Boekbespreking
Gerard Rothuizen, Uiterste innigheid. Ter gedachtenis. Uitgeverij Ten Have B.V., Baarn; 79 blz.; ƒ 14,50.
Rothuizen is tot het laatste, het grote Nieuwe, toe blijven schrijven. Ik ben bijzonder dankbaar dat dit bundeltje verschenen is.
Heel bescheiden, in 21/2bladzijde, spreekt Gerard Rothuizen over de wijze waarop hij de nadering van zijn sterven beleefd heeft, en dat zit dan nog bescheiden verstopt – geheel in zijn geest – als het vierde stukje van de acht die dit boekje vullen.
Dit bundeltje toont ons Rothuizen zoals hij altijd en tot aan het nieuwe begin toe geweest is: erudiet, springerig, belezen, hoogst origineel en sterk cultureel begaafd, relativerend en altijd existentieel en spiritueel.
Het vraaggesprek waarmee het boekje inzet, is niet alleen een meesterlijk staaltje van journalistiek – zo niet dan was Rothuizen nooit zo eigen uit de verf gekomen – maar ook een volkomen ontkrampte en humoristische verslaglegging van Rothuizen zelf over zijn eigen leven en theologie. Rothuizen is nooit van Bonhöffer losgekomen, niet van de Bonhöffer zoals hij postuum gemaakt werd, maar van de Bonhöffer die hij wàs: de vrome mens die vanuit Pasen niet eerst aan het leven na dit leven dacht, maar aan zijn eigen leven en opdracht, in.dit Vorletzte, en aan de goedheid Gods daarin.
De andere, kleinere artikeltjes moet inen ook gewoon zelf lezen. Ik ken niemand die zo origineel schrijven kan. Ondoorzichtig vaak, of met een dubbele bodem, of een verborgen grap, vaak verbanden leggend die heel niet horen en daarom meer openbarend zijn over de schrijver dan over het onderwerp.
Rothuizen heeft gelijk: de wereld staat vanwege hem niet stil. Zijn opvolger is al in functie. Een ander type mens, zijn publikaties kennende. Misschien wel veel systematischer. Maar hopelijk ook niet zonder eigen spiritualiteit. Die is nodig in de theologie.
De Here heeft Rothuizen gebruikt. Men kan weten dat ik meerdere malen met hem openlijk van mening verschilde. Gelukkig zit onze God niet in de eerste plaats verlegen om mensen die gelijk hebben, maar om hen die van Hem geleerd zijn. Wat Rothuizen van Hem geleerd heeft, staat ook in dit boekje.
S. Meijers, Leiden
Prof. dr. J. Veenhof, Nieuwe vormen van spiritualiteit. 25 blz.; VU-Iezing nr. 4; uitgave: Afdeling Public Relations en Voorlichting te Amsterdam, november 1988.
Prof. Veenhof heeft deze lezing een tweetal malen gehouden op bijeenkomsten die door de VU-vereniging belegd worden, en nu is ze gepubliceerd.
De schrijver signaleert dat in de calvinistische traditie een onvermogen tot zelfvertrouwen en daarom ook tot zelfexpressie is gegroeid, onder de druk van de prediking van de onbekwaamheid van de mens tot enig goed. Hij pleit ervoor dat, met behoud van datgene wat in iedere kerkdienst onopgeefbaar is, er een nieuwe vorm van prediking zal ontstaan, niet geënt op de ouder (de prediker)/kind (de gemeente)relatie, maar als een communicatie tussen volwassenen. Dan zal het ook mogelijk worden dat de kerkganger in de prediker een mens ontmoet van zijn eigen niveau zodat hij via hem zijn eigen levensverhaal terug kan vinden in de verhalen van de bijbel die worden uitgelegd.
Daarnaast mag er plaats zijn voor symboliek in de eredienst, voor een breuk met de reformatorische kaalheid in onze kerken, en vooral voor kleine, vrije groepen, voor retraites en, in de kerkdienst, voor meer emotionaliteit.
Veel van datgene waarvoor de schrijver pleit is ons sympathiek, en is zelfs legitiem, maar o.i. is er een grondvraag die niet uit de verf komt, en waarop het antwoord bepalend is voor de eigensoortigheid van de kerkdienst: is het nl. waar dat de belijdenis van de zondigheid van de mens per definitie de creativiteit dooddrukt? Is het niet juist de prediking van de vrije genade en van de rechtvaardiging van de mens zoals hij is, en van de mens die hij is, die in Veenhofs verlangen ruimschoots voorziet? Een prediking waarin solidair, authentiek en met invoelingsvermogen gesproken wordt, omdat de inhoud ervan niet autoritair van bovenaf maar wel van buiten uit op ons aankomt? Is met het toevallen daarvan niet heel ons bestaan op nieuwe voeten gezet?
