De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

11 minuten leestijd

Dr. H. A. Hofman, Gij zult niet doden, beschouwingen over het probleem van oorlog en vrede. Den Hertog B.V., Houten, 1989; 185 blz.; ƒ 18,50.
Uit de kring van de Gereformeerde Gemeenten komt doorgaans heel wat aan stichtelijke lectuur los, maar niet veel studiemateriaal waarin men zich bezig houdt met de problemen van de eigen tijd en de vragen die deze oproept. Dit is op zichzelf al een reden om zowel hen als de uitgever geluk te wensen met het verschijnen van de Kompas-serie waarvan dit het vierde deeltje is. En, wie zich in deze tijd waagt aan het probleem van oorlogg en vrede, dit voorts doet als iemand die kennelijk ook innerlijk aan het vraagstuk participeert, en bovendien het gezag van de Schrift voor ogen wil houden, mag bij voorbaat rekenen op onze sympathie.
Men zou dit boek een commentaar op – en een onderbouwing van – de studie van de SGP uit 1985 Aspecten van vrede, vrijheid en veiligheid kunnen noemen. De schrijver was bij de totstandkoming daarvan vier jaar geleden intensief betrokken, maar heeft nu wel een heel anders geordende studie voor ons gelegd. Deel I bevat historische gegevens: agressie als bijbels gegeven, het ontstaan van oorlogen en de vormen van dienst doen in een leger, de Nederlandse traditie en de les van München. Het zijn eigenlijk evenzeer uitgangspunten en ervaringsgegevens als dat het historische gegevens zijn.
Deel II biedt actuele beschouwingen: over de koude oorlog, het communisme, de wapenindustrie, de bedreiging via de ruimte, de wapensoorten en -onderhandelingen, de wending van Gorbatsjov en een case-study over Verdun.
De bijbelse, kerkhistorische en ethische beschouwingen vullen deel III op, dat dan uitloopt in een poging tot een gereformeerde standpuntbepaling.
De opzet van het boek is niet zo doorzichtig. Allerlei dat fundamenteel is voor de standpuntbepaling komt in het historisch deel al aan de orde. De actuele beschouwingen zijn min of meer los van elkaar staande betogen, hoewel ze wel met elkaar verbonden worden, en deze hebben dan elk hun eigen toepassing. Het derde deel wil benutten wat de schrijver al eerder heeft aangetoond, maar dan is het een beetje wonderlijk dat het pas daar met de bijbel begint. Sympathiek is het o.i. dat de schrijver spreekt van een 'poging tot een gereformeerde standpuntbepaling'.
'Het' gereformeerde standpunt bestaat o.i. niet, al zijn er wel degelijk gereformeerde uitgangspunten te noemen. De wijze waarop men deze verwerkt hangt echter ook samen met onze cultuursituatie en onze inschatting daarvan. Naar mijn oordeel doet de schrijver dit echter te weinig en laat hij in dezen een stuk rekenschap achterwege.
Voorafgaand aan de meditatie van ds. A. Hofman, waarmee dit boek besluit, staan ook enkele meditatieve zinnen van de schrijver waarmee ik mij verwant weet: hij wijst heen naar de komende oordelen Gods die zich via het handelen van mensen, een handelen dat zich tegen de mens zelf keert, kunnen voltrekken.
Tegelijkertijd vragen we dan: waarom komen we dat niet telkens in dit boek tegen, en dan gerelateerd aan wat we nog steeds oorlogsvoering zijn blijven noemen? En mag er niet wat meer hoop zijn voor een aarde die voor Gods toekomst bestemd is? Wie zo de gebrokenheid benadrukt moet toch tegelijkertijd wijzen op het in beginsel op Pinksteren doorgebroken nieuwe dat reeds nu gestalte aanneemt. En mag er ook niet op gewezen worden dat het gebed dat God Zich wenden moge soms verhoord wordt langs een heel andere weg dan die waarop wij ons voor de gerechtigheid en vrede hebben ingezet, en zien we daar wellicht niet iets van in de wending die de Russische politiek genomen heeft? Deze is immers nòch aan de bewapeningswedloop noch aan de vredesbewegingen te danken.
Aansluitend bij datgene waarmee dit boek begint, de menselijke agressie die met de zonde gegeven is, vragen we voorts: zou het wellicht kunnen zijn dat oorlogsvoering, hoewel door de bijbel als gegeven aanvaard, en somtijds rechtmatig zo niet noodzakelijk te noemen, ook zelf zodanig door de mens bedorven kan worden, dat men ervan moet afzien? Hetzelfde gegeven van menselijke agressie dat het feit dat oorlog bestaat onderbouwt, kan zich ook tégen de rechtmatigheid van oorlog keren? Deze lijn trekt de schrijver echter nergens. Als er oorlog bestaat vanwege de zonde, zou er ook wel eens onthouding van oorlog vanwege de zonde mogelijk kunnen zijn. De schrijver zal dit waarschijnlijk beamen, maar kan men dit doen zonder de vraag ter discussie te stellen in hoeverre wat wij oorlog noemen in onze cultuursituatie nog oorlog is?
