Het geloof
Reformatorische visie
Afscheidsreferaat op jaarvergadering Gereformeerde Bond op woensdag 31 mei 1989 te Nijkerk
Het zou mij niet verbazen als ik van deze of gene de vraag te horen zou krijgen of het wel zo zinvol is, om op een Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond een referaat te houden over het Geloof. Als kerkelijke organisatie staat de Bond heden midden in een hele reeks hoogst aktuele problemen. Waarom wordt door mij een vergadering als dezen niet benut om samen te spreken over het Conciliair Proces, of over Vrede en Gerechtigheid, of over het milieu, of over de roeping en taak van de kerk in een geseculariseerde samenleving, of over Samen op Weg, of over de Geestesgaven, of over de vraag of ook kinderen mogen deelnemen aan het Heilig Avondmaal.
Dit zijn de vragen die heden velen bezig houden. En waarlijk niet geheel ten onrechte. Met het een en ander móeten wij ons bezighouden, omdat het ons wordt opgedrongen, en andere zaken zijn er die zelf een zodanig gewicht hebben, dat het niet geoorloofd is eraan voorbij te gaan. Het is dus allerminst onze bedoeling om de zojuist genoemde vragen en problemen te bagatelliseren.
Maar er zijn ook nog andere vragen. Ik noem ze basisvragen. Zij liggen vaak buiten het gezichtsveld, maar zijn daarom niet minder belangrijk. Op de keper beschouwd zijn ze zelfs de meest wezenlijke. Wie de vragen van de dag werkelijk serieus neemt, en niet er slechts oppervlakkig en modieus over redeneert, stuit op de gróndvragen.
Die grondvragen zijn niet eens zo talrijk. Wij laten ons bedriegen door de schijn, als wij menen dat wij heden met geheel nieuwe dingen bezig zijn. De eigenlijke – niet eens zo talrijke – vragen in de geschiedenis van kerk en theologie keren steeds weer terug. Er staan andere namen bij, en de inkleding is menigmaal anders, maar de zaak is dezelfde.
Tot die grondvragen nu behoort ook de vraag wat het geloof is. Het antwoord dat op die vraag gegeven wordt is van verstrekkende betekenis. Zij heeft in hoge mate relevantie voor hetgeen er in de kerk gepreekt en geleerd wordt. Zij bepaalt bij een ieder van ons de plaats die wij innemen in de kerk, ook onze visie op de kerk, ook ons werk in de kerk. Zij bepaalt niet minder het innerlijk leven, het geloofsleven van de gemeente.
Wat mij in deze lezing voor ogen staat is een weergave van de reformatorische visie op het geloof, en het wijzen op de consequenties daarvan.
Ik weet dat ik mij hiermee een zekere beperking opleg, maar dat is onvermijdelijk. Al wordt door mij niet een uitgesproken bijbels-theologisch betoog gehouden, zal toch de Schrift steeds aan het woord komen. Allerlei theologische ontwikkelingen ten aanzien van het geloofsbegrip, in de vorige eeuw en in onze eeuw kunnen slechts van terzijde worden aangeduid.
Wie een rooms-katholieke dogmatiek opslaat, als bijvoorbeeld het Lehrbuch der Dogmatik van Bernhard Bartmann, ontdekt dat het geloof nog altijd in de kerk van Rome wordt omschreven als een voor waar houden. Het geloof is assensus, instemming, met name: instemming met de leer van de kerk. De betekenis van het geloof is slechts een voorlopige voorbereidende. Waar het op aankomt is niet het geloof, maar veelmeer de liefde, als bron van goede wrken. Het geloof bereidt op de liefde vóór. Het christenzijn wordt niet gekenmerkt door het geloof, maar door liefde en goede werken. Voorzover er over geloof gesproken wordt, mist dat begrip het relatieve element, de betrokkenheid op God zelf, op Christus en Zijn genade.
