Globaal bekeken
Ditmaal een lange 'globaal' over 'Trommius en de vrouw', geschreven door D. W. L. Milo in Opbouw (Nederlands gereformeerd):
'U kent de onsterfelijke figuur van Dik Trom? Een bijzonder kind, zeiden zijn ouders, en dat was-ie. Welnu, aan de faam van deze held uit onze jeugdjaren gaan we vandaag niets toevoegen. Maar liever willen we nu eens spreken over Abraham Trommius, misschien wel een voorvader van Dik Trom.
Bram Trom (op weekdagen) heette 's zondags ds. Abraham van den Trommen, en op hoge feestdagen Abrahamus Trommius. Hij leefde van 1633 tot 1719 en in zijn kleuterjaren hoorde hij veel spreken over de eerste Statenbijbel, die immers in 1637 verscheen. Zeg nu eens, dat ook Abraham geen bijzonder kind was, want dat was-ie.
Hij werd predikant en in 1657 beroepen te Haren Gr. – waar later onze ds. G. Visee zijn ambtelijke loopbaan beëindigde. In 1671 werd hij naar Groningen geroepen. Op zich het vermelden nauwelijks waard. Maar zijn 14 Harense jaren heeft de zeergeleerde Trommius lang niet stilgezeten: hij schreef een Concordantie op het Nieuwe Testament van de Statenbijbel. En daar is het niet bij gebleven, want in zijn Groningse jaren voltooide hij de Concordantie op het Oude Testament (1685/91), publiceerde voor zijn dood een Concordantie op de Septuagint en liet zijn autobiografie liggen tot 1720, het jaar na zijn dood.
Wat is een concordantie ook weer? Volgens de handboeken is het een alfabetisch register van trefwoorden en verwijsplaatsen voor 1 auteur of 1 boek. Trommius had vertrouwen in de duurzaamheid van de Statenvertaling. Terecht, want nog in 1952 werd zijn handboek herdrukt en de Statenvertaling wordt nog volop gebruikt, al schijnt deze door de tijd te zijn achterhaald.
Werkwijze
We kunnen ons voorstellen hoe hij gewerkt heeft. Hij besefte dat de bijbel het begin en het eind van de pastorale wijsheid en het dagelijks brood voor de gelovigen is. Daarom wenste hij – voor zichzelf, zijn collega's en de bijbellezende gelovigen – een sleutel te bezitten, om elke schriftplaats zonder tijdverlies op te sporen.
Hij begon dus bij Mattheüs en noteerde op een vel papier, waarboven een B. stond:
Boek (+ 3 Griekse woorden)
"Matt. 1 : 1 Het B. d. geslachts v. Jez. Chr.". Na deze regel vond hij het woord Geslacht. Hij nam een nieuw papier, waarboven hij een G schreef en toen:
"Matt 1 : 1 Het boek des G. van Jezus Chr.".
De volgende namen – Jezus Christus, David en Abraham – schreef hij op 3 aparte vellen. Toen begon hij aan Matt. 1 : 2 en vond Gewinnen. Hij sloeg de stamtafel der vaderen maar over en ging verder bij Mat. 1 : 17 "Al de G. van Abr. tot Chr." en voegde dit op het papier G, achter het reeds bestaande trefwoord Geslacht. Hij zou dit woord nog 50 maai tegenkomen in het NT en later nog 175 maal in het Oude Testament.
We hebben weinig fantasie nodig om te beseffen dat zijn werktafel al gauw te klein was om alle papieren en stroken te plaatsen. Zijn hele werkvloer werd ermee bezaaid. Toen ook alle tafels en stoelen belegd waren, zijn schoorsteenmantel, zijn boekenschappen, zijn aanrecht, zijn fornuis, zijn bed en… nee, van het kleine vertrek is niets bekend…
Rekent u voor de aardigheid eens mee. Een pagina van Trommius telt ca. 168 verwijsplaatsen. Er zijn 976 pagina's in Oud en Nieuw Testament samen. Dat levert ca. 164.000 verwijsplaatsen, allemaal in handwerk opgezocht, met de ganzeveer genoteerd, alfabetisch gerangschikt en eindelijk als een eenheid persklaar gemaakt
Dat is toch monnikenarbeid? Zeven jaren van dienstbaarheid, bijzondere dienst aan het Woord, zonder dat er – als bij Jacob – een vrouw mee verdiend werd! Integendeel: er is stellig weinig speelruimte voor mevrouw Trommius overgebleven, want – en nu vertel ik de legende die mij door mijn vaderen is overgeleverd – mevrouw Trommius verscheen pas bij de slotacte te Haren op het toneel. En stelde een daad!
