De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Orthodoxe prediking
Op het eerste horen lijkt het in bovenstaand opschrift te gaan om wat we plegen te noemen rechtzinnige prediking, in de lijn van de Schrift en de gereformeerde belijdenis in onderscheid van wat we noemen vrijzinnige of moderne prediking. Echter, de titel bedoelt iets anders, nl. de prediking zoals die in de periode na 1560, de tijd na de eerste generatie van de reformatoren, te kenschetsen. We plegen dit tijdperk na 1560 aan te duiden als het tijdperk van de lutherse en gereformeerde orthodoxie. Een tijdvak, waarin de positie van de Reformatie verstevigd en verdedigd werd. De eerste die met die consolidatie, met die versteviging begonnen was, was Melanchthon, de vriend en medestander van Luther.
Prof. dr. C. Trimp geeft in het blad De Reformatie van 15 april een kenschets van deze orthodoxie. Hij wijst er op dat de behoefte ontstond om de leer van de Reformatoren te verdedigen ten overstaan van discussiepartners uit de eigen tijd. Zo ontstond geleidelijk aan een leersysteem waarbij men teruggreep op filosofische begrippen en denkvormen.

De kerk had daaraan dringend behoefte, want er waren veel tegensprekers. Dus grepen de meeste woordvoerders en hoogleraren terug op begrippen en denkvormen, die zijzelf destijds op de universiteit hadden geleerd. Wij noemen dat de terugkeer naar de scholastieke methode: het op schoolse wijze bezig zijn met de diverse onderwerpen, die in de leer aan de orde komen.
Praktisch betekende dat in veel opzichten: terugkeer naar de denkmethoden die in de middeleeuwen waren ontwikkeld. Thomas van Aquino, de grote leermeester van de roomse kerk, had ook onder de gereformeerde theologen veel autoriteit! G. Voetius en A. Kuyper bewijzen het genoegzaam. En er zouden heel wat meer namen te noemen zijn!
Wij zouden dit kunnen illustreren met een voorbeeld, dat wij ontlenen aan de onder ons goed bekend staande Zach. Ursinus (1534-1583) – de voornaamste auteur immers van de Heidelbergse Catechismus. Ursinus was afkomstig uit de lutherse kerk, had jaren gestudeerd in Wittenberg en wist zich leerling van Melanchthon. Hij had na zijn Wittenbergse tijd kennis gemaakt met de Zwitserse gereformeerden, met name met Bullinger in Zürich en Calvijn in Genève. In 1561 werd hij door de keurvorst van de Paltz naar Heidelberg geroepen om daar als theologisch hoogleraar bezig te zijn. Ursinus' toelichting op de Heidelbergse Catechismus heeft al eeuwenlang een goede plaats onder ons. Deze toelichting is opgenomen in het bekende Schatboek.
Wanneer in dit Schatboek b.v. de Middelaar (zondagen 5 en 6 Heid. Cat.) ter sprake komt, blijkt de behandeling van dit gewichtige onderwerp op deze wijze te verlopen.
'De voornaamste Questien van den Middelaar zyn deze.
I Wat een Middelaar zy.
II Of, en waarom ons een Middelaar nodig zy.
III Waar toe ons de Middelaar van noden zy, of wat zyn Ampt is.
IV Hoedanig een Middelaar ons nodig zy, of hoedanig hy wezen moet.
V Wie deze Middelaar zy.
VI Of er ook meer Middelaars konnen zyn als een.'
Elk van deze onderdelen wordt behandeld, kompleet met tegenwerpingen en beantwoording daarvan. Het hele onderwerp wordt door de behandeling van deze zes 'questien' ordelijk afgewerkt.
Dit soort behandeling is zeer zindelijk, vanwege de duidelijke onderscheiding van de begrippen. Zij is ook dor en droog en volstrekt afgestemd op de logische bewijsvoering. Het lijkt wel alsof de Middelaar een begrip is. Wie wel eens een gedeelte uit de Institutie van Calvijn las, zal terstond het verschil tussen Calvijn en Ursinus opmerken op het punt van de wijze van omgang met de stof.
Spreken wij over 'scholastiek', dan bedoelen wij dergelijke omgang met de gereformeerde leer, zoals wij die bij Ursinus aantroffen.
Nu zal het ons niet bijster verontrusten, wanneer studenten op deze manier hun dogmatiektentamen instuderen.
Maar wanneer deze methode ook de preekstoel zou veroveren, zouden wij toch terecht protesteren. Want de gemeente van Christus heeft aan dergelike schoolse behandeling geen behoefte; zij mag in de kerk iets anders en beters verwachten.

Scholastiek op de preekstoel
Een preek is wat anders dan een dogmatisch vertoog, al zal goede prediking de dogmatiek niet kunnen missen. Prof. Van Ruler vergeleek de verhouding dogmatiek en predilang op college wel eens met die tussen een lichaam en een geraamte. Zoals een lichaam een geraamte niet missen kan, zo kan de prediking het dogma niet missen, maar het is niet best, zei Van RuIer, wanneer de botten er uitsteken en je vel over been krijgt. Een preek mag niet ontaarden in een schoolse behandeling ven leerstukken, maar dient verkondiging te zijn van het levende Woord. Wat gebeurt er als die schoolse methode de preekstoel gaat veroveren?

