Luthers uitleg van Psalm 51 (1)
Op de zogenaamde 'theologische avond', georganiseerd door boekhandel Lindenberg in verband met het veertig-jarig bestaan van zijn zaak, op dinsdag 18 april jl., werd door mij een lezing verzorgd over het bovenstaande onderwerp: Luthers uitleg van Psalm 51. Nadien is mij door enkele vrienden gevraagd deze lezing bredere bekendheid te geven door haar af te laten drukken in De Waarheidsvriend. Aan dat verzoek voldoe ik bij dezen. Omdat artikelen wat anders zijn dan een lezing, heb ik hier en daar wat veranderd.
Hoofdsom
Luthers uitleg van Psalm 51, die nu voor het eerst in Nederlandse vertaling vóór ons ligt, betekent in het geheel van Luthers werken weliswaar niet iets geheel nieuws, maar biedt wel een zekere samenvatting van heel zijn heilsleer, waarbij bovendien op bepaalde aspecten daarvan een nadruk wordt gelegd die wij in andere geschriften van Luther slechts zelden tegenkomen.
Het is te begrijpen dat Hermann Kleinknecht, die in 1983 een Duitse vertaling van dit geschrift verzorgde, dat boek Ein Grundkurs des christlichen Glaubens (Claudius Verlag, München) durfde noemen. Al wat de kern en het wezen van het christelijke geloof uitmaakt, vindt men in dit geschrift vertolkt. Heel Luthers theologie vindt men er als in een Summa in samengevat.
Psalm 51 is – zoals bekend is – een van de zeven boetepsalmen. De psalmen en daaronder vooral de boetepsalmen hebben Luther in zijn leven steeds erg bezig gehouden.
Commentaren
Het blijkt uit Luthers uitleg zelf dat hij ook commentaren van anderen op Psalm 51 heeft gekend. Zonder namen van bepaalde kerkvaders te noemen bemerken wij dat hij hun commentaren op het Psalmboek bestudeerd had. Of hij er ook veel aan gehad heeft, valt te betwijfelen, Luther is een geheel eigen weg gegaan.
Een naam die hij wel enkele malen noemt, is die van kardinaal Sadoletus, bisschop van Carpentras (Zuid-Frankrijk). Deze humanistisch getinte roomse prelaat had wat luchtig en speels, en geheel in de stijl der humanisten, maar in Luthers ogen meer spottend dan ernstig, over Psalm 51, juist zulk een diepgaande psalm, geschreven. Dat Sadoletus' commentaar Luther niet voldeed is te begrijpen. Zij wekte zijn verontwaardiging en kritiek.
Savonarola
Naast al deze commentaren moet Luther in elk geval er nog één gekend hebben, namelijk die van Girolamo Savonarola. Negen jaar vóór hij in 1532, zijn eigen boek liet verschijnen, dus in 1523, had hijzelf Savonarola's uitleg in Duitsland het licht doen zien. Savonarola, een dominicanermonnik, een Italiaanse boeteprediker, had gedurende enkele jaren heel het wufte Florence met zijn donderende prediking in de ban gehad. Toen zijn rol was uitgespeeld en hij in de gevangenis werd geworpen, schreef hij daar onder andere een stichtelijke uitleg over Psalm 51. Na zijn terechtstelling op 23 mei 1498 vond het boekje al spoedig zijn weg in de christenheid van die dagen. De vele Latijnse, Italiaanse en Duitse uitgaven in die tijd leggen daarvan getuigenis af. Ook Luther las het en het boeide hem zozeer, dat hij er zorg voor droeg dat een Latijnse uitgave in Duitsland verscheen, door hemzelf van een Voorwoord voorzien.
Interessant is het kennis te nemen van Luthers oordeel over dit laatmiddeleeuws stichtelijk werk. In zijn Voorwoord betuigt Luther allereerst dat het hem niet onbekend was dat aan de schoenen van Savonarola nog 'enige drek', namelijk van 'een menselijke theologie', was blijven hangen, waarmee ook Savonarola veel tijd verknoeid heeft. Máár, zegt Luther vervolgens, in deze meditaties hoort u desniettemin een christen spreken, die vertrouwt op de barmhartigheid Gods! Wij vinden bij hem het borstwapen der gerechtigheid en de helm des geloofs. Niet als een dominicanermonnik (al was hij dat óók) spreekt hij hier, maar als een lid van een heel andere orde, de ordo christianorum, de orde der christenen, dus als een gewoon christenmens. De antichrist – voor Luther het pausdom – heeft getracht zijn gedachtenis uit te roeien, maar Christus heeft hem, de papisten ten spijt, 'gecanoniseerd'.