Zo was het al in de middeleeuwen. Een woord van Augustinus, namelijk dat hij niet tot het geloof gekomen zou zijn als niet het gezag van de kerk hem ertoe bewogen had, werd veel en graag geciteerd. Er is ten eerste de kerk rnet haar gezag, daarop volgt dat men hetgeen de kerk leert aanvaardt, en dat heet dan geloof. Het eigenlijke is er echter pas als er de liefde is, als moeder van allerlei goede werken.
Dit is de leer en gedachtenklimaat waarin de hervormers, in hun jonge jaren, verkeerden en opgroeiden.
Radicale breuk
Het is tegelijk de leer en het leefklimaat waarmee zij radikaal gebroken hebben. De zogenaamde reformatorische ontdekking kan men heel verschillend omschrijven. Zo kan men zeggen, dat men ontdekte wat het begrip 'rechtvaardiging' in de Heilige Schrift betekent. Men kan ook zeggen: men leerde verstaan wat 'genade ' is. Of: men leerde Christus kennen als de van God gegeven Zaligmaker. Maar men kan ook zeggen, dat men de bijbelse betekenis van het woord 'geloof' leerde kennen.
Het woord 'geloof' werd weggehaald uit de schaduw waarin het eeuwenlang gestaan had. Het geloof kreeg zijn centrale bijbelse betekenis terug. Christus en het heil der zielen werden rechtstreeks met het geloof verbonden. De vrijsprekende gerechtigheid Gods kan alleen ons deel zijn door het geloof. Allerlei teksten uit de Schrift, vooral uit het Johannesevangelie, hebben voor Luther een bijzondere betekenis gekregen, het zijn de teksten die spreken over het geloof. De hervormers waren stuk voor stuk predikers van het geloof in Christus. Veel meer dan wedergeboorte en bekering stond het geloof in hun prediking centraal. Het zal moeilijk zijn om in de 2500 preken die van Luther bewaard zijn gebleven er enkele te vinden waarin niet Christus en het geloof worden gepredikt. Wedergeboorte en bekering waren niet thema's die door de hervormers werden verzuimd, maar zij stonden nooit zo centraal als het geloof.
Van Calvijn is de uitspraak, dat het geloof het voornaamste werk van de Heilige Geest (Inst. III, 1.4) is. Die eer heeft hij niet toegekend aan de wedergeboorte, ook niet aan de bekering, maar aan het geloof.
Dat alles had ook een bepaalde reden. De hervormers hebben ontdekt wat Gods openbaring is. Op hun verstaan van Gods openbaring konden zij alleen maar het geloof als correlatie zien.
Wie in de openbaring Gods niet meer ziet dan het bekend maken van een stel waarheden, komt als vanzelf tot een verintellectualisering van het geloof. De bloei van de Scholastiek in de middeleeuwen was niet een verschijnsel dat ons moet bevreemden. Men kón niet anders. Een scholastieke leerwijze en een intellectualistisch geloofsbegrip, zijn elkaars componenten.
Wie in Gods openbaring een louter innerlijk gebeuren ziet, zoals in de mystiek steeds het geval is, kan evenmin tot het bijbels geloofsbegrip komen. In de mystiek komt het nooit aan op het geloof, maar op de ervaring.
Hiermee zitten wij tegelijk ook midden in onze eigen tijd. De Orthodoxie was in de 18e eeuw tot een al te redelijke behandeling van Gods openbaring gekomen een zekere verintellectualisering van het geloofsbegrip was onmiskenbaar. Toen kwam Schleiermacher, die alles verinnerlijkte. Hij trok alles in de ervaring. Dat heeft ontzaggelijke gevolgen gehad, tot op de dag van vandaag. Heel de Ethische theologie van de vorige eeuw was debet aan Schleiermacher, en aan Alexandre Vinet. En het werkt nog door in allerlei kerkelijke groeperingen. Het vindt aansluting bij het toch al individualistisch en subjectivistisch leefklimaat van de moderne mens. Met als gevolg dat velen in de kerk (en in de kerken) weinig waardering meer kunnen opbrengen voor de klare geloofsprediking van de Reformatie.
