De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het laatste uitzicht van de verlossing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het laatste uitzicht van de verlossing

7 minuten leestijd

Einddoel
Het uiteindelijke doel, waarmee God de mens van zijn door de zonde over hem gekomen ellende overtuigt, moet worden gezocht in diens eigen belang. God wil hem niet nodeloos kwellen of pijnigen vóór de tijd, maar God wil plaatsmaken voor het fundament van het geloof, waarop geheel de bouwvan zijn godsdienstig leven rusten moet. Zullen wij behouden worden van de toekomende toorn, dan moeten wij boven alles van onze zonden worden gerechtvaardigd en uit genade tot kind van God aangenomen worden. Het is tot onze zaligheid evenzeer nodig, dat wij van de overmacht der zonde vrijgemaakt en Gode dienstbaar worden gemaakt. Het oude leven van de pure zelfhandhaving maakt plaats voor de gang van het nieuwe leven, waarin de Heere regeert en Zijn Naam de hoogste plaats inneemt. U zult wel kunnen begrijpen, dat dit een enorme verandering vraagt in het mensenleven. Niemand anders dan de Heilige Geest brengt dit tot stand. Het geschiedt met inschakeling van de genademiddelen. De Heere behaagt het wel te doen door Zijn kracht alleen, maar nooit als ware het een toverwerk.

Onwil
Nu is het een vaststaande zaak, dat wij mensen noch het een noch het ander willen. Van genade hebben wij een afkeer. Wij willen geen schuldenaar voor God worden. Dat is in strijd met onze eigenliefde en met onze begeerte om vrij te blijven van de plicht der dankbaarheid. Daarom stellen wij ons werk tegenover het werk van Christus. Nu kunnen wij natuurlijk niet loochenen dat Christus' offer een aandeel heeft in de zaak van de rechtvaardiging van de mens. Geheel de Heilige Schrift spreekt daarover zeer duidelijk. Maar daarop laten wij ons niet vastpinnen. Wij proberen onze gerechtigheid en Christus' gerechtigheid te verenigen, om te voorkomen dat wij van alle roem en recht verstoken zouden zijn. In de grond der zaak toch blijven wij – ook wanneer het ontdekkend licht van de Heere ons beschijnt en ons dwingt om onze ellende onder ogen te zien – een van God afkerig wezen. De neiging om Hem te haten wordt door de vreze voor Zijn toorn niet uitgedoofd, maar veeleer versterkt, al houdt de vreze haar als in het donker besloten. Al zien wij, dat onze zonde een macht over ons is, zo blijven wij toch onwillig om van haar vrijgemaakt te worden en zo wij al zeggen het wèl te willen, blijkt dat deze gewilligheid niet wortelt in haat tegen de zonde, maar in vrees voor de straf. Zullen wij dus Christus aannemen tot het doel, waarmee deze ons aangeboden wordt, ten teken, dat wij met dit doel innerlijk verenigd zijn, dan moet er een verandering bij ons gebeuren, die wijzelf niet kunnen tot stand brengen. Zulk een verandering is noodzakelijk. God wil ons toch alleen dan genade bewijzen, wanneer wij dat begeren om met Hem verenigd te worden als met degene, die wij dienen en toebehoren tot in eeuwigheid. Vrees mag er ons toe brengen om Zijn gunst te begeren, nooit zal Hij ons Zijn verheerlijking doen begeren, noch ook Zijn gemeenschap als bron van zaligheid.

Onmacht
Besef van onmacht ten goede neemt de onwil tot het goede nog niet weg. Wij kunnen er wel eens droevig om zijn dat wij niet kunnen volbrengen wat wij moeten. De oorzaak daarvan is dat wij niet kunnen goedmaken wat wij hebben bedreven en gebonden zijn om onze straf te dragen. Ook, wij zitten steeds aan onszelf vast. Goed, wij kunnen onze wil tegen de zonde keren, maar de zonde uit onze wil te verbannen, dat vermogen wij niet. Daarom kan er niet eerder van oprechte bekering bij ons sprake zijn, voor en aléér God in ons binnenste de ingrijpende verandering heeft tot stand gebracht, die de Schrift vernieuwing, herschepping, wedergeboorte, besnijdenis en levendmaking heet. Dat zijn allemaal uitdrukkingen, die de mededeling van een nieuwe natuur, de geboorte van een nieuwe mens aanwijzen, van een leven naar de gelijkenis Gods. Eerst uit dat beginsel groeit de onberouwelijke bekering tot zaligheid op. Gepaard gaat dat met het geloof, dat ons bezitters maakt van het geopenbaarde heil. Pas dan doet het ons echt leed, dat wij tegen God gezondigd hebben, die zo waardig is om door ons verheerlijkt te worden. Nu eerst beginnen wij vermaak en welbehagen in God te vinden en te begrijpen dat een schepsel om zalig te zijn niets nodig heeft buiten Hem. Nu eerst beginnen wij te dorsten naar de levende God, als één die buiten Hem niet meer gelukkig kan zijn. In zulk een akker valt het zaad van het evangelie niet vergeefs. Misschien lag het voor die tijd er al in, maar het was gelijk aan een zaad, dat op een rots was gezaaid, waar het geen gelegenheid had om wortel te schieten. Zodra de bodem evenwel geschikt gemaakt wordt, begint het zaad te ontkiemen. Het komt er dus op aan om de genoemde eigenschappen te bezitten.

