Niet gebonden, niet geschonden
Het Woord Gods
Openingswoord jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 31 mei 1989 Nijkerk.
Bij de opening van deze 83e jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk is het goed te memoreren dat er ook in het afgelopen vergaderjaar vele zaken op de tafel van het hoofdbestuur zijn terechtgekomen. U zult daar straks in het jaarverslag van onze secretaris meer van horen. Het betrof zaken, die voortgekomen zijn uit onze betrokkenheid op het geheel van de kerk en onze verbondenheid met plaatselijke gemeenten. Wij worden hierbij in toenemende mate voor de vraag gesteld welke zaken daarvan vallen onder de doelstelling van onze beweging, namelijk: de verbreiding en verdediging van de waarheid. Het is dan niet altijd even duidelijk de grenzen vast te stellen. We hebben ons er steeds rekenschap van te geven niet in die vraagstukken of problemen verwikkeld te raken, die vallen onder de verantwoordelijkheid van ambtelijke vergaderingen of commissies.
Ook hebben wij er steeds voor te waken de schijn op ons te laden dat wij uit zijn op een zekere machtspositie binnen de kerk. Wij willen hier duidelijk stellen dat ons bezig zijn in de kerk niet is ingegeven door streven naar macht, maar voortkomt uit de nood der kerk. Vanaf het begin is de doelstelling van onze beweging geweest op te komen voor de eer Gods, voor het recht, dat Christus heeft op de kerk, als haar Hoofd en als de Verbondsmiddelaar, en om te staan voor het werk van de Heilige Geest, tot geestelijk welzijn van de leden der kerk. Wij blijven ons verantwoordelijk weten voor de erkenning van de onfeilbaarheid en onkreukbaarheid van de Heilige Schrift.
Wij begeren niets anders dan te staan op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Christus de uiterste Hoeksteen is. Het zal ons voor leer en leven binnen en buiten de kerk altijd te doen moeten zijn om de Christus der Schriften. Ik zeg bewust 'om de Christus der Schriften', en bedoel daarmee: zoals Gods Woord Hem openbaart en bekend maakt, niet gebonden aan menselijke opvattingen en ongeschonden door de wetenschap, ook de theologische wetenschap. Van Hem belijden wij, ook als Gereformeerde Bond: 'Hij moet wassen en wij moeten minder worden'.
Dit is geen machtsstreven onzerzijds, maar de macht en de kracht van het Woord van God voor een ieder die gelooft. Daarom is de Schrift niet aan ons gebonden, maar zijn wij wel aan de Schrift gebonden. Wij vermogen niets tégen de waarheid, maar vóór de waarheid. Dat wij daarin onze machteloosheid en zondige tekorten ervaren weet ieder, die hier oprecht mee bezig is. Maar we mogen ons dan getroost en bemoedigd weten door de overtuiging, dat de macht en kracht van Gods Woord niet van ons afhangen.
Het Woord van de levende God
Het gaat om het Woord van de levende God, die soeverein Zijn weg gaat, de eeuwen door en de wereld door. Niet de zondige en zwakke mens is de auteur van het Woord, maar God Zelf door Zijn Geest. Dat is Zijn soevereiniteit. Hij is aan niets en niemand gebonden. Hij is de Eerste en de Laatste, de eeuwige God. Vóór enig mensenkind tot aanzijn kwam, was Hij 'de eeuwige, het enig en eenvoudig geestelijk wezen, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig goed en een zeer overvloedige fontein aller goeden' (N.G.B., I.); aan niemand iets verplicht dan aan Zijn eigen goddelijk wezen. Daarom zweert Hij bij Zijn eigen heiligheid. Ongebonden is Hij en eeuwig vrij. Nooit te vatten in menselijke gedachten. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan onze gedachten. Nooit te binden door de boeien van ons verdorven verstand.
Zo is dit Woord het Woord van de levende God. Wie zal God in Zijn soeverein spreken tegenspreken of Hem het zwijgen opleggen? Wie dat vermetel poogt te doen, moet de eeuwige God voor dood verklaren. Zelfs wanneer gesproken wordt over godsverduistering, erkent men daardoor juist, dat God in wezen een sprekende God is. Die doet wat Hem behaagt. Hij kan spreken in Zijn liefde en in Zijn toorn. Hij kan spreken het Woord van genade en oordeel. Maar zwijgen doet Hij vooral in zijn verbolgenheid.
Het geopenbaarde en levende Woord is het voertuig van de Heilige Geest, waarop de levende God zijn weg gaat door de geschiedenis, over de wereld en binnen Zijn Koninkrijk. En Hij gaat die weg levenwekkend en levenonderhoudend. Niets en niemand kan Hem daarin tegenhouden, hooguit tegenstaan. Maar toch is Zijn weg, de weg van Zijn Woord, onweerstaanbaar van Zijn kant uit.
