Pluraliteit en de kerkelijke praktijk
Een tweetal begrippen wordt in ons verdeelde en gedeelde kerkelijke leven enigszins door elkaar gebruikt, namelijk pluriformiteit en pluraliteit. Pluriformiteit is veelvormigheid en pluraliteit is veelvoudigheid. Nu is het zo, dat we met een zekere pluriformiteit, mits goed verstaan, kunnen en zelfs mogen leven in de kerk. Zoals er geen twee bladen aan een boom gelijk zijn, zo zijn er ook geen twee mensen gelijk. God heeft bovendien aan iedere onderscheiden mens specifieke gaven gegeven. In de gemeente mag zo ook een verscheidenheid van gaven tot uitdrukking komen. De hand kan niet zeggen tegen de voet ik heb u niet nodig. De apostelen hadden elk voor zich hun eigen accenten en accentueringen met betrekking tot de zaken van het geloof. Pluriformiteit is, als het er op aankomt een hoog goed. Als we dit ontkennen zou er eigenlijk geen boek meer geschreven moeten worden. In de verscheidenheid komt het leven tot uitdrukking. Als het maar zo is, dat in de verscheidenheid van gaven en bedieningen één en dezelfde Geest werkzaam is.
Abraham Kuyper heeft evenwel een pluriformiteitsleer aangaande de kerk ontwikkeld. Daarmee wilde hij zoveel zeggen als: in één en dezelfde gemeente kunnen zich verschillende openbaringen van het Lichaam van Christus voordoen. In feite legitimeerde Kuyper met deze visie op pluriformiteit de kerkelijke gescheidenheid, zoals die met Afscheiding en Doleantie naar voren waren gekomen. Men kan zich afvragen of hij niet beter reeds over pluraliteit had kunnen spreken, het begrip dat vandaag, méér dan pluriformiteit wordt gebezigd.
Pluraliteit
In het woord pluraliteit, veelvoudigheid is in feite de kerkelijke verdeeldheid opgesloten. De kerk is samengesteld uit een veelvoud van delen. Niet te ontkennen valt dat dit de kerkelijke praktijk is geworden. Of we nu het kerkelijke leven binnen een kerk opgedeeld zien in onderdelen, zoals in een richtingenkerk als de Nederlandse Hervormde Kerk het geval is, of dat we de kerk letterlijk gedeeld zien vanwege allerlei scheuringen en scheidingen, in alle gevallen moeten we constateren dat het éne Lichaam van Christus gescheurd is, opgesplitst is in een veelvoud van delen. En dat nu is ten principale strijdig met de grondnoties van de Schrift over kerk en gemeente. In Efeze 4 wekt Paulus op de enigheid des Geestes door de band des vredes te bewaren. 'Eén lichaam is het, en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping. Eén Heere, één geloof, één doop.' (Ef. 4 : 4, 5).
Eigenlijk wordt vandaag echter op Kuyperiaanse wijze van de nood der gescheidenheid een deugd gemaakt. Zoals Kuyper de pluriformiteit wettigde zo wordt vandaag de pluraliteit gewettigd. Dat wordt dan gedaan met een beroep op de gemeenschap, de koinonia, waarover in Handelingen 2 wordt gesproken. De apostelen waren bijeen – zo lezen we daar – in de gemeenschap, de breking des broods en de gebeden. Deze gemeenschapsgedachte vinden we ook terug in artikel X van de hervormde kerkorde waar gesproken wordt over de 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen'. Ik onderken het hoge ideaal, dat men voor ogen had toen in de kerkorde dit begrip werd gebruikt. Maar al tijdens de behandeling van de kerkorde hadden van verschillende zijden stemmen geklonken, die zeiden dat gemeenschap met de belijdenis der vaderen toch niet betekenen kon, dat men dat ook de inhoud van de belijdenis moest onderschrijven of voor zijn rekening moest nemen. Dat betekende het echter nu juist voor hervormd gereformeerden wèl. Was in eerste instantie, dat wil zeggen in behandeling in eerste lezing in de synode, de formulering 'in gemeenschap…' met algemene stemmen aanvaard, in tweede lezing werd duidelijk, dat er toen reeds een principiële kloof gaapte in de synode wanneer het ging om de functie van de belijdenis in relatie tot het begrip gemeenschap. Zeker, in de uitdrukking gemeenschap zit een religieus, een bevindelijk element. Maar zo ziet de