De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschillende wegen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschillende wegen

8 minuten leestijd

Een vorig maal
Wij beëindigden de laatste keer ons artikel met de opmerking, dat niet alle oude leraars menen, dat zo omslachtige en ingrijpende voorbereiding aan het geloof vooraf behoeft te gaan. Bij de meesten vindt men zelfs een mildere opvatting. Het is ook goed om daarnaar te luisteren. Wij moeten ons er altijd voor hoeden onze eigen mening halsstarrig vol te houden. In de kerk gaat het telkens weer om een gehoorzaam luisteren naar de Schrift. Hoe meer wij dat gezamenlijk doen, hoe meer dat ons eigen denken corrigeert en geneest. Welnu, het is voor ditmaal, dat wij uw aandacht eens vragen voor de oude theoloog Wilhelmus à Brakel. Zouden er nog velen zijn, die zijn beroemde werk 'Redelijke Godsdienst' opslaan? In de verschillende gemeenten waar wij waren, ontmoetten wij ze telkens weer: meestentijds stille en nadenkende naturen, die in het gesprek ineens lieten blijken, dat vader Brakel hen niet onbekend was. Het viel ons dan telkens weer op, dat deze mensen grondig onderricht waren. Ze spraken geen cliché's, maar ze gaven weionderrichte gedachten. Geen wonder, want wie Brakel hanteert, leert nadenken. Daarmee beweren wij niet, dat Brakel het einde van alle tegenspraak is. De Schrift alleen is het hoogste beroep. Maar toch, Brakel bezat een praktische zin. Hij wist de Schrift toe te passen op het gewone leven. Daarom hebben velen in de loop der eeuwen niet zonder vrucht naar hem geluisterd.

Variatie
Deze Brakel nu zegt, dat de manier van de toebrenging van een mens tot Christus zeer uiteenlopend is. Hij onderscheidt zich daarmee zeer beslist van het methodisme. Van de verschillende wegen, langs welke God de mensen leidt, noemt hij de voornaamste op. Sommigen worden op wettische manier overgebracht, onder hevige beroering van het hart, verwekt door de vloek van de Wet en de vrees voor de verdoemenis. Alles is daar bewogen en ontsteld, laat het dan zijn, dat de aanleg van het karakter een behoorlijk woord meespreekt en danig gewicht in de schaal legt. Met anderen gaat het precies omgekeerd. Ze worden als het ware verslonden door het Evangelie en zij ontvangen Jezus met grote blijdschap. Christus en de heerlijkheid van de Evangelische goederen, om dat zo eens te zeggen, vervullen hen dermate, dat zij geen tijd hebben, om aan hun zonden met verschrikking te denken. Beide hier genoemde soorten van mensen hebben gemeen, dat hun overbrenging in de staat der genade met hartstochtelijke bewegingen gepaard gaat. Wij horen daar soms van in de gemeente.
Zo zei ons eens iemand:
toen moeder werd overgebracht in de genade, heeft ze wekenlang haar gewone huishoudelijke werk niet meer kunnen doen. Zo zeer was ze bewogen door die hemelse dingen. Later is dat stilaan en vanzelf weggetrokken.


Bedaardheid
Er komen evenwel ook gevallen voor, waarin deze gevoelige bewegingen gemist worden. Sommigen immers brengt God in vele bedaardheid over en wel door een klare visie op de waarheden van God. In bedaardheid en helderheid zien zij hun zonden, de ellendige staat buiten Christus en de zaligheid der gelovigen. Ze merken ook op de waarheid, dat Christus hun door het Evangelie wordt aangeboden. Onder het beschouwen van deze waarheden worden zij allengs en welhaast in stilte veranderd en aan de waarheid gehoorzaam. Ze hebben niet vele smartelijke droefheid en ook niet in verrukking meeslepende blijdschap. Neen, ze hebben een hartelijke instemming met de bijbelse waarheid, ze hebben er een teer genoegen in. Ze gevoelen er een zoete kracht van. Ze geven zich er gedurig aan over. Amen, zeggen ze – zowel wanneer het gaat om de erkentenis van hun ellende als wel wanneer het de zaligheid in Christus betreft. Dit blijkt daaruit, dat zij Christus aannemen en zich op Hem verlaten. Van deze mensen kan worden opgemerkt, dat zij doorgaans de meest bestendige en vaste christenen zijn. Zij raken niet meteen het spoor bijster wanneer er eens donkere wolken komen en wanneer hun ziel in bijzonder vergenoeging leeft, slaan zij niet door. Zij denken wel na, zij mediteren veel en hebben doorgaans een diepe blik op de wereld en de tijd en de gemeente. Een zeldzame helderheid van blik is hun gave, maar die helderheid is geen kilheid, néén – ze gaat gepaard met een warme genegenheid van gemoed en een oorspronkelijkheid van zeggen!