Zomin God aan iets en iemand is te binden, zomin is Christus te binden na Zijn Kruis en Opstanding. De dood kon hem niet houden en het graf moest hem vrijlaten. Christus is het vlees geworden Woord. Johannes getuigt: Het Woord is Vlees geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid. Zomin Christus is te binden is het Woord te binden.
Gods Woord, niet gebonden
Nimmer laat het Levende Woord van God zich in boeien slaan door culturen, wetenschap of technisch vernuft of menselijke opvattingen. Ook niet door de ontwikkelingen van de tijden. Het is zelfs niet te binden door vrome bedenksels of inzichten van Gods kinderen. Ook deze moeten steeds weer leren buigen voor de soevereine gang van het Woord en zich daaraan gevangen geven. Zo vangt Gods Geest verloren mensen in het net van het Evangelie op diezelfde wonderbare wijze als de discipelen de vissen in het net kregen aan de zee van Tiberias. Ook daar was het Woord van Christus niet gebonden aan de berekeningen van de discipelen en aan de gewone gang van het werk. De machteloosheid van de discipelen was Gods gelegenheid om te openbaren dat Zijn Woord niet was gebonden.
Het Woord van God doet al wat Hem behaagt en zal niet ledig wederkeren. Zo gaat Christus ook Zijn gang door de wereld en de kerk. We belijden met de kerk der Reformatie dat Christus, de Zone Gods, door Woord en Geest in enigheid des waren geloofs van het begin der wereld tot aan het einde zich een gemeente, tot het eeuwige leven verkoren, vergadert, beschermt en onderhoudt.
Dat Hij hierbij op tegenstand stuit weet elke ware christgelovige vanuit de bevinding van eigen leven. Wie een levend lidmaat van die gemeente is weet dat hij dit geworden is ondanks zichzelf en dank zij de kracht van het Woord en de Geest. 'Gij zij mij te sterk geworden en hebt overmocht'.
Deze tegenstand, dit scandalon is er in de kerk en in de wereld. Het ongebonden woord is de Jood een ergernis en de Griek een dwaasheid.
Paulus heeft dit op bijzondere wijze geleefd. Hij lijdt verdrukking tot de banden toe maar waarschuwt tegelijk Timotheüs zich hierdoor niet te laten ontmoedigen. 'Maar het Woord Gods is niet gebonden'. Opvallend is daarbij de context waarmee dit krachtig getuigenis is omlijst.
Allereerst de bron van dit getuigenis. Dat is Christus Zelf. 'Houdt in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt. Welke is uit het zaad van David'.
Paulus verbindt het niet-gebonden zijn van het Woord onlosmakelijk aan de opgestane Heere, als de Zone Davids, de Leeuw uit Judas' stam. We mogen hier ook denken aan Paulus' verantwoording van zijn evangeliebediening, zoals hij deze weergeeft in de Lofzang op de opstanding van Jezus Christus (1 Kor. 15). Tegenover de alternatieve paasboodschap, die ook in de gemeente van Korinthe opgeld deed, zingt hij zijn loflied op 'zijn evangelie'. 'Maar nú, Christus is opgestaan'. Deze opgestane Christus is de Ruiter op het witte paard der overwinning. Hij gaat uit overwinnende, opdat Hij overwon, ongebonden en onverhinderd.
Wij mogen dit ook belijden in het werk van de Gereformeerde Bond. Alleen achter Hem, deze overwinnende Koning der kerk, aan is de weg vrij voor het Evangelie en kan er zegen rusten op ons bezig zijn. Niet wij zijn een bron van kracht, niet wij kunnen machtswoorden spreken of machtsblokken vormen. Niet wij kunnen ongebonden en onverhinderd onze weg gaan door de kerk. Alleen Christus maakt de weg vrij om het Evangelie ingang te doen vinden in de harten en om de kerk te bewaren bij het zuivere Woord Gods. Hij is de Getrouwe Getuige. Hij staat ook nu nog temidden van de gouden kandelaren, Zijn gemeente. Hij, Die dood geweest is en ziet Hij leeft. Hij heeft de sleutels van de hel en de dood.
Het is aan het belijden der kerk eigen deze getrouwe Getuige te volgen op Zijn weg door de wereld en binnen de kerk. Dat men daarbij niet vreemd blijft aan het lijden om Christus' wil is geen zaak om zich over te beklagen. Ook niet om zich op te beroemen of dit lijden te zoeken. Maar men behoeft zich er ook niet voor te schamen.
Paulus zegt: 'Ik verdraag alles om de uitverkorenen, opdat zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is'. Wij hebben te ijveren om de zaligheid van het volk. Ook om de zaligheid van de kerk in dit leven.
