Consideraties betreffende Art. van de Kerkorde en ord. 1-16-7 en 8
1. Art. 8 van de Kerkorde
In dit artikel gaat het over het apostolaat (zending) van de kerk en met name ook over het gesprek met Israël. In het wijzigingsvoorstel gaat het over dat laatste.
Omdat hierover al het nodige in 'De Waarheidsvriend' is geschreven, ga ik daar niet verder op in.
Ord. 1-16-7 en 8
Het betreft hier een voorstel om ook lidmaten van 70 jaar en ouder ambtsdrager te laten zijn.
Tot nu toe staat in de Kerkorde dat men zijn ambt (als ouderling of als diaken – voor predikanten gelden andere regels –) neerlegt aan het einde van het jaar waarin men 70 jaar wordt. Dit artikel is indertijd in de Kerkorde opgenomen om doorstroming in de kerkeraden te bevorderen en ook om soms mensen tegen zichzelf te beschermen.
Er is alleen ontheffing mogelijk (te verlenen door het Breed Moderamen van de Provinciale Kerkvergadering):
– voor gemeenten met minder dan 1000 zielen;
– en voor grotere gemeenten alleen als het gaat om ouderlingen met een bepaalde opdracht.
Nu wordt voorgesteld de limiet van 70 jaar te schrappen.
Als redenen worden aangevoerd:
– Er zijn lidmaten van 70 jaar en ouder die nog een goede gezondheid hebben, veel (geestelijke ervaring), sterk door het geloof gemotiveerd zijn tot het werk, die voor de gemeente tot grote zegen kunnen zijn.
– Er is in sommige gemeenten door verhuizing en vergrijzing soms een gebrek aan jongere ambtsdragers.
– Er is in bejaardentehuizen e.d. soms behoefte aan oudere ambtsdragers.
– Ook bij de predikanten vervallen de emeritaatsrechten niet op 70 jaar.
– In de Ger. Kerken (en ook in andere kerken) is er geen leeftijdsgrens.
Daarnaast mag gesteld worden dat het vaak moeilijk is voor trouwdiensten en begrafenissen ambtsdragers beschikbaar te hebben, omdat velen van hen dagelijks werk hebben waaruit zij maar niet geregeld vrijaf kunnen nemen. Wel wordt in het voorstel tot wijziging bepaald (m.i. om niet aan de redenen voorbij te gaan waarom indertijd de leeftijdsgrens van 70 jaar werd ingevoerd) dat men na de zittingsperiode waarin men 70 jaar wordt te hebben afgemaakt, moet aftreden (men is dus in het voorstel niet meer aftredend aan het eind van het jaar waarin men 70 jaar wordt) en dat men pas na verloop van elf maanden weer herkiesbaar is.
Dit laatste is een terechte beperking, waardoor eventuele misstanden kunnen worden voorkomen.
Het is een goede zaak dat van de ouderen die dat kunnen en willen lidmaten de gemeente blijven dienen. Wat de gemeente niet van haar taak en roeping ontslaat om onder alle leeftijdscategorieën naar ambtsdragers om te zien.
Wel bleef ik met de vraag zitten hoe in het voorstel lidmaten van ver in de 70 zo nodig tegen zichzelf beschermd kunnen worden.
drs. A. v. d. Beek, Genemuiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's