Uit deze enkele opmerkingen is wel duidelijk dat Luther in Savonarola een medestrijder heeft gezien in de strijd die hij zelf te strijden had tegen het pausdom. Het is hem niet ontgaan dat Savonarole, die als het ware op de drempel van de Reformatietijd stond, nog lang niet vrij was van alle smetten van de middeleeuwse theologie, die Luther een louter mènselijke theologie noemde, en waartegen hij zich in zijn eigen commentaar menigmaal heeft afgezet. In het geval van Savonarola zullen wij daarbij moeten denken aan de theologie van Thomas van Aquino (1225-1274), omdat Savonarola als dominicaan, in diens traditie stond. Maar tegelijk beluisterde Luther in de meditaties toch ook een ànder geluid, dat hem aansprak. Savonarola behoorde volgens hem tot twee orden, tot de orde der dominicanen, maar ook tot de 'orde' der gewone christenen, doordat er in hem – in de gevangenis – vertrouwen was op de barmhartigheid Gods in Christus. De orde der dominicanen bekoorde Luther niet, integendeel, de gewone orde der christenen des te meer. Vanuit dit gezichtspunt moet Luther de meditaties van Savonarola positief hebben beoordeeld.
Des te meer is het echter opvallend dat Luther toch die meditaties in zijn uitleg van Psalm 51 nergens met zoveel woorden noemt. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Is Luther wellicht later óók ten aanzien van de meditaties van Savonarola critischer geworden?
Het zou de moeite waard zijn wanneer iemand eens beide uitleggingen, die van Savonarola en die van Luther, naast elkaar legde en dan naging of en waar er overeenkomsten te bespeuren zijn. Voorzover ik weet is dat nog nooit gebeurd.
Tijdsomstandigheden
Een tweede zaak die ik aan de orde wil stellen betreft de tijdsomstandigheden waaronder Luther Psalm 51 met zijn studenten, in de collegezaal, behandelde en nadien die behandeling als boek het licht deed zien. In verband daarmee zijn een tweetal zaken te noemen.
Galatenbrief
Ten eerste, toen Luther in 1532 zijn boek over Psalm 51 liet verschijnen, had hij nog maar sinds kort zijn grote commentaar op de Galatenbrief voltooid. Paulus' brief aan de Galaten, aan christenen die hun christelijke vrijheid dreigden in te ruilen voor een opnieuw op zich nemen van het juk der wet, heeft Luther, in zijn omstandigheden, bijzonder aangesproken. Reeds in 1519 had hij deze Brief met zijn studenten behandeld, daaruit resulteerde toen een betrekkelijk klein commentaar. In latere jaren wijdde Luther zich opnieuw aan dezelfde taak. Op een indrukwekkende wijze heeft hij in dit boek getuigenis afgelegd van zijn leer van de rechtvaardiging van de zondaar voor het aangezicht Gods, door het geloof alleen. De dreiging van het evangelie een nieuwe wet te maken, heeft Luther ook in de kerk van zijn dagen geconstateerd, of beter gezegd: hij zag haar overal realiteit worden. Nog altijd is Luthers uitleg van de Galaten een van zijn hoofdwerken. Wij hopen dat nog eens een goede vertaling, uit het Latijn (dus niet een vertaling van een vertaling) van dit magistrale werk in het Nederlands het licht zal zien.
En zie, toen, dat wil zeggen kort daarop, zette Luther zich tot het uitleggen van Psalm 51. Steeds worden wij in zijn uitleg van Psalm 51 herinnerd aan zijn commentaar op de Galatenbrief. Luther was nog steeds niet los van zijn thema. Naar ik vermoed heeft hij bewust gekozen voor deze Psalm om stof voor zijn colleges te bieden, nadat hij het grote werk aan de Galatenbrief voltooid had. Ook David, zo diep gevallen, door zijn zonde met Bathseba en doodslag van Uria, zocht en vond vergeving van zonden, rustte op de barmhartigheid Gods alleen. Hij werd door het geloof gerechtvaardigd.
