De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Op vrijdag 16 juni as. hoopt aan de universiteit van Amsterdam te promoveren tot doctor in de godgeleerdheid de heer C. F. G. E. Hallewas. De titel van het proefschrift luidt: 'In de schaduw des doods' (een 'explorerende descriptief onderzoek naar mensen in rouw'). De heer Hallewas maakt als waarnemer voor de Evangelisch Lutherse Kerk (ELK) deel uit van de Raad van Deputaten 'Samen op Weg'. Daarom laten we hier volgen enkele stellingen bij het proefschrift, die op S.O.W. zijn gericht, waarbij we en passant nog enkele andere stellingen meenemen.

• Over de dood spreken als de laatste en uiteindelijke daad van zelfbeschikking waarmee de mens zijn leven voltooit (K. Rahner), getuigt enerzijds van een overschatting, anderzijds van een ontkenning van de dood.

• Uit het oogpunt van psycho-hygiëne valt het te betreuren dat de viering van Allerzielen in de protestantse kerken in ongebruik geraakt is. Herdenking van de overledene op de 'dodenzondag' is een minder zinvol alternatief.

• Mensen in rouw zijn een zorg voor en een gave aan de gemeente als 'communio sanctorum'; professionele pastores hebben in deze allereerst tot taak als 'herders en leraars de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon' (Efeziërs 3 : 12).

• De schaalvergroting die het gevolg Is van de samenvoeging van (wijk)gemeenten c.q. parochies, zoals die zich met name in de grote steden manifesteert, houdt een ernstige bedreiging voor de kwaliteit van het (rouw)pastoraat in.

• Indien de lutherse gemeenten in Nederland niet bereid of in staat zijn op basis van een grotere onderlinge solidariteit de organisatiestruktuur van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden te versterken en te professionaliseren, zal dit kerkgenootschap in het proces van Samen-op-Weg vervluchtigen.

• Als proces van (h)vereniging van kerken is Samen-op-Weg ook een 'rouw'proces. Pastorale èn kerkpolitieke overwegingen nopen tot een zorgvuldige begeleiding van dit proces van 'rouw'verwerking.

• Het getuigt niet van een consistent wetenschapsbeleid dat men aan een universiteit waar de 'duplex ordo' vigeert, kan promoveren op een onderwerp op het terrein van de 'kerkelijke' vakken, terwijl het niet mogelijk is een dergelijk vak als hoofdvak voor het doctoraal pakket te kiezen.

• Het voornemen van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Minister van Onderwijs en Wetenschappen om voorde opleiding van de predikanten van deze kerk een of meer bijzondere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs in het leven te roepen betekent het einde van de 'duplex ordo'.

• Het aantal van 9 theologische faculteiten en universiteiten in Nederland dat de Verkenningscommissie Godgeleerdheid bepleit is te hoog. Bij een reorganisatie van het theologisch wetenschappelijk onderwijs dient Amsterdam als centrum van wetenschapsbeoefening gehandhaafd te worden.

• Het gepromoveerd zijn van een predikant betekent geen garantie voor zijn kwaliteit als predikant, boven een niet gepromoveerde collega.


In aanvulling op datgene, dat we vorige week opnamen uit de notities van Idenburg over het verscheiden van dr. Abraham Kuyper, zond een lezer ons een gedeelte van 'De levensavond van dr. A. Kuyper', geschreven door H. S. S. en J. H. Kuyper (uitgave Kok, Kampen, 1921). Uit dit geschrift nog het volgende, getiteld 'In Jezus ontslapen'.