Licht
Ontdekkend licht reikt er alleen maar toe om ons uit een slaap van de valse gerustheid te laten ontwaken en ons eigenbelang aan het zoeken van God te verbinden. Er zijn geen voorwaarden, aan de vervulling waarvan wij de vrijheid zouden ontlenen om tot Christus onze toevlucht te nemen. De vrijheid daartoe berust enkel en alleen op de nodiging van het Evangelie, die door de uiterlijke roeping ons naderbij komt. Intussen kan niemand op de rechte manier tot Christus komen, dan alleen wanneer het hem oprecht te doen is om door deze met God verzoend en verenigd te worden. Daarvoor is nodig dat de inwendige roeping bij de uitwendige roeping komt. Wij kunnen het anders zeggen: daarvoor is nodig, dat God ons bekwaam en gewillig maakt om in Christus het herstel der gemeenschap met God te zoeken. Deze is de roeping, 'die wij hebben te begeren. Niet een roeping, die als toevoegsel tot de uitwendige, ons verzekeren zou dat deze ons persoonlijk geldt. De weg tot Christus staat voor allen, tot wie het Evangelie komt, open, maar elk die tot Hem komt, bedenke vooraf wat hij antwoorden zou, als Christus hem vroeg: wat begeert gij dat Ik u doen zal? Als wij kunnen antwoorden, dat wij niet alleen vrijgekocht willen zijn van Gods wrekende gerechtigheid, die beslag op ons heeft gelegd ons te zijner tijd het geschonden recht op onze kosten te herstellen – is het goed. Maar daar moet iets aan worden toegevoegd. Wij zullen tevens moeten antwoorden, dat wij Gods vrijgekochten begeren te zijn, gedurende geheel ons leven. Wij zullen ons er dan zeker van kunnen houden dat Christus Zich aan ons zal mededelen en ons zal aannemen. Hij heeft daarvan Zelfde verzekering gegeven, toen Hij zei niemand te zullen uitwerpen, die tot Hem kwam.

Samenhang
Het is goed dit aangehaalde woord van Christus eens te onderzoeken in het verband, waarin het naar voren komt. Dan blijkt hoe onmogelijk het is dat Hij hem afwijzen zou. Want Hij begon toch met te zeggen, dat niemand tot Hem komen kon, tenzij de Vader hem trok. Daaruit liet zich afleiden, dat allen, die werkelijk tot Hem kwamen, door Hem aangemerkt werden als zieken, die de Vader niet alleen tot Hem gezonden, maar Hem eigenhandig toegebracht had. Hoe zou Hij ze dan ooit afweren? Hadden die mensen gelijk, die beweren dat een mens zichzelf tot Christus brengen kan als hem alleen maar de weg naar Hem gewezen wordt – zie, dan zou ons wantrouwend hart allicht kunnen vragen, of Jezus' liefde groot genoeg was om zich ons aan te trekken. Wij hebben een vaste grond voor ons vertrouwen, als Christus ons zegt, dat het Hem onmogelijk is ons af te wijzen. Christus kan niet weigeren wat de Vader hem geeft. Hij kan niet laten staan wat de Vader voor Zijn aangezicht zet. Christus ontvangt zondaren uit de Vaders handen. Zondaren zijn giften van de Vader, die Hij Zichzelf heerlijk maken moet. Wat vrezen wij dan om tot Christus te komen. Wij zouden veeleer moeten vrezen om van Hem vandaan te blijven.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het laatste uitzicht van de verlossing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's