De kerkhistorische gegevens acht ik te compact, en ook aanvechtbaar. Is het waar dat de wending tijdens Constantijn naar de staatskerk toe bewerkt heeft dat dienst nemen vanzelfsprekend werd? Graag stem ik de schrijver toe dat het jaar 313 niet zoiets is geweest als een soort zondeval in de kerkgeschiedenis, maar heeft de verandering van de houding der christenen inzake het dienst nemen ook niet veel te maken met de opkomst van de barbaren en het ingezette verval van het Romeinse rijk?
Te waarderen is, dat de schrijver Romeinen 13 niet los wil zien van Romeinen 12, ook al had hij m.i. ook Romeinen 14 er meer bij moeten betrekken. Toch krijgt dit tekstverband van Romeinen 13 niet echt een functie: er wordt op klassieke wijze voortgeborduurd op het thema van de zwaardmacht. Het verband waarin Romeinen 13 staat functioneert zo niet echt.
Evenmin wordt de vraag onder ogen gesteld of de vermaatschappelijking van de overheid het beroep op Romeinen 13 niet verduistert, en of er daarom niet vanuit de kerken getuigd moet worden van de noodzaak om tot een legitiem eerherstel van het gezag te komen. En met het overslaan van die vraag hangt dan weer samen dat er veel te weinig wordt ingegaan op de weerloosheid van de overheid tegen machten als die van de wapenindustrie en het militair apparaat en tegen schaalvergroting in het kwaad. Daar is immers ook het probleem van de verstatelijking van onze samenleving.
Inhoudelijk beweegt de schrijver zich voortdurend tussen de beide polen van militarisme en pacifisme en is hij op zoek naar een weg daar tussendoor. Dit dilemmatische maakt dat hij kort en ongenuanceerd allerlei bewegingen afdoet die aan de vrede hebben willen bijdragen. Men kan zich, met de schrijver, afzetten tegen allerlei vredesbewegingen met wie wij de grondovertuiging niet delen, maar men zal zich er dan toch wel rekenschap van moeten geven dat b.v. het Interkerkelijk Vredesberaad een ethisch uiterst relevante vraag aan de orde heeft gesteld, namelijk deze of en in welke mate kernwapenen nog wapens zijn. Ook wapenen moeten toch zedelijk getoetst worden? Tenzij men volstaat met te zeggen dat ze er zijn, en dat dit een feit is en dat feiten waardevrij zijn. De schrijver tendeert in de laatste richting.
Zo kan men ook de Bergrede afwijzen als norm voor het handelen van de overheid. Maar dan moet men er wèl bij zeggen dat dit niet betekent dat deze geen betekenis heeft voor het openbare, ook politieke, leven, en zeggen welke deze dan wèl is. Zou het soms kunnen zijn dat de radicaliteit van houding die de Bergrede predikt ons ook tot onthouding kan brengen, parallel aan de onthouding van de eerste christelijke gemeente? Moet men zulke dingen niet op zijn minst nóemen?
Bij zijn poging tot een gereformeerde standpuntbepaling te komen worden allerlei zaken dooreengeklutst, enerzijds bijbelse motieven, anderzijds pragmatische. Enerzijds b.v. het bekerings- en voorzienigheidsmotief, anderzijds het afschrikkingsmotief en het defensief karakter van het wapendepot van de Navo. Deze warrigheid zal wel met de opzet van het boek samenhangen. De beslissingen zijn immers al gevallen, vóór het laatste hoofdstuk. Bepaald storend vind ik het beroep dat in een enkele zinsnede gedaan wordt op Zondag 10 van de Heidelberger Catechismus. Men kan deze zondag – zoals wij – geheel voor zijn rekening nemen, mits de formulering ervan verstaan wordt vanuit de ontstaanstijd en dan als diep doorleefde geloofsbelijdenis. Men kan deze zondag, n.b. na Auschwitz, echter niet als een objectief gegeven invoeren wanneer men het over de bedreigingen heeft waaronder wij leven vanwege de zelfvernietiging die in het zicht is gekomen. Zeker niet als men weet dat er uit het nameloos leed van Auschwitz een theologie is voortgekomen die Auschwitz haast tot een openbaringsgebeuren heeft gemaakt dat tégen de voorzienigheid Gods in het geweer wordt gebracht. In een boek als dit moet men voor hetgeen hieràchter zit toch invoelingsvermogen hebben.