Dit is tegelijk de legitimiteit van het voortbestaan van de Gereformeerde Bond. Tegelijk ligt hier in wezen de maatstaf voor de vraag waar de grenzen liggen van ons bezig zijn binnen de kerk. Wij zweren niet bij het vasthouden aan de tradities maar zoeken dienstbaar te zijn in de kerk opdat de uitverkorenen de zaligheid zullen beërven. Het gaat er niet om dat wij onze zin krijgen, maar dat de zin van Christus wordt verstaan, en het Woord in volle breedte zijn loop hebbe, ongebonden en onverhinderd. Dat alleen geeft een vrij geweten indien ons verweten wordt dat wij niet met alle zaken, die zich aandienen binnen de kerk, mee kunnen gaan.
We zullen ons daarbij wel terdege hebben te verantwoorden en altijd bereid moeten zijn tot zelfonderzoek, opdat we zelf geen scandalen zijn voor de vrije loop van het Evangelie. Want wij zijn zelf ook nergens te goed voor. Door eigen onverstandigheid en onstuimigheid en ongenuanceerd optreden kunnen we Christus voor de voeten lopen.
Wanneer we verantwoording hebben af te leggen van de hoop die in ons is, – en die hoop is Christus –, hebben we dit te doen in zachtmoedigheid en vreze, staande op het fundament der apostelen en profeten. Hieraan hebben we ons doen en laten steeds te toetsen. Zo niet dan vervallen we in hoogmoedig farizeïsme. Maar dit toetsen aan het Woord van God betekent ook dat wij ervoor hebben te waken, dat dit Woord niet geschonden wordt.
Het Woord, niet geschonden
Alleen het niet-geschonden Woord is nietgebonden. Wordt het Woord geschonden door ons of door de kerk, dan zal God het Woord 'binden'. Ik bedoel daarmee: toesluiten. Het licht kan van de kandelaar worden genomen. De Ruiter op het witte paard uit het Boek der Openbaring, reed en rijdt nog. Hij kan ons passeren, voorbijgaan.
Zo wij Hem verloochenen. Hij zal ons ook verloochenen. Dat bewijst de kerkgeschiedenis overduidelijk. Wie de 'kerkekaart der eeuwen' beziet ontdekt dit. Wat is er overgebleven van de zeven Klein-Aziatische gemeenten? Wat is er nog te vinden van de Kerk van Christus in de landen, waar eertijds de reformatie bloeide en de kerk groeide?
Wanneer wij vandaag horen hoe vaak er wordt gesproken over kerkverlating, mag ons dit wel wat zeggen. Dit valt dan samen itiet de opleving van het kerkelijk leven en het geloofsleven in landen achter het IJzeren Gordijn en b.v. Korea. In bepaalde Oosteuropese landen is men opnieuw de geschriften van de reformatoren gaan verstaan, nadat daar aanvankelijk de invloeden van de Amsterdamse School hadden overheerst. Vanuit het opnieuw verstaan van de reformatorische belijdenis bloeit het geloofsleven op.
Laten wij het ons voor gezegd houden en erdoor bevestigd worden dat alleen het ongeschonden Woord niet is te binden. God gaat door Christus Zijn weg op de wagen van het zuivere Woord dwars door alle tegenstand heen. Zijn werk kan niemand verhinderen of verstoren, al heeft het soms de schijn dat de mens het door zijn eigenwillige godsdienst kan tegenstaan. Onweerstanbaar gaat de zegewagen van het Woord de weg van het welbehagen Gods. Maar wie het Woord schendt, zal God schenden. Wij hebben daar in onze tijd wel acht op te geven, ook binnen de kerk.
Als Paulus wijst op het niet-gebonden Woord, dan verbindt hij daar direct aan 'naar mijn Evangelie'. Calvijn tekent daarbij aan: 'Opdat niemand mijn leer vervalse noch verderve door laster, zo heb ik aldus gepredikt, dat Christus, die mens geworden is uit het zaad van David, eveneens opgestaan is uit de doden. Hij noemt zijn Evangelie niet omdat hij zeggen wil dat hij daarvan de auteur was, maar omdat hij een dienaar daarvan is. Wij hebben altezamen een zeker pand van deze opstanding in de Opstanding van Christus. Daarom die daar belijdt dat Christus van de dood is opgestaan, dezelfde bevestigt dat ons desgelijks geschieden zal: omdat Christus niet verrezen is om Zijnentwil of voor Zichzelven, maar voor ons: want het Hoofd behoort niet gescheiden te zijn van zijn leden'. Tot zover Calvijn. Het woord van Paulus en deze verklaring ervan door Calvijn staan al duidelijk tegen de achtergrond van de ontkenning van de lichamelijke opstanding van Christus.