Niet de gewone weg
Toch kan de laatst omschreven weg niet de gewone worden geheten. De gewone weg is een lange weg. Daar komen vele hindernissen op voor. Nu eens is er stilstand, dan weer vooruitgang. Men komt er maar langzaam voort. Het is ook niet een rechte weg. Welneen, er zijn vele bochten. Voor ons gevoel is het alsof je een eind teruggaat soms en dan weer moeizaam voorwaarts. Brakel zegt het ongeveer op de volgende manier. De voorbereidende bewegingen zoals overtuiging van zonde, schrik voor Gods toorn, werkzaamheid met de waarheid, begeerte naar bekering, gebruikmaking van de middelen, zijn bij hen, in wie de Geest ze ter bekering verwekt, bestendig. Als zij soms geheel verdwenen schijnen, kunnen zij toch telkens terug. De indrukken volgen gaandeweg sneller elkaar op. Ze dringen steeds dieper door. Er komt een dringende begeerte in hun binnenste naar de zaligheid. Maar er is geen licht. Ze werken verkeerd. Ze trachten God tot barmhartigheid te bewegen. Zij doen dat door gebeden en beloften. Maar ze merken niet, dat God hen vóór is met het Evangelie. Worden zij nu gewaar, dat zij, ondanks hun goede bedoelingen, telkens weer afwijken, dan vervallen zij tot moedeloosheid. Want zij denken, dat God nu zeker weigeren zal hen te helpen. Gaandeweg daagt het in hun ziel, dat al hun bidden en goeddoen God niet bewegen kan en ook helemaal niet aangenaam is. Dit maakt hen radeloos. Allerlei bekommernissen vervullen hen; zij vrezen zwaar gezondigd te hebben. Er spookt hun door het hoofd, dat zij misschien wel de onvergeeflijke zonde hebben bedreven. Niet zeldzaam zijn daarbij atheïstische gedachten, helse invallen, satanische verzoekingen en beroeringen, dat de zo gekwelde mens in verzoeking komt om het werk op te geven.

Inzicht
Op dit punt daagt bij hen het inzicht dat God hen niet verhoren kan en dat zij Hem niet dienen kunnen. Eerst moet hun zonde verzoend en hun hart vernieuwd zijn. Zo leren zij de noodzaak van Christus' priesterlijke tussenkomst inzien. Zij beamen met het hart de waarheid, dat Christus ons met de dienstbaarheid der zonde en van de dood moet vrijkopen. Hij moet ons het recht en de kracht om God te dienen, verwerven en toebrengen. Maar ze durven nu niet te geloven, dat Jezus ook hun Zaligmaker wil zijn. Er heerst bij hen de gedachte; als Jezus nu eens zo gewillig was om hen aan te nemen als zij om Hem tot Zaligmaker te hebben, dan was hun behoud zeker – zo althans denken zij. Soms beginnen zij hoop te voelen, ja, ze gevoelen opwekkende bewegingen onder prediking of gebed of iets dergelijks. Dan beginnen zij weer te arbeiden om de Heere te bewegen. Maar Deze ontdekt hen klaarder dan ooit aan hun onmacht en ongeestelijkheid en aan het walgelijk karakter van de zonde zodat ze alle moed op hun werk verliezen. Ze beginnen nu te wachten op voorkomende genade. Van nu af aan zien zij in elke stap naar Christus een goedheid van God over hen. Langzamerhand beginnen zij in te zien dat Jezus, door het Evangelie, een ieder die het hoort, tot Zich roept, ook hen. Dat maakt de hoop zuiverder dan tevoren. Zij zien naar Jezus uit tot zij meerdere vrijmoedigheid verkrijgen en zich zonder voorwaarde aan Hem overgeven. Dan gaan zij met de heiligheid en de voldoening van de aangenomen Christus tot God. Houden Hem de belofte van het Evangelie voor de ogen en… merken deze belofte aan als Zijn antwoord op hun bede om van Hem, om Christus' wil, in genade aangenomen te worden. Zo bevinden zij zich, hetzij klaarder, hetzij duisterder gerechtvaardigd.

Werkelijkheid
Brakels voorstelling houdt rekening met de realiteit. Regel is een langzaam verloop met gedurige afwisseling van teruggang en vooruitgang. Uizondering daarentegen is elk geestelijk proces waarbij geestelijke en vleselijke gestalten en werkzaamheden van het gemoed zich reeds in de voorbereiding tot het geloof zo beslist vaneen scheiden naar methodistische trant. Bij mensen uit één stuk, die ook in het natuurlijke geen geleidelijke, maar enkel scherpe overgangen kennen – mensen als Calvijn en Luther kennen zulk een markante weg. Overigens gaat de Geest des Heeren bij de toeleiding tot Christus gebruik maken van het karakter. Ja, de Geest houdt rekening met het karakter en werkt dienovereenkomstig: dat is een regel om te onthouden en te bewaren. Veel meer dan men denkt gaan geloof en karakter samen. Wij erkennen dat dit terrein wel onderscheiden moet worden, gescheiden kan het intussen beslist niet!

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verschillende wegen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's