Ongetwijfeld komen er prachtige, sluitende analyses tot stand. Zaken die in vroeger tijd onopgehelderd waren gebleven, worden nu duidelijk gemaakt, op hun plaats gezet en van passende namen voorzien. Er komt een verfijning tot stand op het gebied van de 'leerstellige waarheid'.
Maar tegelijk is de schade ook duidelijk. Er komen ook verwringingen tot stand. De dyna miek van de levende verkondiging moet plaats maken voor het dorre, strakke systeem. Alles staat op de rij, alles klopt, alles is even orthodox. Maar er zit geen hàrteklop in, er zit geen leven, geen appèl, geen aanspraak in. De leer verstrakt en verstijft en de gemeente krijgt met al dit soort orthodoxie toch (orthodoxe) stenen voor brood. Zij gaat dus honger lijden. Straks gaat zij klagen en tegenmaatregelen nemen.
Ook al beseffen wij dat wij in ons overzicht slechts een schets kunnen geven en geen recht kunnen doen aan de gevarieerdheid, die er destijds ook ongetwijfeld in de prediking is geweest – wij kunnen, globaal gesproken, toch wel één duidelijke konklusie voor onszelf trekken:
de prediking in de gereformeerde kerken bevindt zich in de tijd van de orthodoxie in het algemeen op lager niveau dan de prediking van de reformatoren, ondanks al de geleerdheid en retorische kompleetheid van de orthodoxe prediking.
Wij willen dit op een paar punten illustreren.
a. Wanneer Calvijn zegt dat de Heilige Schrift het diktaat van de Heilige Geest is, gaat het hem om de volstrekte betrouwbaarheid van de Schriften. Wanneer een mens de regeling van zijn erfenis zorgvuldig dikteert aan de notaris en de notaris deze wilsbeschikking nauwkeurig vastlegt in het testament, is dit gedikteerde testament rechtskrachtig en betrouwbaar.
Zo mogen wij in het geloof omgaan met Gods beloftewoord, dat in de Heilige Schrift naar ons toekomt. Het ging Calvijn dus om het betrouwbaar resultaat van het werk van de Heilige Geest. Maar in de scholastieke orthodoxie ging men de procedure, de wijze van dikteren, napluizen en kwam toen, door tegenstanders geprovoceerd, onvermijdelijk uit bij de leer dat de Heilige Geest woord voor woord de bijbeltekst heeft voorgezegd en de bijbelschrijver als een soort mechanische schrijfmachine heeft gehanteerd. Zelfs ging men zover dat de Heilige Geest de punten en de komma's, de tittels en de jota's van de Hebreeuwse (masoretische) tekstoverlevering zou hebben ingegeven.
b. Wanneer Calvijn spreekt over de 'leer', spreekt hij over een glanzende zaak. Opgetogen kon hij daarover schrijven, want hij was geïmponeerd door het geschenk van de 'hemelse leer'. Calvijn dacht dan aan het wonder van Gods zelfopenbaring vanaf oude tijden, aan het geschenk van de Heilige Schrift en aan de prediking van de kerk, waarin God de mens rechtstreeks aanspreekt en de geloofskennis van de belofte aan de zondaar wil schenken. Ook kon Calvijn in dat verband denken aan de belijdenis van de kerk, die overeenkomstig de Schriften spreekt.
Maar dit uiterst buigzame en glanzende woord 'leer' verstrakt in de zeventiende eeuw. Het gaat aanduiden het geheel van bovennatuurlijke waarheden, waarin Gods geopenbaarde gedachten hun neerslag hebben gevonden. 'Leer' wordt een zaak die toegankelijk is voor het menselijk intellekt en door redelijke argumenten zich kan laten beschermen. Er komt op die manier een soort intellektualistisch waas over dit begrip te hangen. Met name de catechismusprediking wordt daardoor erg schools en ook in de zgn. 'vrije stof'-prediking worden de bijbelverhalen tot opstap voor een uiteenzetting van een bepaalde dogmatische of ethische 'waarheid'. Niet de historische plaats, maar de leerstellige waarde van een bijbelverhaal wordt naar voren gehaald.
Hier ligt binnen de geschiedenis van de gereformeerde prediking het begin van het reduceren van bijbelverhalen tot illustratie van 'waarheden'.

