De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om te weren en uit te roeien…

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om te weren en uit te roeien…

Artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis

10 minuten leestijd

De woorden boven dit artikel zijn ontleend aan artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis. De overheid draagt van Godswege het zwaard, zo wordt eerst gezegd, naar Romeinen 13. Tot het ambt van de overheid behoort – zo wordt dan vervolgd – te waken over 'de Politie', de hand te houden aan de heilige kerkedienst en 'om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen'. De synode van de Gereformeerde Kerken heeft in 1905 de zinsnede 'om te weren en uit te roeien…' geschrapt. Het is me nooit helemaal duidelijk geweest waarom alleen déze woorden werden geschrapt en niet het hele artikel terzijde werd gesteld. Het gaat immers om een samenhang van gedachten. Het coloriet van de belijdenis aangaande de overheid wordt ernstig verminkt wanneer er ook maar één zin tussenuit valt.


Hoe dit ook zij, er is over deze woorden in de loop van de tijd heel wat te doen geweest. Kunnen zulke woorden met een goed geweten, met name in de politiek gehanteerd worden? Een politieke partij, die deze woorden tot de hare maakt, kan die nog wel echt loyaal en betrouwbaar participeren in de politiek?
De discussie over de kwestie zelve nu, is de laatste tijd weer hoog opgelaaid. Ik ga de lezers niet vermoeien met lange citaten maar zet wel wat dingen op een rij. Wijlen drs. J. M. den Uyl verweet de kleine rechtse partijen, met name de SGP, ooit dat men daar niet democratisch was of kon wezen. Hij sprak van a-democratisch. In allerlei uitleggingen viel zelfs het woord anti-democratisch. In een interview in Trouw heeft ir. B. J. van der Vlies desgevraagd gezegd, dat de SGP wel terdege meedoet in ons democratisch bestel en zelfs loyaal meedoet, blijkens de praktijk in gemeenteraden en de Tweede Kamer. Men voelt zich gebonden aan democratisch genomen besluiten. Geen sprake van ook dat, wanneer een partij als de SGP de meerderheid zou behalen, dan opeens rooms katholieke kerken gesloten zouden worden, op grond van artikel 36. Men moet artikel 36 vooral lezen vanuit de geestelijke strijd die daarachter zit, aldus Van der Vlies.
Hoe heb ik het nu?, zo reageerde F. Cupido, docent aan de Gereformeerde Sociale Academie De Vijverberg, in Trouw in een reactie, waarvan de toonzetting niet de schoonheidsprijs verdient. Zulk een interpretatie van artikel 36 in de kring van de SGP is nieuw. Is de SGP veranderd of aan het veranderen?
Dáárop kwam weer een reactie in het Reformatorisch Dagblad, waarin enigszins laatdunkend werd gereageerd op wat Cupido schreef, alsof wat Van der Vlies gezegd had onaantastbaar, heilig was. Terwijl het toch om een zaak van het hoogste belang ging, waarover eerlijk gediscussieerd mag en moet worden. Het behoort toch – zo zou ik willen zeggen – tot de volwassenheid van een partij, in dit geval de oudste zelfs in Nederland – om kritiek te kunnen verdragen? Dat moet niet direct in de sfeer van 'vijandschap' worden getrokken. Anderzijds klonk toch in het RD commentaar ook zoiets door dat Van der Vlies een beetje hoog spel had gespeeld en alles nog maar eens nader moest uitleggen. Prof. dr. W. H. Velema merkte in het radioprogramma Deze week overigens op, dat de uitleg, die Van der Vlies nu aan de befaamde woorden had gegeven, in de dertiger jaren ook al door christelijk gereformeerde hoogleraren eraan werd gegeven. Kort en goed: artikel 36 is weer ter sprake, En dat is goed want het gaat om een artikel, waarin de kerk der Reformatie hier te lande heeft beleden naar de overheid toe. Hoe moeten we daarmee vandaag omgaan?