''s Middags om drie uur, voordat wij het nog bemerkten, geloof ik, dat mijn Vader zelf het einde heeft voelen naderen, – het einde van zijn aardsche leven, tevens het einde van het dal der schaduwe des doods, waarin (wij weten het) de Heere bij hem was, om hem te leiden naar de zalen des eeuwigen lichts. Om drie uur nam mijn Vader eerst een bewust afscheid, van mij, de eenige van wie hij Zondagavond geen afscheid genomen had, daarbij immers wist, dat ik toch bij hem zou blijven dien nacht, als de anderen gingen slapen.
En daarna wendde hij weer het hoofd naar de deur en wenkte met de oogen. Ik vroeg weer: "Moet er iemand komen?"
Vader knikte van ja.
Ik noemde weer de namen zijner kinderen. Maar, neen, die bedoelde hij blijkbaar niet.
Toen vroeg ik: "Moet mijnheer Idenburg komen?"
Ja, die was het, wien hij verlangde bij zich te hebben.
Ik geloof zeker, dat mijn Vader den Heer Idenburg heeft willen hebben bij zijn sterven. Voor hemzelf, en ook voor ons, zijne kinderen, die in dat oogenblik zoo heel veel zouden verliezen.
De Heer Idenburg, per telefoon geroepen, kwam dadelijk, maar vond mijn Vader in een sluimerenden toestand. Hij was zoo vriendelijk even te wachten, maar toen de sluimering voorbij was, en ik tot Vader zeide, dat de Heer Idenburg gekomen was, kreeg ik geen antwoord meer.
Om half vijf zag ik de groote verandering komen, heel langzaam en zachtjes, maar zeker. Ik zeide tot den Heer Idenburg; "Ik geloof, dat het einde nu daar is, zou U de kinderen even willen roepen?"
Dit deed hij, en weldra stonden wij allen samen geschaard om Vaders sterfbed.
Boven het hoofdeinde van het bed hing, zooals ik reeds schreef, een schilderij voorstellende de kruisiging van onzen Heiland, door wiens vergoten bloed en gebroken lichaam de dood ook voor mijn Vader mocht zijn een doorgang naar het eeuwige leven. Als in de schaduw van dat kruis blies hij om zes uur den laatsten adem uit Het was als het inslapen van een moe kind, – zoo zacht en zoo vredig. Niemand had gemerkt, wanneer precies het leven was gevloden en de engelen Gods zijn ziel de zalen des eeuwigen lichts hadden binnengedragen.
Ingeslapen. In Jezus ontslapen. Na den donkeren nacht de eeuwige morgen. Na veel strijd een heerlijke overwinning.
Want, zooals mijn Vader het eens zelf teekende: "Alle aardsche triomftocht is slechts het verflauwde beeld van de alles te boven gaande triomf van hem, die de poorten van het Nieuwe Jeruzalem binnentrekt".
Verzadiging van vreugde, was nu ook voor hem, bij Gods aangezicht.
Toen heeft de Heer Idenburg met ons gelezen den aanvang van 2 Corinthe 5:
"Want wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen…"
En daarna zijn wij tezamen nedergeknield, om God te danken, niet alleen voor al wat Hij ons had geschonken in zulk een Vader, maar ook dat onze Vader nu, verlost van alle zonde en strijd, was opgenomen in Gods heerlijkheid.


In de droeve dagen van rouw, die volgden, zijn de zoo talrijke bewijzen van liefde en deelneming, die tot ons kwamen, ons een bewijs geweest, dat er onder ons volk niet alleen was een deelen in onze rouw, maar ook een eigen smart en droefheid, omdat hij, dien zij liefhadden was heengegaan. En hierin lag balsem van vertroosting voor ons bedroefd gemoed.
Velen zijn ook gekomen om nog een laatsten blik te slaan op den geliefde Doode.
Op zijn gelaat lag een uitdrukking van vrede en triumf, die allen, die hem nog op zijn doodsbed gezien hebben, getroffen heeft.
En toen hebben wij onzen dierbaren Doode op 12 November, samen met de duizenden, die uit alle oorden des lands gekomen waren, uitgedragen naar het graf.
En als ik zag die groote schare van menschen, die de straten vulde van ons huis tot aan het kerkhof, en toen weer die ontelbare schare om de geopende groeve en toch die eerbiedige, gewijde stilte, toen klonk het in mijn hart: Ziet, hoe lief zij hem hadden.
Daar aan die groeve, daar is Godgedankten verheerlijkt, voor hetgeen Hij in mijn Vader aan ons ook met den dood van dien mensch verbroken was. Maar dat het was Gods werk en dat daarom de vrucht van dat werk zal blijven bestaan.
Want Gods verbond met Zijn volk is van eeuwigheid en tot eeuwigheid. Een verbond dat van geen wankelen weet.
Van onzen kant echter wordt dit verbond gedurig verbroken.
Door geestelijke inzinking, door verslapping in het belijden, door afwijking van de beproefde paden.
Wij hebben telkens noodig dit verbond te vernieuwen.
Op 12 November is bij het graf van mijn Vader dat verbond met God vernieuwd.
Wij hebben het gevoeld in wat er gesproken, en gehoord, in wat er gezongen is.
Op den eenvoudigen steen, die het graf dekt, hebben wij doen beitelen, zooals mijn Vader dat zelf in zijn testament bepaald had:
DR. A. KUYPER
GEBOREN DEN 29 OCTOBER 1837
EN IN ZIJN HEILAND ONTSLAPEN
DEN 8 NOVEMBER 1920


Het blad Daniël (jongeren-orgaan Geref. Gemeenten) maakt gewag van 'een humoristische vergissing' in een boek, dat uitkwam ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Geref. Gemeenten in Amsterdam-Noord. In het bestuur van de mannenvereniging werd ooit een adjudant gekozen. Moest zijn: adjunkt.


De appelboom van Luther, die hij nog zou planten…, heeft nooit bestaan. In een Duitstalig blad schrijft Willem Horkel:

'Sedert de wereldtentoonstelling in Brussel, waar het woord groot op een plakkaat bij de ingang was aangebracht, wordt het citaat "En als morgen de jongste dag zou komen…" overal geciteerd. Het stamt evenwel niet van Luther. Het duikt voor het eerst op bij de Wittemberger piëtist Johannes Kullen (1827-1905), die het Luther in de mond gelegd heeft. Daarna verscheen het in een triviale roman uit de 19e eeuw bij een verscholen romanschrijver. In de 40 banden van het totaalwerk van Luther is het nergens te vinden, zoals mij drie van de grondigste Lutherkenners aan deze universiteiten hebben bevestigd.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's