Maar het verwarren van 'openbaring' en 'ervaring', waarbij het geloof zijn centrale functie verliest, komt men ook ter rechterzijde in het kerkelijke leven tegen. Men houdt zeer zeker daar nog wel vast aan heilsfeiten en dogma's, gelukkig wel, en daardoor blijft genezing mogelijk, maar de eigenlijke belangstelling ligt in de louter verinnerlijkte Godservaring.
Sola's
In de Reformatie vindt men iets anders. Waarom? Omdat zij zo bijbels was. Al de ons bekende sola's vormden één geheel. Het sola gratia staat niet los van het sola fide en het sola fide staat niet los van het sola scriptura, en het solus Christus domineert alles.
De Schrift, hoe bevindelijk zij ook is – ik kom daar straks op terug – biedt ons niet een reeks verhalen van innerlijke ervaringen. Die komen er wel bij, met name in de Psalmen, maar waar het éigenlijk in de Schrift omgaat is God zelf, de alleswerkende, alles scheppende God die heilsdaden heeft verricht; in de geschiedenis van Israël en in Jezus Christus, zijn Zoon.
De Hebreeënbrief zegt het zo prachtig. God heeft voortijds op velerlei wijze gesproken door de vaderen en ten laatste door zijn Zoon. Er is een sprekend en een handelend God. Daarvan is de Schrift vol.
En dat heeft de Reformatie ontdekt. Niet langer werden heiligen-legenden gepreekt, maar heilsfeiten. Steeds hield Luther zijn hoorders voor om neer te zien in de kribbe. Daar is God! Luther heeft hele preken kunnen houden waarin hij de geschiedenis van Pasen zijn hoorders vertelde. Voor Luther, hoe existentieel zijn preekwijze ook was, is het onmogelijk geweest om op een wijze als onlangs Van Gennep gedaan heeft, de opstanding van Christus te vervluchtigen, te verspiritualiseren. Zo mystiek was Luther niet! Calvijn was het evenmin. Zijn preken zijn soms op het 'droge' af, omdat hij eenvoudig zei wat er in de Schrift staat, in het besef dat de gemeente alleen waarlijk leven kan bij hetgeen God gedaan heeft en God gezegd heeft.
Gaan wij nu uit van de heilsfeiten en van het spreken Gods, waarvan de Hebreeënbrief getuigt, dan kan men niet anders dan een geloofsprediker zijn. Heilsfeiten kunnen alleen gelóófd worden. Woorden Gods kunnen alleen gelóófd worden. Zo kon Calvijn zeggen: Het geloof is het voornaamste werk van de Heilige Geest. Gaan wij nu vervolgens na hóe zij over het geloof gesproken hebben, dan kunnen wij constateren dat de hervormers, in navolging van het bijbels taalgebruik, een hele reeks namen en omschrijvingen hebben gehanteerd. Maar enkele springen eruit. Zo zal men bij Luther vaak kunnen tegenkomen het woord 'vertrauen'. 'Glauben' en 'vertrauen' zijn voor hem identiek. Een andere uitdrukking voor het geloof die men bij Luther menigmaal tegenkomt is 'het aanhangen van Christus'. De gelovige grijpt Christus aan, neemt Hem aan, hangt Hem aan. Het is de Crhistus die in het Woord en de beloften van het evangelie tot ons komt. Op een hele reeks van teksten uit de Schrift heeft Luther zich voor deze geloofsvisie kunnen beroepen. Abraham geloofde God en het is hem tot gerechtigheid gerekend. Het geloof gaat altijd heen door aanvechting van zonde, dood, duivel en hel en ook van de toorn Gods, en grijpt dan Christus aan, en hangt Hem aan. Dat zijn allen begrippen die getuigen van een relatie. Het geloof is een persóónlijke relatie. Tegenover het ónpersoonlijke geloofsbegrip van de kerk van Rome stelt Luther het warme, bevindelijke, bijbelse geloofsgetuigenis.