De schrijver pleit voor handhaving van het machtsevenwicht: zijn goed recht. De tekorten van zijn boek zitten, afgezien van de formele indeling, o.i. vooral hierin dat hij de cultuursituatie te weinig in rekening brengt en zich er te weinig rekenschap van geeft dat klassieke onderscheidingen wel eens niet toepasbaar zouden kunnen blijken, of tot het tegendeel leiden van hetgeen men beoogt. Tegenwoordig kan een verdedigingsoorlog wel eens met de aanval moeten beginnen, zo men deze weg al op durft gaan, en zelf- en totaalvemietiging inleiden.
Ik ben blij met dit stuk bezinning uit deze kring, ook al ben ik van mening dat bij de schrijver uiteindelijk polemologische en militaire argumenten de doorslag geven, en dat er, ondanks het theocratische denken dat mij zo sympathiek is, een vleugje lutherse tweerijkenleer is ingeslopen. Toch blij, omdat de schrijver zich niet van de dingen heeft afgemaakt en wellicht door dingen weg te laten ook in zijn eigen kring vragen heeft opgeroepen als de mijne. Uit persoonlijke ervaring en contacten met mensen die uit de kring van de schrijver komen, en daarom vaak een bijbelsquietisch vertrouwen meebrengen in de overmacht Gods, ondanks het ons omringende bederf, weet ik dat deze vragen leven.
S. Meijers, Leiden

Otto Duintjer, Hints voor een diagnose. Naar aanleiding van Kant. 189 blz.; ƒ 37,50; Ambo, Baarn.
De vraag waar de schrijver mee bezig is is een vraag naar de achtergrond van àl ons denken. Zijn wij niet bezig te vergeten dat ons eigen bewustzijn en de manier waarop wij denken medebepalend is voor de wijze waarop wij de vragen waarvoor onze westerse cultuur, met name onze industriële beschaving, ons stelt, benaderen? Vergeten wij niet te veel dat wij het zelf zijn die deze vragen willen beantwoorden, en slaan wij bij de beantwoording waar wij op uit zijn, ons eigen zelf niet al te veel over? Is ons bewustzijn niet 'bedorven' door ondeugdelijke vooronderstellingen die ons een cirkel binnenvoeren?
In ieder geval is de schrijver van mening dat wij, wanneer wij spreken over de criteria vóór en de grenzen van onze kennis, over ervaring, kenbare werkelijkheid en moreel verantwoord handelen, dienen te beseffen hoezeer wij onze eigen ervaringswereld hebben vereenzijdigd en beperkt.
Wat de schrijver zelf als remedie voor ogen staat zit een beetje tussen de filosofische regels verstopt. Duidelijk wordt wel dat het hem er vooral om te doen is dat de gedachte van rationaliteit en autonomie die onze cultuur zo overweldigend beheerst, moet worden teruggedrongen, en doortrokken moet raken door de, spiritualiteit. De schrijver verklaart de oorlog niet aan denken, willen en werken als zodanig, maar aan de verzelfstandiging ervan, een verzelfstandiging die ons afsnoert van het werkelijke leven omdat bij deze verzelfstandiging alle dingen uit dit leven uitsluitend als voorwerp kunnen voorkomen, waardoor wij ons meer en meer dreigen te vervreemden van de – geestelijke – grond die ons voedt en draagt.
Begrijpelijk dat in dit boekje – voer voor filosofen en moraaltheologen – de figuur van Kant zo centraal staat. Enerzijds het verzet tegen het gebodskarakter van diens ethiek, anderzijds het invoelingsvermogen van de schrijver voor Kants waarachtigheidsgedachte, als voorloper van hetgeen wij tegenwoordig authenticiteit zijn gaan noemen.
Het boekje is een worsteling met Kant geworden. Vanuit een religieuze grondhouding die de autonomiegedachte van Kant hartgrondig verwerpt, maar ons ook in het onzekere laat wat het – of Wie het – dan is. Die ons aan deze grondhouding ontheffen kan. Daarom is, naar ons oordeel, vooral de tekening van het moderne denken in zijn achtergronden de sterkste kant van dit boek. De remedie, de aanprijzing van een existentiële grondhouding die voeling houdt met het volle leven en met de Bron daarvan, blijft in het vage.
Komt men, zolang men in de traditie van de natuurlijke godservaring wil blijven denken, dit probleem wel ooit te boven? De introductie van een nieuw levensbesef biedt weinig kritisch gehalte.
S. Meijers, Leiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's