Nederlandse Geloofs Belijdenis het ook zelf, doordat telkens weer gezegd wordt: 'Wij geloven met het hart en wij belijden met de mond'. Het rechte belijden komt uit een hartelijk geloven voort. Toen dan ook aan prof. dr. J. Severijn, bij een samenkomst van kerkelijke leiders in de Nieuwe Kerk in Amsterdam direct na de oorlog, werd gevraagd wat hij bedoelde met de uitdrukking religie van de belijdenis zei hij: Wat dáár staat, dat zit hìèr. Hij sloeg zich toen drie keer op de borst. De religie van de belijdenis mag dan ook niet tegen de belijdenis zelve worden uitgespeeld. Intussen zien we, dat vandaag de koinonia, de gemeenschap uitgangspunt is voor het samen kerk-zijn. Ieder, die zegt zich binnen de grenzen van artikel X van onze kerkorde te bewegen, wordt ook geacht zich binnen die grenzen te bewegen. En als zodanig wordt dan de pluraliteit aanvaard en gewettigd. Wat hebben we als Hervormde Kerk immers gedaan met de kerkordelijk vastgelegde uitspraak dat de kerk weert al wat haar belijden weerspreekt? Het zij toegegeven, dat in bepaalde gevallen er sprake geweest is van een herderlijk schrijven als de grenzen van het belijden werden overschreden. Maar in feite kan ieder leren wat hij op de tong heeft, óók als het hart van het belijden wordt geraakt. Ik behoef in dit verband niets meer te zeggen over recente uitspraken van prof. dr. F. O. van Gennep (ontkenning van de lichamelijke opstanding van Christus) en prof. dr. G. H. ter Schegget ('Ik ben al bijna atheïst'). Het gaat hier overigens wel om kerkelijke hoogleraren, aan wie de zorg voor de aanstaande dienaren des Woords is toevertrouwd. Beschermt de gewettigde pluraliteit hun uitspraken of zijn ook kerkelijke hoogleraren gebonden aan artikel X of is artikel X zo rekbaar dat wat zij ook leren daar binnen valt?
Schets '88
We vinden die wettiging van de pluraliteit met name ook terug in de principiële prolegomena bij de Schets '88 voor Samen op Weg. Ik citeer: 'Koinonia betekent elkaar volledig aanvaarden vanwege de wederkerig herkenbare oriëntatie op de ene Heer, Koinonia betekent elkaars geschenk om Christus' wil, betekent vanuit de binnenste cirkel van de gemeente, waar brood en wijn worden gedeeld, op een aansprekende wijze kerk willen zijn in nationaal en mondiaal verband.' Dit nu is een spanningsloze formulering. Het is dáárom een spanningsloze formulering, omdat in feite de worsteling om de waarheid eruit weg is. Al er overigens al iets onder spanning staat is het de belijdenis als zodanig. Als namelijk 'de waarheid' genoemd wordt en dan vooral nadruk gelegd wordt op het doen van de waarheid, wordt gezegd dat de kerk welis waar moet weren wat haar belijden weerspreekt, maar… 'De strijd om de waarheid kan niet wordenbeslecht door de belijdenis van het voorgeslacht slechts woordelijk te herhalen. Het gmg de vaderen niet om een getuigenis naast de Schrift, dat als toetje voor de eeuwen zou moeten functioneren, maar om een getuigenis uit de Schrift…' Dit is echter een valse tegenstelling. De belijdenis is immers een accoord van kerkelijk belijden en daarin vinden we de religie van onze belijdenis, het hart van ons geloof terug. De plurale aap komt echter uit de kerkelijke mouw wanneer weliswaar wordt beaamd, dat waarheid en eenheid als elkaars complement worden gezien, elkaar dus aanvullen, maar tegelijkertijd wordt gezegd, dat uitzuivering moet worden vermeden. En dan komt de gewettigde pluraliteit om de hoek. Er kunnen, zegt men dan, zulke barsten en kloven in de spiritualiteit, in de geloofsbeleving ontstaan, dat de discussie en worsteling daarover maar beter niet ten einde toe over de rug van de gemeente moet worden uitgestreden. De last van de tegenstellingen kan niet altijd binnen de ene gemeente worden gedragen. De verscheidenheid in geloofsbeleving kan de spankracht van de ene (geografisch bepaalde) gemeente te boven gaan. Er moet in zulke gevallen plaats zijn voor verschillend 'gekleurde' gemeenten op hetzelfde grondgebied.