Toch moet men niet denken dat Luther daarmee het geloofsbegrip ontdaan heeft van het kenniselement, van het cognitieve, en dat hij het geloof dermate verinnerlijkt heeft dat de inhoud ervan irrelevant wordt. Zulk een geloof viel bij hem onder het oordeel van Schwärmerei, geestdrijve
Dogma en bevinding
Zelfs de kinderen leerde hij het dogma. Dogma en bevinding, leer en vroomheid waren voor hem niet twee gescheiden grootheden, maar vormden een eenheid. Als een voorbeeld neem ik een stuk uit zijn Kleine Catechismus, bestemd voor de kinderen van de gemeente. Het gaat daarin over het middenstuk van onze Apostolische Geloofsbelijdenis, dus de woorden: En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, enzovoort, tot aan de woorden: Die zal komen om te oordelen de levenden en de doden. Dan vraagt Luther: Wat is dat? Het antwoord van de leerling moet zijn: 'Ik geloof dat Jezus Christus waarachtig God is, uit de Vader van eeuwigheid geboren, en ook waarachtig mens, geboren uit de maagd Maria, dat Hij mijn Heere is, mij verloren en vervloekt mens verworven en verlost heeft van alle zonden, van de dood en van alle geweld des duivels, niet met goud of zilver, maar met zijn heilig en dierbaar bloed en met zijn onschuldig lijden en sterven, opdat ik zijn eigendom ben en in de kerk leef onder zijn heerschappij, en Hem dien in eeuwige gerechtigheid, onschuld en zaligheid, gelijk ook Hij is opgestaan uit de doden, leeft en regeert in eeuwigheid. Dat is vast en zeker waar.'
Wat merken wij hierin op? Reeds de (kleine) kinderen heeft Luther geleerd de dogma's, in dit geval het oudchristelijke dogma aangaande Christus, diens waarachtige Godheid en mensheid. Dat is in Luthers Catechismus het dogmatische, leerstellige, confessionele element. Maar dat vormt een onverbrekelijke eenheid met het persoonlijke, het existentiële, bevindelijke element. Die Christus die waarachtig God en mens is, heeft mij gekocht met zijn dierbaar bloed. En dat kopen en verlossen met zijn dierbaar bloed heeft Hij alleen maar kunnen doen omdat Hij waarachtig God en mens is. Dogma en vroomheid, confessio en pietas vormen hier één geheel. Tegenover alle spiritualisme handhaafde Luther het dogma, de confessie; tegenover Rome kwam hij op voor het persoonlijke, het bevindelijke.
Luther, en ook de andere hervormers, hebben geweten dat in de Schrift het geloof een weliswaar persoonlijke relatie aanduidt, maar nooit een léég begrip is, wat ieder naar eigen individualiteit en subjectiviteit kan vullen. Het geloof is niet zó persoonlijk, dat het geven van enige inhoud eraan aan onszelf kan worden overgelaten. Ik wijs er nu al op dat dit voor de huidige kerkelijke praxis van de hoogste actualiteit is. Om slechts één ding te noemen: Aan de avondmaalstafel kan niet aan de deelnemers zelf worden overgelaten om te geloven en te beleven wat zij willen of waartoe zij in staat zijn. Wij moeten hun geloof en beleven een zeer bepaalde inhoud geven, en zij dienen die inhoud te kennen en zij dienen bij machte te zijn om die inhoud te kennen. Dat is de grond waarop in de reformatorische traditie de deelname van kinderen aan het avondmaal steeds is afgewezen.
Calvijn
Ik kom tot Calvijn. In feite vinden wij bij hem hetzelfde als bij Luther. Ook weer die eenheid van het geloof als daad en het geloof als een bepaalde leer, als een ons aangereikte, overgeleverde inhoud.
Het enige verschil met Luther is dat Calvijn het kenniselement in zijn geloofsdefinitie heeft opgenomen. Hij noemt het geloof 'kennen'. Teksten als Johannes 17 : 3 hebben hem daarbij voor de geest gestaan: 'Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus die Gij gzonden hebt'.