Ook het geloof wordt op een andere wijze ter sprake gebracht. Ieder begrijpt van welk een grote invloed dat is. Immers, er is een onlosmakelijk verband tussen prediking en geloof. Door het geloof krijgen we deel aan het heil in Christus. Wat betekent de schoolse methode voor het spreken over het geloof?

c. Wanneer de zaak van het geloof ter sprake kwam, werd ook deze wezenlijke zaak aan de gemeenteleden voorgesteld in strakke, starre en schoolse termen. Men stelde – het als in de middeleeuwen! – het geloof voor als een menselijke deugd van boven-natuurlijke oorsprong en ontwierp gedachtengangen die ons de inplanting, de aard en de funktionering van het geloof moesten duidelijk maken. Tot in onze eeuw hebben de gereformeerden gesproken en getwist over de 'kiem' (inplanting), de 'hebbelijkheid' (aard) en de 'dadelijkheid' (funktionering) van het geloof!
Om nog een keer tot Ursinus terug te keren: wanneer hij bij zondag 7 ons de aard van het geloof gaat uitleggen, zegt hij het volgende.
'Hier van zyn deze byzondere Questien.
I Wat geloove in 't gemeen zy.
II Van hoe velerley Geloove in de H. Schrift gesproken wordt.
III Waar in de soorten des Geloofs onderscheiden zyn.
IV Wat onderscheid dat er zy tusschen het Geloove en de Hope.
V Waar door het regtveerdig makend Geloove in ons gewrocht wordt.
VI Wat het Geloove in ons werkt en voortbrengt.
VII Of het Geloove alle Menschen gegeven wordt, of alleen zommige.'
Al deze verschuivingen in manier van behandelen en omgaan met schriftgegevens hebben vanzelfsprekend niet nagelaten de prediking te beïnvloeden.
Dachten de reformatoren bij 'preek' aan het feit dat het heil van God in Christus door de Geest wordt bediend in de verkondiging van de belofte – thans werd de preek in veel opzichten informatief. De boodschap werd tot mededeling, de bediening van het Woord tot uiteenzetting omtrent bovennatuurlijke waarheden. De preek werd 'leer-rede', waarin een systeem van waarheden werd overgedragen, soms kompleet voorzien van alle argumenten van en contra-argumenten tegen de tegenstanders van de ware loer. Ook kon de gemeente nog getrakteerd worden op de vele spitsvondigheden van menig theologisch dispuut.

Trimp schrijft dat op het Convent van Wesel in 1568 er met nadruk op gewezen was, dat men in de prediking 'naar de mate van de ontvangen gave van de Heilige Geest zal trachten de Schrift zo duidelijk mogelijk uit te leggen en dat met een wijze van spreken die zo gepast mogelijk is voor de bevatting der hoorders'. Wijdlopigheid, ijdele bespiegelingen, spitsvondigheden worden in Wesel fel veroordeeld.
Maar te vrezen is dat de waarschuwing niet door ieder gehoord is. Trimp signaleert een grote schade die door dit type prediking wordt aangericht.

Het zal de lezer duidelijk zijn geworden dat dergelijke prediking niet in staat is het hart van de mens te raken en tot geloof en liefde te bewegen. Kerken waarin dit soort prediking werd gehouden, werden wèl geïnformeerd over en rondgeleid langs de rijke inventaris van het gereformeerde leer-gebouw, maar het was geen áánspraak van de mens, geen belofte van het evangelie. Wat men zei, was vaak waar. Het was maar al te waar. Maar het was niet de waarheid van het geloof, het was geen brood voor het hart. Het was een objektieve waarheid, die logisch-rationeel werd voorgedragen. Bij dergelijke waarheid kan de gemeente niet leven.
De les van de geschiedenis is dat de kerk en de prediking niet slechts aan de ketterij, maar ook aan haar eigen orthodoxie kunnen bezwijken en ten onder gaan. Omdat déze orthodoxie dood is – hard als steen en taai als leer.

Reaktie
De reaktie liet dan ook niet op zich wachten. De Nadere Reformatie poogde tegenover deze rationele leerstelligheid de prediking te vernieuwen waarbij hun doelstelling was de persoonlijke ontmoeting met de levende God en zij tegenover scholastieke orthodoxie nadruk legden op de noodzaak van de omgang met God en de heiliging van het leven.
Trimp wijst er in het nummer van 22 april op hoe de prediking van de Nedere Reformatie een sterk pastorale inslag had. Dat is stellig haar kracht geweest. Het valt buiten het bestek van deze persschouw hier verder op in te gaan. We zouden dan moeten gaan spreken over de achtergronden van de Nadere Reformatie, haar verhouding tot de Reformatie, de samenhang met de cultuur waarin haar vertegenwoordigers leefden, en vooral ook de vraag of deze beweging tegenover de orthodoxe Scholastiek werkelijk een terugkeer betekende tot de levende verkondiging van de Schrift. Het onderzoek van deze belangrijke stroming in de kerkgeschiedenis van ons vaderland leert immers dat men ten aanzien van deze beweging – zeker waar het de prediking betreft – kan spreken van licht- en schaduwzijden. De geschiedenis van de prediking in de verschillende perioden van de kerk blijft een boeiende aangelegenheid. Wie preken leest en bestudeert uit verschillende eeuwen, ontdekt hoe verschillend van karakter en toonzetting de reformatorische prediking de eeuwen door is geweest. Dat is geen wonder, want juist in de preek, die echt aktuele prediking wil zijn in de bijbelse zin, wordt er naar gestreefd het Woord te laten klinken in de situatie van de hoorder tot wie dat Woord komt.

A.N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's