Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (1)
Inleiding
Met schroom en enige voorzichtigheid wil ik in een aantal artikelen iets schrijven over 'Menselijk lijden en Gods voorzienigheid'. Schroom en voorzichtigheid gaan zelfs hand in hand. Ik hoor en ik lees wel veel, hoe bitter door mensen wordt geleden. Ook zie ik daarvan wel het één en ander in het pastoraat, maar wat weet ik daarvan persoonlijk? Om de waarheid te zeggen: niet zoveel. Dat noopt mij dus tot schroom en voorzichtigheid, omdat ik niet uit persoonlijke ervaring hierover kan schrijven. Niettemin wil ik toch een poging wagen om een pastorale handreiking te doen aan hen die wel van menselijk lijden weten en die in dat verband worstelen met Gods voorzienigheid. Want dat er ontegenzeggelijk door velen zwaar geleden wordt, zàl waar zijn. Wel zullen zij van mij geen pasklare antwoorden moeten verwachten in de zin dat het zó is en niet anders. Nog nooit is het iemand gelukt een bevredigende oplossing te vinden, , waarom de één bijvoorbeeld zoveel moet lijden en de ander zo weinig òf ogenschijnlijk helemaal niets. Opzettelijk schrijf ik: ogenschijnlijk helemaal niets. Want er is ook een menselijk lijden dat zich aan ons oog onttrekt. Wanneer iemand ongeneeslijk ziek is òf wanneer men twee kinderen heeft verloren – ik geef slechts een voorbeeld – is dat doorgaans te zien. Maar wie zal het menselijk leed kunnen zien, dat diep in het hart verborgen ligt. Voor het oog mag alles goed gaan èn zijn, doch diep in het hart is er een wond geslagen die altijd blijft schrijnen en van welk leed alleen God en de mens weet die het aangaat. Maar afgezien hiervan, ook in de Schrift en in de belijdenisgeschriften van de kerk vinden wij voor al het menselijk lijden geen pasklare antwoorden. Wanneer die wel gegeven zouden kunnen worden, zou dat inhouden dat wij God en de raadsels van het leven begrepen hebben. God zou dan in een systeem passen en het leven verklaard zijn. Terecht merkt L. van Driel in de paperback 'Over het lijden en God' op, dat dit ten enenmale onmogelijk is. God laat zich niet in een systeem passen en de vele raadsels in het leven waaronder ook het menselijk lijden kunnen door ons niet verklaard worden. Desondanks zijn er toch wel die naar een oplossing zoeken. Heel negatief is hiervan een voorbeeld Maarten 't Hart. In zijn boek 'Een vlucht regenwulpen' overlijdt tengevolge van keelkanker een moeder. Een man en vier kinderen laat zij achter. Van dit alles schrijft 't Hart dan dat God mensen zó haat dat Hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden. Op een wel heel bizarre wijze verbindt hij het menselijk lijden met God als de Auteur daarvan. Badinerend (spottend) is dan ook zijn verklaring van zondag 10 waarin wij o.a. lezen, dat gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen. Uit de columns door Aleid Schilder in het dagblad Trouw regelmatig geschreven blijkt dat óók zij vrijwel dezelfde gedachten heeft als 't Hart, hoewel zij religieus gezien een andere weg gaat dan 't Hart. De worsteling die beiden met het menselijk lijden en Gods voorzienigheid hebben gehad wil ik honoreren, de oplossing die zij daarvoor hebben aangegeven en de weg die zij tengevolge daarvan zijn ingeslagen echter niet. Vooral Maarten 't Hart geeft m.i. een karikatuur van zondag 10 en verwijdert zich daarmee heel ver van het Schriftgetuigenis. Om die reden wil ik eerst iets neerschrijven over de voorzienigheid Gods.
Voorzienigheid Gods
In zondag 9 wordt er gesproken over de eeuwige raad en voorzienigheid. Vraag 26 luidt: 'Wat gelooft gij met deze woorden: "Ik geloof in God de Vader, de Almachtige Schepper des hemels en der aarde"?' Een deel van het antwoord op deze vraag is: 'Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niet geschapen heeft, die ook door zijn eeuwige raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader is.' Wanneer wij dit antwoord oppervlakkig lezen, zouden wij kunnen denken dat de eeuwige raad en de voorzienigheid aan elkaar gelijk zijn. Dat is bepaald niet waar. Beiden moeten duidelijk onderscheiden worden. Van de eeuwige raad kan men zeggen dat het is: Gods plan. De voorzienigheid Gods is de uitvoering daarvan. In de Bijbel wordt menigmaal gesproken over de voorzinigheid Gods, hoewel het woord 'voorzienigheid in de Schrift nergens is te vinden. Hooguit zou men kunnen verwijzen naar Genesis 22 waar Abraham tot Izak zegt: 'God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon'. Maar hoe dit ook zij, men komt dit woord 'voorzienigheid' niet letterlijk tegen in de Bijbel. De Schrift omschrijft dit werk Gods door tal van werkwoorden als scheppen, bewaren, dragen, bezoeken, behouden, leiden en regeren. De Bijbel legt dit werk des Heeren niet vast in de afgetrokken begrippen van ons Westers denken, maar spreekt daarvan in de beeldrijke taal van de oosterling, die ons Gods majesteitelijk handelen in het volle leven doet zien.