Wij moeten echter wel onderstrepen dat het hier gaat over een 'kennen' van geheel eigen aard. Het is meer dan alleen maar een intellectueel kennen. Het is een kennen waarbij de hele mens betrokken is, met al de vezelen van zijn bestaan. Het geloof is niet te localiseren in de een of de andere faculteit van het menszijn. Het is niet enkel een zaak van het intellect, van het verstand, ook niet enkel een zaak van gevoel, of van de wil. Het geloof als een door Gods Geest gewerkte werkelijkheid, is een zaak van de hele mens. Tot die hele mens behoort evenwel óók zijn intellect. Wij dienen, volgens Christus' onderwijs, ook met ons verstánd God lief te hebben. Hoezeer het 'kennen' bij Calvijn een eigen karakter heeft, leert ons hetgeen hij zegt omtrent het object van dit kennen. Hij spreekt over de welwillendheid Gods jegens ons en over de waarheid van Gods genadige belofte in Christus (III, 2.7). Het geloof is dus een kennen van God, een kennen van Christus, een kennen van Gods genadige belofte, een kennen van Gods goedgunstigheid. Het element van vertrouwen is daar voor Calvijn bij inbegrepen. Met deze definitie heeft Calvijn uitgesloten een koud objectivisme en tegelijk een vaag en zweverig subjectivisme. Het tegenover elkaar stellen en zelfs het naast elkaar stellen van een 'leerstellige godgeleerdheid' en een 'bevindelijke godgeleerdheid' heeft hem even ver gelegen als het kiezen voor Rome of voor de spiritualisten, de geestdrijvers. Het is te betreuren dat men later in het gereformeerd protestantisme de eenheid van dogma en vroomheid teveel uit het oog verloren heeft. Dat heeft het dogma geen goed gedaan, want het werd nu te intellectualistisch opgevat, maar het heeft ook de vroomheid geen goed gedaan, want die werd te weinig substantieel, te gevoelsmatig, en kwam open en bloot te liggen voor onbijbelse en onreformatorische invloeden. De erfenis daarvan zijn wij nog niet geheel te boven.
Objectief-subjectief
Hoezeer door Calvijn – en ook door de andere reformatoren – in het geloofsbegrip het objectieve of voorwerpelijke en het subjectieve of onderwerpelijke bijeen gehouden zijn, blijkt onder andere hieruit, dat hij nadrukkelijk gesteld heeft dat wij door het geloof wedergeboren worden. Calvijn laat niet het geloof opkomen uit de wedergeboorte, maar de wedergeboorte uit het geloof. Zo objectief en tevens subjectief is het geloof, dat het tegelijk een nieuw mens voortbrengt. Calvijn is hierbij uitgegaan van het woord van Johannes: Zo velen Hem (Christus) aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden (Joh. 1 : 12). De uitdrukking dat wij door het geloof wedergeboren worden, is ook opgenomen in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Hiermee is allerminst aan de werkelijkheid van wedergeboorte en bekering tekort gedaan. Maar hoe zou een vrucht ooit kunnen bestaan zonder boom? Hoe zou er ooit nieuw leven kunnen zijn en hoe zouden er ooit goede werken kunnen zijn zonder geloof? Waarlijk wij verwaarlozen de vruchten niet als wij met onze vinger de boom aanwijzen. De prediking zal gelóófsprediking moeten zijn, anders heeft zij haar reformatorisch karakter verspeeld.
Maar onmiddellijk voegen wij hieraan toe, dat het gaat om een levend geloof. Een geloof zonder wedergeboorte, zonder bekering, zonder vernieuwing van het leven, zonder heiliging, zonder goede werken, is de naam 'geloof' niet waardig. Hoe zou er ooit een waarachtige geloofsgemeenschap met Christus kunnen zijn zonder verandering van hart en leven?
