrekking op het uitgangspunt: een analyse van de problemen bij pastoriebewoners. Gezien de doelstelling van het werk van de vrouwenadviescommissie en de verontrustende signalen van toename van de problemen valt hier niets op af te dingen. Anderzijds laat zich de vraag stellen: biedt deze invalshoek niet wat weinig ruimte aan andere ervaringen? Hoeveel predikantsvrouwen mochten en mógen met vreugde en creativiteit in een pastorie leven en werken. Ook zij kenden en kennen zorgen en spanningen. Maar de gemeente werd en wordt niet steeds ervaren als 'de lastige indringer' of de concurrent. Hoeveel meeleven was en is er niet op allerlei wijzen en in velerlei vormen juist vanuit die gemeente. Ook predikantshuwelijken mochten en mógen harmonisch genoemd worden. Spreken en schrijven in algemene zin is hier vrijwel onmogelijk. Elke gemeente is weer verschillend. Iedere predikant weer anders geaard. Elke huwelijksrelatie heeft een eigen karakter.
Een andere vraag is in hoeverre bijvoorbeeld huwelijksproblemen door het pastorieleven worden veroorzaakt. Zou er niet meer sprake zijn van versterkende en verzwarende faktoren dan van oorzaken? Liggen deze niet veeleer zowel in het persoonlijk vlak alsook in ingrijpende ontwikkelingen binnen de samenleving, die ook een pastorie niet voorbij gaan? Pastorieproblemen dienen door alle betrokkenen serieus te worden genomen, niet in het minst door de kerk zelf, maar laten we de pastorievreugden en -zegeningen er niet door uit het oog verliezen…
G. Dekker-van der Kuil, Hendrik Ido Ambacht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's