In zekere zin zou men David het contrabeeld van de Galaten kunnen noemen, die door Paulus 'uitzinnig' zijn genoemd, omdat zij betoverd waren door de wetsleraren. Zij probeerden het opnieuw met de wet, maar David kwam juist van onder de wet opnieuw tot de barmhartigheid Gods in Christus. De Galaten dreigden van de troost van het evangelie te vervreemden, David daarentegen vónd de troost van het evangelie. Zo lijkt er dus een zekere, ondergrondse verbinding te bestaan, al heeft Luther zelf die niet met zoveel woorden aangeduid, tussen zijn commentaar op de Galatenbrief en zijn onmiddellijk daarop volgend commentaar op Psalm 51.
Antinomisme
Ten tweede, in de dertiger jaren van de Reformatie-eeuw heeft Luther in eigen kring in toenemende mate te maken gekregen met een zeker antinomisme. Hoewel de eigenlijke strijd daarover pas losgebarsten is enkele jaren nadat Luther Psalm 51 had uitgelegd, kunnen wij er toch wel zeker van zijn dat de eerste tekenen van dit antinomisme zich al eerder openbaarden.
Het was voor Luther iets geheel nieuws. Het is waar dat Luther in bepaalde verbanden zich meer dan eens negatief had uitgelaten over de Wet. Maar dan gold dat toch altijd een verkeerd begrepen wet!
Niet de werken der wet rechtvaardigen ons, maar alleen het geloof in het evangelie van Gods genade in Christus. Een op zichzelf gestelde, verzelfstandigde wetsprediking had Luther hartstochtelijk van de hand gewezen. Hij preekte vrij en onbekrompen het evangelie. Daarvan was in de christenheid van die dagen een bevrijdende werking uitgegaan. Het behoorde tot de stijl, maar ook tot de theologie van Luther dat hij in bepaalde verbanden wet en evangelie scherp tegenover elkaar kon stellen. Soms kwam hij dan tot krasse uitspraken, als: Sla Mozes (de wet) dood!
Toch had Luther nooit daarmee bedoeld Gods wet als zodanig aan te vallen, of de wet geheel buiten spel te zetten. Integendeel. Hij wist maar al te goed welk een functie de wet heeft, en ook moet hebben, in het christenleven.
Als Luther zich negatief uitliet over de wet, dan had hij steeds christenen in aanvechting voor ogen. Gaat de wet optreden als een macht die ons van Christus weerhoudt, stookt de wet ons op tot twijfel aan Gods genade, is zij instrument in de hand van de duivel om ons een karikatuur van God, die zo gaarne ons in Christus genadig wil zijn, in te prenten – dàn, in zulk een aanvechting, moet de christen de Wet (Mozes) doodslaan.
Maar daarmee is niet bedoeld dat het evangelie – om zo te zeggen – het alléén aan kan. Ook de wet is nodig! Het is de eigenlijke aard van het evangelie om de mens van zonde te overtuigen, als zij dat toch doet dan is dat haar vreemde werk; haar eigenlijke werk is troosten, genade beloven en schenken. Voor het overtuigen van de zonden is de Wet nodig. Zij kan niet worden gemist.
Dat is het wat Luther gehandhaafd heeft tegenover een in eigen kring opkomende antinomistische richting. Ten onrechte trokken de antinomisten uit Luthers prediking de conclusie dat de wet in de heilsleer gemist kon worden, dat zij geen enkele functie meer zou hebben. Alleen op het stadhuis lieten de antinomisten de wet dan nog in ere.
En wat zien wij nu in Luthers uitleg van Psalm 51? Luther laat hierin zien, hoe nodig en nuttig de wet geweest is in het leven van David, na zijn zware val en zonde. Door de wet is de kennis der zonde! De wet brengt tot boetvaardigheid. Luther heeft in dit commentaar de noodzaak van die boetvaardigheid sterk benadrukt. Wat wij elders in zijn geschriften niet zo sterk tegenkomen, dat vinden wij hier, namelijk dat een gevoelig leedwezen over de zonde nodig is. Ziehier, hoe de tijdsomstandigheden mede de inhoud van Luthers uitleg op Psalm 51 hebben bepaald.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's