Het is zeker waar dat het geloof inzonderheid betrokken is op Gods beloften, maar laat men niet vergeten dat het geloof in die beloften ziet op de levende God Zelf, op de levende Christus. Een kille beloftenprediking is het ook niet! Dan lijkt men wel te staan in de traditie van de Reformatie, maar het is een vergissing. Een enkel voor waar houden van Gods beloften en daaruit dan de redelijke conclusie trekken, dat zij ook voor ons bestemd zijn, zou door de reformatoren evenzeer afgewezen zijn als de scholastieke prediking van de kerk van Rome. Aan wie geeft God Zijn beloften? Aan mij, aangevochten zondaar! Of om de woorden van Luther te herhalen (uit zijn Kleine Catechismus), aan mij, vervloekt en verloren mens, zuchtend onder zonden, dood en alle geweld des duivels.
Zodra dit adres gaat vervagen wordt van de weeromstuit in de kerk een hernieuwd subjectivisme opgeroepen. Een kille beloftenprediking, waarin de bevindelijke noties van onder andere de innige gemeenschap met Christus en het leven uit Hem, en waarin wedergeboorte en bekering niet meer functioneren, jaagt de mensen in de armen van zogenaamde evangelische of ook wel van allesbehalve evangelische koesteraars, die de mensen knuffelen in hun vermeend bezit of althans in hun vermeende hyperorthodoxie.
Amen
Hiermee meen ik enkele wezenlijke lijnen getrokken te hebben in de geloofsprediking van de reformatoren. Zij hebben daarin hun oor te luisteren gelegd bij de Schrift. In het Oude Testament komt het woord geloof van het hebreeuwse werkwoord áman, amen zeggen op. Het geloof zegt Amen op het Woord Gods. Het doet dat met het hele hart. In de wetenschap dat het heil ervan afhangt. Luther zei eens toen hij een preek hield bij het in gebruik nemen van een kerk: Hier spreekt God tot ons door Zijn Woord en wij antwoorden door het gebed. Daarmee heeft hij getrof fen de zin van het hebreeuwse woord amunah. Het is een Amen zeggen, in gebedsgestalte, op het Woord dat de levende God tot ons spreekt.
In het Nieuwe Testament heeft het woord pistis dat wij door geloof vertalen de dubbele betekenis van het 'wat' en van het 'dat' van het geloven. Het geloof wordt gelóófd! Wat God van Zich heeft geppenbaard heet 'geloof', en dat geloof wordt door mij persoonlijk gelóófd. Het betreft in feite de hele openbaring Gods in Christus. Ik geloof de wet en ik geloof het evangelie. Ik geloof de vloek die de wet over mij uitspreekt, ik geloof in de toorn Gods over de zonde en ik buig mij daaronder, in schuldverslagenheid en verootmoediging. Ik geef, Luther te citeren. God gelijk. Om gerechtvaardigd te worden moeten wij God rechtvaardigen. Dan ontstaat er een conformitas tussen Hem en mij. Dan ga ik delen in Zijn rechtvaardigheid die een geschenk is.
In de Reformatie ligt een diep verstaan van de Schrift, dat men zich meebrengt een diep beleven van Gods weg met zondaren.
Praktijk
Ik wil nu nog enkele lijnen van hieruit trekken naar de praktijk. Ik denk daarbij eerst aan de kerk, vervolgens aan de prediking en in de derde plaats aan het persoonlijke geloofsleven.
1) De reformatorische visie op het geloof brengt een bepaalde kerkopvatting met zich mee. Zij is streng bepaald, genormeerd. Een zogenaamde pluraliteit van geloven en plurale kerk sluit zij uit. Het geloof is óók een voor waar houden. Zoals de Heidelbergse Catechismus zegt: een zeker weten van al hetgeen God in Zijn Woord heeft geopenbaard.
De Gereformeerde Bond loopt steeds gevaar dat men hem beschuldigt van dogmatisme, intellectualisme, orthodoxisme en confessionalisme. Dat risico zal de Bond moeten nemen. De tegenpartij is trouwens ook niet zonder dogma's, ook al gaan zij schuil onder wat men 'ervaring' noemt, de vraag is echter wat voor dogma's? De meest anticonfessionele heeft toch zijn confessie. Men zal zijn anti-confessionalisme moeten ontmaskeren. Een totaal leeg geloof bestaat niet, is een hersenschim.