Toen Trommius namelijk met een zucht van dankbare trots zijn eerste boek – nadat hij de talloze kladaantekeningen in het open vuur geworpen had – aan zijn eega toonde, zei deze kritisch: Zo, is het dat nu helemaal? En legde het kostbare manuscript boven op de vurige resten van de kladstroken. In het open vuur.
Volgens genoemde bronnen is Trommius de volgende dag opnieuw aan dezelfde taak begonnen, waarmee hij andermaal zeven jaren van zware dienstbaarheid inging. Hij was, toen hij naar Groningen ging, juist gereed met zijn tweede manuscript en zorgde dat het ditmaal niet in het vuur maar op de drukpers terecht kwam. Veertien jaren van dienstbaarheid, en nog zijn vrouw niet verloren – indien de latere Dik Trom tot zijn nageslacht mag worden gerekend.
Ik vertelde deze overlevering aan twee zusters. Beiden hielden de adem in toen het manuscript in het vuur terecht kwam. Beiden waren geëmotioneerd. De een zei: "Kan ik goed begrijpen, wanneer je als vrouw op een dergelijke manier verwaarloosd bent!" De ander zei: "Nee, onbegrijpelijk, wanneer je toch van je man houdt en hem in zijn werk steunt". En aangezien de titel meer belooft dan Trommius alleen, gaat het nu nog even over:
De vrouw.
Het behoeft geen lang betoog om te stellen dat wijlen mevrouw Trommius een hard leven heeft gehad. Niet alleen in Haren (dat was nog maar de aanloop) maar haar hele huwelijksleven. Een man te hebben die met verplichte maaltijden en minimale bedrust in leven moet worden gehouden – nu daar zou menige vrouw tureluurs van worden. En dat slechts om een enkel geesteskind te baren! Ze zal wel eens wat anders gewild hebben van haar droge Bram.
Een huishoudster zou allang weggelopen zijn uit de rommel.
Aan de andere kant – want eerlijk is eerlijk – heeft Trommius juist dit machtige werk kunnen voltooien, dankzij de spontane of geprikkelde hulp van zijn vrouw. Die zorgde voor zijn natje en droogje, hield hem overeind en in de kleren, reed zijn gezondheid na en inspireerde (naar wij vurig hopen) hem om dit werk, dat het drie eeuwen uithield, klaar te krijgen.
Ik ga u niet alles vertellen – maar mijn lieve moeder zei wel eens, als mijn vader 14-16 uur per dag met ambtelijke bezigheden belast was: 'Een predikant behóórt niet te trouwen en een gezin te stichten!" Vandaar het werkwoord monnikenarbeid. Alleen kloosterlingen kunnen zich vandaag zo iets veroorloven.'
Een trouw bezoeker van de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond brengt van jaar tot jaar een stapel kranten en krantenknipsels mee vanuit het 'donkere Noord-Holland'. Daarin is het één en al kerkverlating, financiële neergang van kerkelijke gemeenten en alternatief gebruik van kerkgebouwen wat de klok slaat. We wisten al van gebruik van kerkgebouwen als 'atelier van een glazenier', 'show-boten-room', 'koeienstal' en 'café'. We voegen aan de verzameling de volgende trefwoorden (voor gebruik van het kerkgebouw) toe: 'multifunctioneel gebouw', veertig woningen in oude historische kerk, jazz-weekend, carnaval, bourgondische maaltijd, horeca, 'Texelaar als "antiek" volk ter kerke voor film'.
De dorpsbewoners van de Noordhollandse dorpen willen het gebouw in hun dorp nog niet missen… Vandaar! Over de (gewenste) dominees in deze provicie zou een ander verhaal te schrijven zijn.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1989
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's