Wie zal durven ontkennen dat dit de praktijk van het kerkelijk leven is geworden. Maar in feite leggen we ons zo bij de feiten neer. Er is kennelijk een vermoeidheidsverschijnsel gekomen om ons nog druk te maken over een gemeenschappelijke ecclesiologie, een gemeenschappelijke leer aangaande de kerk. Het gaat om een pluraIe kerk, om 'Een huis om in te wonen', zoals de titel van een boekje van prof. dr. G. J. Dingemans luidt. In feite gaat het dan echter om een hotel om in te wonen. Wij laboreren als kerk(en) aan het feit dat we de waarheid niet meer durven zeggen en uitzeggen. In Galaten 3 zegt Paulus: 'O gij uitzinnige Gelaten, wie heeft u betoverd dat gij de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn… Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?'
Als in de Schets '88 gezegd wordt, dat de verscheidenheid in geloofsbeleving de spankracht van de gemeente te boven gaat, moeten we ons dan niet allereerst afvragen of die verscheidenheid misschien de spankracht van de waarheid niet te boven gaat. Calvijn noemt in zijn uitleg van het woordgemeenschap in Handelingen 2, in direct verband daarmee, de leer, waarover het in diezelfde tekst gaat. De apostelen waren bijeen in de leer der apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods. Hij zegt: 'want de leer is de band der broederlijke gemeenschap onderling en tegelijk opent zij ons de deur tot God, dat Hij van ons wordt aangeroepen'. Als we voor God en de engelen bij de kerk gerekend willen worden, zegt Calvijn, moeten we ons niet slechts op een zinledige naam bij de mensen willen beroemen.
Inderdaad, de koinonia heeft alles met de reine leer te maken, met het belijden, met de waarheid. Niet ieder, die zegt tot de gemeenschap te horen hoort tot de gemeenschap, zoals niet ieder die 'Heere, Heere' zegt ingaat in het Koninkrijk der hemelen. De kerk kan niet tegelijk belijden en niet belijden, niet ja zeggen en nee zeggen. Daarom is feitelijke aanvaarding van de pluraliteit een verlegenheid maar ook een onmogelijkheid. De basis van de koinonia is te smal om de kerk te dragen, als we daarbij niet betrekken het belijden zelf, zoals de kerk dat in haar belijdenis heeft vertolt. Terecht heeft het gezamenlijk appèl, dat recent is uitgegaan, daarom de nadruk gelegd op de homologia, de leer, het belijden. Een plurale kerk kan in feite geen accoord van kerkelijk belijden meer hebben. Dat is de armoede van Samen op Weg.
Hervormde praktijk
Vervolgens wil ik nu nog in het kort stilstaan bij de praktijk in het leven van de Nederlandse Hervormde Kerk, als het gaat om het functioneren van de pluraliteit. In de lijn van wat ik tot nu toe gezegd wil ik voorop stellen, dat de kerk geen democratie is met gelijk recht voor de verschillende delen, zeg richtingen. In het oude beginselprogram van de Christelijk Historirische Unie stond, dat het in de christelijke politiek niet gaat om de majoriteit, de meerderheid der kiezers, maar om de autoriteit, het gezag van Gods Woord. Welnu, dat geldt zeker voor de kerk. Daar heerst niet het recht van de meerderheid maar het recht van de Waarheid. Omdat de kerk 'des Heeren' is.