Het anticonfessionele is zelfs binnen de Bond zelf een gevaar. Een loswrikken van alle zekerheden; een alles disputabel stellen. Het is het oude probleem van de vervloeiing der grenzen. Trouw aan de confessie wordt dan het odium van de verstarring opgeplakt. Weet men nog wel wat 'geloof' is?
Laten wij toch niet denken dat wij de waarheid en de kerk dienen met overal vraagtekens achter te zetten. Het zal zich in de komende generaties wreken. In Psalm 11 wordt gesproken van een omstoten van de fundamenten. Het gebeurt menigmaal met een beroep op de Schrift. Bij nader inzien blijkt het modern tijdsbewustzijn een invullende functie te hebben. Bovendien, het sola scriptura is – zoals ik al gezegd heb – niet te isoleren van de andere sola's. De keus is niet Heilige Schrift of Confessie, als verwoording van de reformatorische traditie, maar de keus is: willen wij de Schrift verstaan in de gemeenschap met de kerk der eeuwen, of menen wij ons een eigen puur subjectivisch verstaan van de Schrift te mogen veroorloven, waarbij wij ons in feite buiten de kerk zetten?
De taak van de Gereformeerde Bond zal zijn op een spirituele, geestelijke wijze tegenover alle mogelijke denkwijzen in of buiten de kerk op te komen voor de plaats en het recht van de Confessie, als uitdrukking van het eeuwig blijvende en nooit veranderende Woord Gods! Al zouden bijna allen in of buiten de kerk de tijdgebondenheid van de Belijdenis als uitgangspunt nemen, en nauw daarmee verbonden, als consequentie, ook de tijdgebondenheid van de Schrift, dan heeft nog de Bond de roeping om te getuigen van de vastigheden en zekerheden van het geloof, en God Zelf zal er voor zorgdragen dat er oren voor zijn, al zou het ook bij de meest eenvoudigen zijn, of bij de kinderen die nu nog in de wieg liggen.
2) De reformatorische geloofsprediking is in de bediening van het Woord Gods onopgeefbaar. Zij ligt in de lijn van de prediking van Christus Zelf en van de apostelen. Christus Zelf preekt het geloof in Zijn Naam. Hij zegt in Zijn Hogepriesterlijk gebed: Ik heb hen Uw Naam bekend gemaakt aan degenen die Gij Mij gegeven hebt, en zij hebben Uw Woord bewaard (Johannes 17). Het is bijkans onbegrijpelijk dat er binnen de gereformeerde traditie van bepaalde kant steeds weer verzet is gerezen tegen de prediking van Christus en van de beloften van het evangelie. Het is het signaal van een ontaarding van het reformatorisch erfgoed. Het de mèns stellen als uitgangspunt, ook al is het de bekeerde of wedergeboren mens; het is een streep halen door de oorsprongsgeschiedenis van de Reformatie, en in feite een terugkeer tot Rome, ook al heeft het een andere gedaante gekregen.
Wij zijn gebonden aan Gods Woord en aan de heilsfeiten. Wij moeten er niet voor vrezen dat men ons, omdat wij daarvan uitgaan, voor niet-bevindelijk genoeg uitkrijt. Dat juk hebben de Hervormers ook moeten dragen. Het hangt er maar vanaf wat men onder bevinding verstaat. Ook de 'bevinding' valt onder de toets van Schrift en Belijdenis en is niet een derde, zelfstandige categorie.
