Pinksteren (2)
En als ze dit hoorden, werden ze verslagen in het hart en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: wat zullen we doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: bekeert u.Hand. 2 : 37, 38
In de tekst boven deze meditatie vinden we de uitwerking van de prediking van Petrus, direkt na de uitstorting van de Heilige Geest. Ze werden verslagen in het hart.
Met deze hoorders van de pinksterprediking is het verder gekomen. Ze werden verslagen in het hart. Dit heeft de betekenis: ze werden doorstoken. Er kwam een vlijmende pijn in hun ziel. Dat was de vrucht van het levendmakend werk van de Heilige Geest. Dat was nog niet de inwoning van de Heilige Geest, zoals die plaats gevonden had in de harten van die 120 discipelen van Jezus. Het was al wel de overtuigende werking van de Heilige Geest. Door middel van de prediking van Petrus was de Heilige Geest bezig om deze joodse mensen in Jeruzalem als het ware voor de rechterstoel te trekken en hen daarin staat van beschuldiging te stellen, dat ze Jezus, de Messias, door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis hadden gehecht en gedood. Dat de Heilige Geest zo overtuigt door middel van de prediking, dat hebben we als gemeente en predikanten nodig. Dan gebeurt er wat door de prediking. Dan worden we overtuigd van de vijandschap van ons natuurlijk hart tegenover God en Christus. Deze vijandschap moet opengelegd worden, die moet gepredikt worden. In de prediking van Petrus hebben de luisteraars dat kunnen horen. Die Joodse luisteraars, die zo sterk uitzagen naar de komst van de Messias, die hoorden dat Jezus van Nazareth deze Messias was.
Dat bleek immers daaruit, dat deze Jezus gedood was en begraven, maar dat God Zelf Hem opgewekt had en dat Hij ten hemel gevaren was.
En dat Hij nu uitgestort had, wat ze hoorden en zagen in die wonderbare tekenen. En de Heilige Geest legde zulk een overtuigende kracht in de prediking van Petrus, dat ze overtuigd werden: Jezus is werkelijk de beloofde Messias. Toen kwam het in volle zwaarte af op de hoorders van Petrus: wij hebben onze van God gegeven Messias vermoord.
Ze werken 'doorstoken' van schrik en berouw. En dit moeten we allen leren belijden: ik heb door mijn zonden Jezus dat kruislijden aangedaan. Ik heb ook geroepen: kruist Hem! Waarom toch?
Omdat Hij ons eerlijk zegt, wie we zijn en wat we gedaan hebben; omdat Hij zo eerlijk en scherp door alle camouflage heen kijkt tot diep in ons hart. Deze mensen werden er verslagen over. U ook, lezer?
Als u moet zeggen: neen, daar weet ik niet van – smeekt u de Heere of Hij het u door Zijn Geest wil leren net als die mensen uit de tekst.
Zij werden verslagen in het hart niet door eigen inspanning, maar door de Heilige Geest. Maar van deze mensen lezen we ook, dat ze het in die verslagenheid niet uit konden houden. Ze vroegen: wat zullen we doen, mannen broeders? Als de Heilige Geest ons overtuigt, weten we het niet meer.
Dan gaan we vragen om nader onderwijs. En dan krijgen we ook antwoord. Leest u de tekst maar. Het antwoord van Petrus was: bekeert u!
De eis tot bekering. Hij zei niet tot deze verslagen mensen: weest u maar niet ongerust. Petrus stelde deze verslagen, echt bekommerde mensen de eis tot bekering. Er moest wat gebeuren in hun leven. Het kon bij de verslagenheid niet blijven. Bekeert u. Hier staat voor 'bekeert' u een woord, dat aanduidt de verandering, de vernieuwing tot in het diepst van ons bestaan, de vernieuwing van ons 'denken'. Deze omzetting moet een keer beginnen, maar die gaat daarna nog door in de dagelijkse bekering. Bekeert u, zei Petrus. Datzelfde had Johannes de Doper gepredikt en Jezus Zelf. De mensen uit het volk Israël hoorden dat telkens weer.
Velen in Israël hebben zich eertijds geërgerd aan de prediking van de bekering door Johannes, door Jezus. Daar liepen ze bij vandaan.
Maar telkens hoorden ze het.
En op de Pinksterdag, die vreemde dag, met die vreemde tekenen en wonderen hoorden ze er weer van: bekeert u!
Het is groot, als er die eenheid in de prediking is, dat we dat overal horen, waar we ook komen: bekeert u!
Iemand zegt: ja, maar dat kan ik niet. En toch laten we het zo staan. De Heere heeft er recht op, dat we ons bekeren. De oude vijandschap van ons natuurlijk bestaan kan zo niet doorgaan. Die moet afgelegd worden. Bekeert u: daar bent u nooit te jong voor en ook niet te oud.
Dat deze eis tot bekering ons gesteld wordt, daaruit blijkt, dat de Heere ons nog niet afgeschreven heeft. De deur der genade is nog niet dicht.
Bekeert u: Dat wordt nu gezegd tot mensen, die in de doop het teken van het verbond ontvingen. Al zijn we gedoopt, al deden we belijdenis, dat is nog niet de waarborg, dat we tot bekering kwamen.
Begint niet te zeggen: wij hebben Abraham tot een vader, wij zijn gedoopte mensen. Begint u dat niet te zeggen als u voor de eis tot bekering komt te staan. Het moet toch voor iedereen in de bekering komen tot de oprechte droefheid over onze zonden en de wederkeer tot: God, die we verlaten hebben.
Kunt u het niet? U bekeren?
Denkt u er dan eens aan, dat God het is, die in Zijn barmhartigheid u deze eis stelt. Hij die tegelijk Zelf wil werken, wat u niet kunt.
Zegt u het Hem dan, dat u dat niet kunt en dat u van uw natuur uit dat ook niet wilde. Laat het dan worden: eere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn. Klaagliederen van Jeremia 5 : 21.
Dat moogt u vragen op grond van de belofte, die Petrus ook predikte tot die verslagen mensen. Maar dat hopen we volgende week met u te overdenken.
J. den Besten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's