Nu heeft recent dr. G. Bos op de jaarvergadering van de Confessionele Vereniging harde woorden gesproken over de kerkelijke praktijk in de Hervormde Kerk. In feite – zo wilde hij zeggen – is de kerk tweevoudig geworden. Er zijn twee machtsblokken, de Middenorthodoxie en de Gereformeerde Bond, die elkaar de macht toespelen. En – bedoelde hij te zeggen – wij confessionelen zijn buiten beeld geraakt. Ik wil zijn woorden op z'n best interpreteren en zeggen, dat ik zijn uitlating wel kan begrijpen als uiting van een geprangd gemoed. Het is bitter als datgene wat je in de kerk wilt zeggen aan dovemansoren schijnt te zijn gezegd. Maar – ik schreef dat eerder – dr. Bos weet ook heel wel, dat sinds dit jaar en dag ook de hervormd gereformeerden kerkelijk gezien dóór zijn gegaan onder het juk van de repressieve tolerantie van de Middenorthodoxie. Zijn opmerking, dat nu vandaag de Gereformeerde Bond en de Middenorthodoxie elkaar de macht toespelen acht ik echter niet helemaal kosher, om het zacht te zeggen. Daar zouden we diepgaand op verder moeten praten. Onbekrompen en ondubbelzinnig gebonden aan de belijdenis. Feit is wel, dat er in de Hervormde Kerk een situatie is ontstaan – en we constateren dat op de synodevergaderingen –dat er een herkenbaar hervormd gereformeerd deel is en een herkenbare Middenorthodoxie en dat tussen deze beide, als het om het beginsel, om de gemeenschap met de belijdenis der vaderen gaat, een diepe kloof gaapt. Tegelijk speelt een rol, dat de betekenis van het hervormd gereformeerde deel in de kerk in relatieve zin maar ook in absolute zin is toegenomen. Vandaar dat sinds enkele jaren het begrip 'breedte van de kerk' zijn intrede heeft gedaan. Bij bezinning op vitale themata of bij de invulling van concrete commissies of organen moet met de breedte van de kerk rekening worden gehouden. De Generale Diakonale Raad heeft zelfs officieel een commissie 'breedte van de kerk' in het leven geroepen. Gevolg van één en ander is dat, méér dan in het verleden vaak het geval geweest is, er van een hervormd gereformeerde inbreng sprake kan zijn in allerlei zaken, die aan de orde zijn in ons kerkelijk leven. Maar die kwestie van repressieve tolerantie is gebleven. Ik bedoel daarmee te zeggen, dat we als hervormd gereformeerden váák, om niet te zeggen uitsluitend in minderheidsposities mee mogen doen en dat die minderheidspositie ook zorgvuldig wordt afgebakend. En wie dan in de kerk maar moeilijk leven kan bij het recht van de helft plus één en wie dan maar moeilijk verdragen kan, dat de belijdenis der kerk niet' of niet royaal en loyaal, als norma norma ,als spreekregel voor de kerk functioneert, heeft vaak een stuk gewetenspijn als het gaat om het dragen van mede verantwoordelijkheid, met name als nog net niet de grens bereikt is, dat een minderheidsstandpunt moet worden ingenomen. Wanneer we als gereformeerde belijders participeren aan het kerkelijke leven in de volle breedte, ervaren we daarin ook een geducht stuk lijden aan de kerk.
Laat ik concreet worden. Waarom moet modaliteit altijd in mindering worden gebracht op kwaliteit? Wij verzekeren de kerk dat het mogelijk is om bij essentiële themata, die aan de orde zijn in onze kerk, studiecommissies te vormen, die, óók als ze voor het merendeel bestaan uit personen, die de belijdenis als spreekregel van de kerk wensen te eerbiedigen, best in staat zijn gedegen fundamentele stukken op tafel te leggen. Men kan zich afvragen hoe zulks zou vallen in de ambtelijke vergaderingen van de kerk. Nu is het zo, dat de vigerende Middenorthodoxie beleidsbepalend is en blijft bij alle vitale zaken, die zich in de kerk voordoen. Dan moet men er zich niet over verbazen dat we als hervormd gereformeerden andere, eigen kanalen kiezen, waarlangs we toch stem willen geven aan wat ons vanuit Schrift en belijdenis als ter zake voorkomt en ons hartgrondig bezig houdt. Zonder dit overigens in mindering te willen brengen op de kerkelijke betrokkenheid.