Nu krijgen we een beetje de indruk dat de Geest goed moet maken wat de belijdenis van onze onbekwaamheid bedorven heeft. Moet de geweldige ruimte van het door-God-aanvaard-worden zoals-we-zijn alleen gewonnen worden uit het werken van de Geest, of zit deze al in de rechtvaardiging van meet af aan in? Wij kiezen voor beide. Maar dat betekent dan ook dat de prediking onomwonden van buitenaf op ons aan zal moeten blijven komen. Niet autoritair, daar heeft Veenhof gelijk in, maar ook niet anti-autoritair, want dit dilemma is misleidend.
S. Meijers, Leiden
Vincent Brümmer, Over een persoonlijke God gesproken, studies in de wijsgerige theologie. Kok Agora, 1988, Kampen; 182 blz.
Prof. Brümmer is hoogleraar in de godsdienstwijsbegeerte te Utrecht. Dit betekent dat hij de wijsgerige theologie beoefent. Hij doet dit aan de hand van de uit de Angelsaksische wereld afkomstige begripsanalyse.
Het begrip wijsgerige theologie kan de indruk wekken dat men bezig is om datgene wat men alleen uit openbaring te weten kan komen, te bewijzen. Dit zou dan inhouden dat God onderworpen zou zijn aan de overmacht van ons denkvermogen: we zouden een verstandelijke God hebben. Dit is niet de weg die Brümmer, als de gelovige die hij is, wil gaan. Hij gaat uit van de grondbegrippen waarvan het geloof zich bedient en stelt dan de vraag of deze begrippen inderdaad zeggen wat ze bedoelen te zeggen, en of datgene wat bedoeld wordt niet beter op een àndere manier kan worden gezegd. Zo kan men de godsdienstwijsbegeerte een reflexie noemen op de manier waarop het geloof zich uit wanneer het spreekt over zijn inhoud, de inhoud waar dat geloof aan hangt.
Zo komt in het raam van de wijsgerige theologie niet alleen de manier waarop gesproken wordt in de theologie aan de orde, maar ook de inhoud waarvàn wordt getuigd. Daarbij neemt men dan wèl een risico, want hoe licht wordt kritiek op de manier-van-zeggen niet tot kritiek op de inhoud van hetgeen gezegd wórdt. Brümmer wil echter met zijn wijsgerige theologie dienend bezig zijn met het inhoudelijk belijden der kerk. Heeft hij zich hieraan altijd kunnen houden?
De grondovertuiging die dit boek draagt is dat God Persoon is en dat Hij als zodanig met de mens omgaat. Keerzijde is dan, dat ook de mens persoon is. Met dit persoon zijn is vrijheid gegeven. Betekent nu vrijheid bij God ook dat Hij de mens kwaad kan doen? Of betekent vrijheid bij de mens ook dat hij in staat is Gods genade te weerstaan?
Bij deze laatste vraag zal men zich ongetwijfeld de discussie herinneren in het tijdschrift Theologia Reformata tussen de schrijver en prof. dr. C. Graafland, naar aanleiding van formuleringen uit de Dordtse Leerregels. Het derde hoofdstuk van Brümmers boek geeft op deze discussie nog een aanvulling. Het blijkt dan o.i. dat het gelijk toch meer aan de kant van Graafland lag dan aan die van Brümmer. Brümmer heeft gelijk wanneer hij Graafland verwijt dat deze de mogelijkheden van het materiaal dat Dordt gebruikt, overschat, ook al konden onze vaderen dat niet helpen, want ze hadden geen ander materiaal. Zo wint Brümmer op het punt van de analyse en de ontoereikendheid van het gebruikte begrippenmateriaal. Graafland wint echter inhoudelijk, want Brümmer herleidt onze weerstand tegen Gods genade niet alleen op de mens-als-zondaar – wat juist de bedoeling van Dordt is – maar ook op de mens als persoon. Daar zit iets van de vrije wil in.
Zouden wij aan dit boekje van Brümmer niet de waarschuwing overhouden dat analyse van begrippen nooit een waardevrije bezigheid is, maar altijd ook een eigen interpretatie van deze begrippen veronderstelt, en dat deze interpretatie zich dan op zijn beurt weer aan de openbaring kan opdringen?
S. Meijers, Leiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's