Tegelijk zal echter ook moeten worden opgemerkt, dat een verschraling van het reformatorische geloofsbegrip met name in de prediking ernstige gevolgen heeft voor de gemeente. Wat is een geloof zonder boetvaardigheid, zonder berouw, zonder zondekennis en schuldverslagenheid, zonder een heilige vrees voor de toorn Gods en de eeuwige dood? Als alleen het geloof gepreekt wordt zonder de aanwezigheid van deze werkelijkheden, gebeurt er niets meer! Calvijn laat in zijn Institutie ook de boetvaardigheid uit het geloof opkomen, maar die boetvaardigheid is daarbij niet slechts een pro memorie-post. Hij spreekt op een aangrijpende wijze over de verbrijzeling van het hart. De vergeving der zonden is niet goedkoop, de rechtvaardiging van de goddeloze is niet goedkoop, en daarom is de prediking van het geloof nog wel iets anders en meer dan het luchtigjes uitdelen van betaalde kwitanties. Dezelfde hervormers die zo ruim en heerlijk het evangelie verkondigden, zonder enige hypercalvinistische krampachtigheid, daagden, naar hun eigen getuigenis, de zielen voor de rechterstoel Gods. Niet om ze – om met Bunyan te spreken – in een poel van 'mistrouwen' bijkans te laten stikken, maar om ze iets te doen ervaren van de hoogte en de diepte van de kennis Gods in Christus Jezus, die ons heeft verlost.
Indien deze – bevindelijke – noties uit de gereformeerde prediking gaan verdwijnen, houden wij op de duur geen gemeente meer over. Ook niet al loopt men tienmaal harder dan nu het geval is, en al zou elk lid evangelisatorisch en missionair gezind zijn. Ontwortelde bomen brengen geen vruchten meer voort. Aktivisme draagt haar vonnis aan het voorhoofd, als het niet rust in een heilige passiviteit, het in geloof rusten in het volbrachte werk van Christus, temidden van vele aanvechtingen en strijd.
3) Wat het persoonlijke leven betreft, zij erop gewezen dat het reformatorische geloof altijd een geloof in actu is, in beoefening. Al vindt men bij de hervormers de uitdrukking praxis pietatis nog niet zo uitdrukkelijk gebruikt als later in het gereformeerde Piëtisme, de zaak zelf is aanwezig. Alleen, niet wettisch! Een geloof dat niet beoefend wordt is voor Calvijn niet meer dan een opinio, een mening, ergens rondzwevend in de hersenen. Het geloof moet beoefend worden in gebed en daad! Het aangrijpen van Christus is niet een luiestoelen-werk. Met de wet Gods op de hielen, hebben wij niet veel rust. Zeker, veilig in Jezus' armen, maar hoe komen wij daar? Het gaat in het leven van de christen altijd weer langs afgronden. De dood kalm afwachten, is maar een droom. Luther heeft zijn leven lang gebeden om een 'selig Stündlein', en toen kreeg hij het ook, zelfs voluit, als gebedsverhoring. Hij kende een ars moriendi, een stervenskunst, maar niet als een 'kunst' die in enig atelier is te leren, alleen op de school van Christus, waar men duizend doden leert kennen eer die ene dood komt. Het is het geloof alleen, sola fide, zeiden de hervormers, maar het geloof is niet alleen, komt niet alleen. Het is een en al onrust, omdat het in niets en niemand anders rusten kan dan alleen in Hem die ons van God gegeven is tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en een volkomen verlossing.
Zeg het 'geloof', en u zegt 'Christus'. Uiteindelijk ging het de hervormers zelfs niet eens om het geloof. Wat is de hand als wij hem vergelijken bij de schat die erin gelegd wordt? Evenzeer als het in de Schrift gaat om Christus, om die éne Christus, evenzeer gaat het om die ene Christus in de geloofsprediking van de hervormers.
Hem te kennen is het eeuwige leven. Hij moet gestalte in ons krijgen. De gemeente heeft pas haar einddoel bereikt, als ook het geloof niet meer nodig is, omdat Christus alleen overbleef. Tot op de Dag dat Hij komt, moet het geloof gepreekt worden en mag uit het geloof geleefd worden. Sola fide (door het geloof alleen), waarom? Mijn antwoord is: Solus Christus, alléén Christus!
K. Exalto, Benthuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's