Pluraliteit in de praktijk betekent tòch, dat de macht berust bij de meerderheid. Ons wordt als hervormd gereformeerden, in concreto ook als Gereformeerde Bond nog al eens verweten, dat we op macht uit zijn in de kerk. Geloof ons: dan alléén het gezag van de Schrift en de belijdenis. Om de kerk tot haar eigen welzijn daaronder te laten leven. Onder alle andere gezag verkeren we met een slecht geweten. Maar de kerk zelf heeft niet de moed om eens een keer de ban van het meerderheids-minderheids-schema te doorbreken. Lijdt de meerderheid wel echt aan de kerk? Stel dat de kerk eens met voluit gereformeerde rapporten zou worden geconfronteerd, hoe zou dat vallen bij hen, die momenteel het beleid uitmaken? Men zou ervaren wat het betekent eens zelf niet de lijnen te kunnen uitzetten. Het streven naar macht verwijten we intussen meestal de ander.
Ik kijk evenwel in deze ook naar eigen kring. Want de vraag is of we over de hele linie van de Gereformeerde Gezindte in de Hervormde Kerk nog wel echt lijden aan de kerk. Hebben we ons vaak niet terug getrokken op de plekken, die ons tolerant gelaten zijn of lankmoedig geschonken zijn? Ik moet zeggen dat ik af en toe schrik als een stukje realiteit van het functioneren van hervormde classicale vergaderingen openvalt. Het verdient niet de schoonheidsprijs als we wel ín en ván de kerk willen leven, ambt en sacrament van de kerk ontvangen, van tijd tot tijd ook nog klaagzangen aanheffen over misstanden in de kerk, en we intussen niet meedragen de lasten, ook niet de bittere last van de pluraliteit. In de vorige eeuw kruiste de hervormde theoloog dr. Ph. J. Hoedemaker de degens met Abraham Kuyper inzake diens Doleantiestreven. Hoedemaker wees de Doleantie af en streed voor kerkherstel binnen de Hervormde Kerk. Van hem is het befaamde woord: 'De Heere beware ons voor een orthodoxe synode'. Hij bedoelde te zeggen: Stel dat de orthodoxie het voor het zeggen krijgt, is men dan in staat verantwoordelijkheid te dragen? Moeten we vandaag zeggen: de Heere beware ons voor een synode, waarin we als hervormd gereformeerden in de meerderheid zijn? Ik bedoel: Willen we verantwoordelijkheid dragen en kùnnen we die verantwoordelijkheid aan? Het is van tweeën een: òf we kiezen voor een binnenkerkelijke scheiding òf we dragen mee leed over het gruis van Sion.
Nog één opmerking wil ik hierbij wel maken. Recent hebben we in de Waarheidsvriend wat verse cijfers over kerkelijke meelevendheid gegeven. Van de nog meer dan twee miljoen hervormde zielen nemen er slechts 500.000 's zondags hun lichamen mee naar de kerk. Het is altijd wat hachelijk om zulke cijfers te hanteren. Het zou echter interessant zijn om ook de bemanning van de Hervormde Kerk op dit punt eens door te meten. Waarom zeg ik dit? Wel, we leven in een tijd van kerkverlating. De vraag mag worden gesteld of de kerk nog zuinig wil zijn op haar kerkgaande gemeente, zonder daarmee overigens haar apostolaire taak te verwaarlozen. Maar als vanuit het hart de uitgangen van het leven zijn – en dat is zeker zo – dan geldt dat zeker ook voor de kerk. Vanuit het hart, de gemeente die bijeenkomt rondom Woord en sacrament, zijn de uitgangen van het kerkelijke leven. Kijk, dan praten we niet meer over macht. De kerk is daar waar de gemeente samenkomt. Dan gaat het om een functionerende, een levende en een gevende gemeente. Dit laatste noem ik ook bewust. Een gevende gemeente, dat wil ook zeggen: een gemeente, die ook bijdraagt in de lasten van de kerk. Ooit zei onze oudvoorzitter ds. W. L. Tukker – en we horen het hem nog zeggen – : Mijn geld kunnen ze krijgen maar van m'n belijdenis blijven ze af. Deze uitdrukking – hoezeer ook ingegeven door liefde tot de kerk, en zó onderschrijf ik haar – is geen belijdenisuitspraak. De vraag zal in de toekomst pregnanter worden of het wel aangaat met het geld van de meelevende gemeente dingen te doen, die haaks staan op het geloof van de gemeente. Om daarmee kerkelijke en theologische activiteit te voeden, die ver van de gemeente afstaat. Van m'n belijdenis blijven ze af? Maar ze blijven er niet af.