Opstanding
Dit laatste zegt ons dat ieder, die de opstanding van Christus loochent, ook Zijn lichamelijke opstanding, zich los heeft gemaakt van Christus het Hoofd der kerk. Die staat niet meer op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Christus de uiterste Hoeksteen is. Paulus fundeert 'zijn Evangelieverkondiging' op de lichamelijke opstanding van Jezus Christus. Hij doet dit in zijn brief aan de gemeente te Korinthe als hij zijn loflied op de waarachtigheid van het evangelie begint 'Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat'. Wie, in navolging van het Sanhedrin, een alternatieve boodschap van Pasen voorstaat, maakt de prediking ijdel en het geloof ijdel.
Die bindt het Woord aan menselijk vernuft en schendt het Heilig Evangelie. Steeds heeft de kerk zich tegen deze ketterij verzet en deze weerlegd. We roepen de kerk op dit in deze tijd óók te doen, nu de Leidse hoogleraar in de theologie dr. F. O. van Gennep uitgesproken heeft in te stemmen met de Anglicaanse bisschop van Durham, David Jenkins, en zegt: 'Ik ben het met Jenkins eens. Ik geloof niet in de lichamelijke opstanding en evenmin in wonderen'.
Van Gennep moet wel weten wat hij zegt wanneer hij verklaart dat andere theologen tot dusver geen klare wijn hebben geschonken en zich verschuilen achter het mysterie van paasmorgen. Hij zegt dat dit om de volgende motieven gebeurt:
1. De angst voor de hete adem van de orthodoxie.
2. De angst voor jezelf de knoop door te hakken.
3. De wens om pastoraal te zijn en de gemeenten in hun geloof niet te schokken.
4. Het ongeloof in de lichamelijke opstanding zou onze solidariteit kunnen ondergraven met al die armen, voor wie het uitzicht op het koninkrijk van God hun enig perspectief is.
Van Gennep moet dan wel weten, dat hij daarmee de evangeliebeschrijving loochent, waarin staat dat de engelen Gods het lege graf hebben getoond aan de discipelen, met de opgevouwen doeken erbij. Dat wij daarbij belijden dat Christus in hetzelfde lichaam is opgestaan als waarin hij begraven werd, zij het met een verheerlijkt lichaam, is gans iets anders dan te spreken over een parapsychologisch verschijnsel.
Tegelijk met de loochening van de lichamelijke Opstanding moet hij ook de lichamelijke Hemelvaart van Christus ontkennen.
Indien Van Gennep tot deze ontkenning van de lichamelijke Opstanding komt, omdat hij meent dat zo de weg vrij komt voor de mens om weer in de Opstanding te geloven, dan vergist hij zich. Alleen het niet-geschonden Woord is het niet-gebonden Woord.
Ik daag Van Gennep uit ons te verklaren hoe hij nog in het ambt kan blijven staan als hoogleraar in de theologie binnen een kerk, die in haar belijdenis onvoorwaardelijk en onverkort belijdt te geloven in de lichamelijke Opstanding van Jezus Christus, haar Hoofd en in de opstanding des vleses, en indien hij openlijk verklaart niet in wonderen te geloven.
Ik vraag Van Gennep waarom hij geen gravamen indient tegen het belijden der kerk opdat de kerk zich hierover uitspreekt.
Ik doe een dringend beroep op de Synode van onze kerk antwoord te geven op de uitspraak van Van Gennep. Allereerst en allermeest om op te komen voor het Woord van haar Koning en om haar eigen belijdenis te handhaven. Dat is zij verplicht aan haar Hoofd en Zaligmaker. In de tweede plaats doe ik dit dringend beroep op de Synode, opdat zij opkomt voor haar dienaren des Woords, die door Ven Gennep ervan worden beticht huichelaars te zijn, omdat zij zich uit angst en vrees verschuilen achter het mysterie van paasmorgen, terwijl Van Gennep hen er tegelijk van beticht te verkondigen wat zij zelf niet geloven. Van Gennep heeft zich schuldig gemaakt aan laster en dienaren des Woord valselijk beticht van huichelarij. Daar kan de Synode niet aan voorbij gaan.
Wij zeggen dit alles niet met vreugde, maar met droefheid in ons hart en met de belijdenis dat ook wij zelf hebben te waken om staande te blijven op het fundament der apostelen en profeten. Wij voelen ons er ook toe meegeroepen vanuit de doelstelling van onze beweging: de verbreiding en verdediging van de waarheid. Ook voor ons geldt: Zo wij Hem verloochenen. Hij zal ons ook verloochenen. Zijn Woord is niet gebonden, noch in de belofte, noch in het oordeel.
Ds. C. v.d. Bergh
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's