Geschiedenis en uitleg
We zullen ons allereerst moeten realiseren, dat artikel 36, als gezegd, een geloofsartikel van de kèrk is. Het is een artikel uit onze Nederlandse Geloofs Belijdenis, opgesteld in de tijd dat de lage landen zich ontworstelden aan de onderdrukking van Spanje in een lange, tachtig jaar durende oorlog. In de worsteling om de vrije ontplooiing van de leer der Reformatie en van daaruit de gereformeerde kerk hier te lande ont stond het Gemenebest. De staat der Nederlanden, zoals we die nu kennen, is in de worsteling om de kerk ontstaan. Nederland werd een protestants christelijke natie, waarin kerk en staat nauw met elkaar verbonden en op elkaar betrokken waren. Van Ruler heeft de situatie treffend getekend met het beeld van een ellips, waarvan kerk en staat de brandpunten waren en waaromheen zich het hele geordende leven voltrok.
In die protestants christelijke natie, ontstaan vanuit de Reformatie, ging nu de kerk belijden, dat de overheid een taak had Coram Deo, voor Gods Aangezicht.
Afgoderij en valse godsdienst moesten worden uitgeroeid. Inderdaad wordt nergens gezegd, dat de aanhangers van een valse godsdienst moeten worden uitgeroeid. Men zal tevergeefs zoeken naar enige uitleg in het verleden, waarin die letterlijke interpretatie aan het woord 'uitroeien' wordt gegeven. De praktijk is zelfs geweest, dat Nederland als geen ander land vrijheid van godsdienst kende en bij voorbeeld de eeuwen door asylrecht verleende aan onderdrukte minderheden elders, o.a. aan vervolgde joden, zowel als aan vervolgde Hugenoten. Was bovendien niet Prins Willem van Oranje de man, die stond voor gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid? De Reformatie zou van de weeromstuit, na de bevrijding van Spaanse dwingelandij, geen gebruik maken van dezelfde methoden als waarvan Rome zich had bediend toen het – machtig in kerk en staat – de brandstapels liet roken voor afvalligen van de moederkerk.


Maar hoe men het verder ook wendt of keert, met artikel 36 gaf de kerk aan de overheid wel een boodschap mee, die men niet zo moet gaan afzwakken, dat er van de echte bedoeling niets overblijft. Want de kerk koos met artikel 36 wél voor een belijdende staat, een staat die onderscheidt maakt tussen ware religie en afgoderij. Hoewel ook in die tijd Nederland echt geen christelijke natie was, in die zin dat alle Nederlanders hoofd voor hoofd christenen, laat staan gereformeerde christenen waren – integendeel het gereformeerd protestantisme is altijd als het erop aankomt een minderheid geweest – heeft de kerk van de Reformatie in dit land toch het theocratisch ideaal hooggehouden. De overheid is Gods dienares. God staat in de vergadering der goden (overheden). De overheid handelt voor Gods aangezicht en heeft een positieve taak in het Koninkrijk Gods en een negatieve, want afbrekende taak als het gaat om (de doorwerking van) het rijk van de boze, van de Antichrist. Inderdaad ging het dan om een strijd met geestelijke wapenen vanuit de kerk maar de staat moest het blazoen in het openbare leven zuiver houden. Een gemenebest, dat was opgerezen uit het bloed van martelaren, moest wat de overheid betreft een standaard, een norm hebben. De kerk gaf de overheid de hoge Standaard van het Woord Gods in handen, in het besef dat het leven naar Gods geboden mens en samenleving ten goede is.

Na de Franse Revolutie
De realiteit is intussen wel geweest, dat tijdens en na de Franse Revolutie de breuk tussen kerk en staat zich voltrok. We kregen een neutrale staat, waarmee de band tussen kerk en staat werd verbroken en de gevolgen daarvan steeds duidelijker zich aftekenden. Het ging van nu af om democratisch recht. Op zichzelf behoeft dat niet verkeerd te zijn. De positieve verworvenheid van de Franse Revolutie is geweest dat de burger, de onderdaan, van welke rang of stand ook, tot zijn (haar) recht mocht komen. Aan allerlei feodale toestanden kwam een eind. Maar intussen werd de norm gelegd bij het volk. Het ging om volkssouvereiniteit en niet meer om de souvereiniteit Gods, om Gods Recht op het leven (het Droit Divin). En daarom is de grondgedachte, de ideologie van de Franse Revolutie absoluut verwerpelijk.
We leven dan ook vandaag in een (mondiale) samenleving, waarin de rechten van de mens (los van God) maatgevend zijn geworden. En hoezeer ook rechten van de mens fundamentele verdediging verdienen, mits opkomend uit Gods recht, feit is dat de hele christelijke politiek, als het om de belijdenis van dit recht Gods gaat een zouteloos zaakje is geworden. Het kan echter in christelijke (historische) politiek nooit louter gaan om democratisch recht vanuit de volkssouvereiniteit. De kerk zei (en zegt, als het goed is) tegen de overheid: weet u waar ons Gemenebest haar wortels had? Kerk en staat zijn aan elkaar gegeven in het verleden, door God, die de geschiedenis leidt. Het zal ons pas echt goed gaan als het recht en het gebod Gods in ere zijn. Het kan een democratie alleen goed gaan wanneer die theocratisch is genormeerd.