Opleiding
Ik wil in dit verband afsluiten met een zaak, die ons hoog mag zitten. Ik bedoel de kerkelijke opleiding. We hebben kunnen lezen, dat de Hervormde Kerk staat voor een nieuwe weg voor de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords. Het gaat me nu niet om de structuur van de nieuwe opzet maar om de vraag of we in de opleiding belijdende kerk willen zijn. Willen we met de opleiding de gemeente echt dienen, de kerkgaande gemeente? Wil de kerk theologisch de gemeente dienen vanuit de Opgestane Paaskoning? Een andere Weg is er niet en mag er niet zijn. Is het echt toelaatbaar dat een kerkelijk hoogleraar – en ik bedoel nu Ter Schegget – zegt dat alles ter discussie mag staan, dus ook de vraag of nu God de mens geschapen heeft of dat de mens God geschapen heeft? Ik spreek toch niet over abstracte zaken?
Wil de kerk toekomst hebben, dan geve zij hoogleraren, die hartstochtelijk theoloog, Godzegger, willen zijn, mannen, die zeggen: Hier sta ik, ik kan niet anders. Waar zijn uw Bogermannen?, vroeg prof. dr. A. J. Bronkhorst ons? Hebt u er wel naar gezocht?, vragen we dan? Waar moeten we dan de Leidse kerkelijke hoogleraren onderbrengen?
Intussen heeft de kerk de jaren door al wat kwaliteit laten liggen omdat, juist ook als het om de opleiding gaat, modaliteit in mindering gebracht werd op kwaliteit. Nee, we noemen geen namen…!
Theologie zal allereerst dienstbaar moeten zijn aan kerk en gemeente. We mogen ons afvragen of alle theologische investering, ook waar die direct namens en vanwege onze kerk is gegeven, wel diepte investering is geweest voor de gemeente.
Wanneer vandaag, ondanks secularisatie, geestelijke crisis en kerkverlating, vele jongeren gereed staan om de kerk in prediking, pastoraat en catechese of missionair te gaan dienen mag de kerk er wel op toezien, dat er voldoende toerusting is voor dit directe werk van de kerk en of dit dan – en we doen hier een appèl op onze kerk, die historische papieren heeft – conform Schrift en belijdenis geschiedt. De kerk heeft geen behoefte aan theologische wolkenfietsers maar aan schatgravers uit de goudmijn van de kerk der eeuwen.
Want àl te zeer spelen kerkpolitieke overwegingen, de geroemde pluraliteit ten spijt, een grote rol bij de theologische equipage.
De invulling van het nieuwe hervormde instituut, dat in het leven wordt geroepen zal een testcase zijn.
Mijn slotopmerking tenslotte is dat Schriftgeloof altijd boven belijdenisgeloof uitgaat maar dat geloof nooit boven de Schrift uitgaat. Dat zegt ons ook onze belijdenis. Daarom geen per definitie gelegitimeerde plurale kerk maar een kerk waarin de Schrift norma normans en de belijdenis norma normata is. En hoezeer we ook zelf als hervormde gereformeerden een stukje zijn van die plurale kerk in haar praktische gestalte, we zullen nimmer vrede hebben bij een ecclesiologische consensus op pluraliteit gebaseerd. Dan hebben we de Reformatie prijs gegeven.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's