Nu hebben we de laatste jaren natuurlijk geducht de schrik in de benen gerkregen als het woord theocratie valt. We weten wat de islamitische theocratie betekent: de moordeskaders worden opgeroepen om aan het werk te gaan. Maar dat mag van de weeromstuit niet betekenen, dat we dat begrip nu ook maar gaan inslikken. In De Wachter Sions deed L. M. P. Scholten het voorkomen alsof theocratie (in de SGP) een begrip is, dat pas sinds kort wordt gehanteerd. Dat is dunkt me een vertekening. Wie oude publicaties, met name uit SGP kring, leest in verband met artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis komt herhaaldelijk een oud-testamemtische fundering met betrekking tot onverkorte handhaving van art. 36 tegen, met verwijzing naar Israël onder de oude bedeling. Ik moet zeggen dat ik, zonder de gedachte over te nemen dat Nederland een soort Israël van het westen is, de bedoeling hierachter uitermate legitiem acht. Via Israël heeft God Zijn rechten en inzettingen en geboden aan de wereld gegeven. Wat moeten we nog aan met de profeten, die oproepen tot recht en gerechtigheid voor Gods aangezicht onder de mensen en de volkeren, als we de theocratische gedachte verwerpen! We moeten niet zo dicht tegen de modern democratische gedachte willen aanschurken, dat we de theocratische gedachte kwijt raken.

De praktijk
Dat neemt overigens allemaal niet weg, dat ideaal en praktijk ver van elkaar liggen. Zoals gezegd ontstond artikel 36 in een samenleving, die christelijk, zelfs gereformeerd bepaald en genormeerd was en waarin kerk en staat wederzijds op elkaar betrokken waren. Maar wie vandaag het terrein van de politiek betreedt komt daar binnen via de poort van de eed op de neutrale grondwet. Dat is op zich een compromis voor wie artikel 36 van de NGB meebelijdt. Hij zegt ermee de democratische rechtsorde te zullen eerbiedigen. Alleen langs deze weg kan de christen zeggen naar welke samenleving hij op weg wil. Een socialist maakt er geen geheim van dat het hem om een socialistische samenleving begonnen is, waarin moet worden geweerd en uitgeroeid wat met socialistische grondnoties in strijd is. Het socialisme schuwt daarbij de revolutie als uiterste consequentie niet. Welnu, het theocratisch getuigenis kan ook alleen langs democratische weg tot uitdrukking worden gebracht. Het ideaal is een christelijke staat, waarin de rechten van de mens verankerd zijn in het recht Gods en de wetten van het land een afglans vertonen van de geboden Gods. Revolutie? Nee! Geestelijke omwenteling? Ja!


Niemand acht alles toelaatbaar in de samenleving. We kunnen alleen al denken aan fel oplaaiende discussies wanneer zich nieuwe fascistische of nationalistische stromingen aandienen, die in het recente verleden zulke verwoestingen hebben aangericht. Welnu, een christen(politicus), die de overheid belijdt als Gods dienaresse, zal de paaltjes nauwer uitzetten dan wie dit niet belijdt. De geboden Gods namelijk, zijn de paaltjes langs de weg van het leven om het volksleven te houden of weer te brengen op een weg, die alleen maar ten goede is.
Intussen is de spanning tastbaar tussen 'het absolute criterium van de eis van Gods wet en het relatieve criterium van de zedelijke draagkracht van het volk' (prof. dr. J. Severijn). Maar die spanning moet er dan ook wel terdege blijven. Want de eis van Gods wet is absoluut. Dat bedoelt artikel 36, ook vandaag.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Om te weren en uit te roeien…

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's