De voorzienigheid Gods, Zijn handelen, kunnen wij voor onze ogen zien. De wereld en de kerk zijn geen speelbal van het blinde noodlot. Zij zijn ook niet onderworpen aan grillige willekeur. God, de Heere, regeert!
Karikaturen
Van de voorzienigheid Gods worden talrijke karikaturen gemaakt. Sommigen verbinden Zijn voorzienigheid alleen met vooruitzien (providentia). Zij gaan op de klank van het woord af. God is dan voor hen slechts de grote 'Helderziende'. Dat is een misvatting! Het is veeleer: vooruit in alles voorzien. De Heere wordt nooit of te nimmer verrast. Er gebeurt niets is deze grote wereld òf in ons persoonlijk leven òf Hij wist en weet ervan. Hij is op alles bedacht geweest. En niets is er waarvoor Hij niet tevoren Zijn maatregelen heeft genomen. Bij alles wat wij ondervinden, kan ons dat alleen maar bemoedigen en troosten. Een karikatuur is het eveneens, wanneer Gods voorzienigheid wordt vereenzelvigd met God zelf. Sommige mensen hebben er een handje van, en dat komt in alle kerkelijke kringen voor, om te spreken over 'de Voorzienigheid' en dan bedoelen zij daarmee de Heere zelf. Zo hoorde ik eens een ouderling in het consistoriegebed zeggen in zijn gebed: 'O Gij, Die de Voorzienigheid zijt…'. De broeder bedoelde het waarschijnlijk wel goed en wilde daarin wellicht iets laten horen van de grootheid en de goedheid Gods – niet alles moet wij altijd verkeerd willen interpreteren – niettemin liet hij toch wel blijken, dat hij een verkeerde opvatting had over de voorzienigheid Gods en dat deze zeker niet samenvalt met God zelf. Laten wij maar niet vergeten, dat God zelf groter is dan Zijn voorzienigheid. En hoe dierbaar men misschien dan mag spreken over 'de Voorzienigheid', doch het is God zelf niet, maar een hogere macht. Ook is het een karikatuur van Gods voorzienigheid als men zegt, dat men eigenlijk nooit precies kan weten, wat men aan God heeft. En dan denk ik een ogenblik aan de oude oosterse despoten. Nooit of te nimmer wist men wat men aan die vorsten had. Hun regering berustte op de reinste willekeur. De ene dag waren zij hun onderdanen welgezind, de andere dag daarentegen niet. Zo stelt men zich soms ook wel de regering van God voor. Achter die regering schuilt geen beleid. Geen peil is erop te trekken en geen lijn is er in te ontdekken. Nu zal het waar zijn, dat de regering Gods ons verstand ver te boven gaat. Van Gods gedachten staat er geschreven dat zij niet te doorgronden zijn. Hetzelfde zouden wij ook enigermate kunnen zeggen van de regering Gods. Niettemin heeft de Heere een vastgemaakt bestek dat Hij uitvoert. En ook al kunnen wij met ons verdwaasd en verduisterd stand de regering Gods niet volgen, niettemin màg en móet gezegd worden, dat Zijn Goddelijke hand alles bestuurt, regeert en onderhoudt. En voor Zijn kinderen is die Goddelijke hand de hand van Vader die immers om Christus' wil hun God en Vader is. God is Vader! En wat voor een Vader! In de Schrift lees ik, dat Hij de Vader van alle barmhartigheid is. In het kader van ons onderwerp wil dat zeggen: Hij regeert niet naar invallende gedachten òf naar grillige willekeur. Neen, Hij regeert in overeenstemming met een weloverlegd plan. Hij werkt in alle dingen naar vaste lijnen. Daarop ziende mag gezongen worden door de tranen en het lijden heen: 'Maar de altoos wijze raad des Heeren, houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht.'
Nogmaals schrijf ik echter: die Godsregering kunnen wij niet altijd ontdekken! Ook de lijnen daarin kunnen wij niet altijd zien. Dezelfde moeite als wij heeft een Asaf gekend, wanneer hij zegt: 'Nochtans heb ik met al mijn kracht, die Godsregering overdacht, maar 't was een stuk dat in mijn oog, mij moeilijk viel en veel te hoog'. Wat Asaf en wij moeten leren is God God te laten. De Heere is vrij en vrijmachtig in Zijn doen en laten. Om dat te leren en de Heere in Zijn regering geen ongerijmdheid toe te schrijven is genade nodig. Steeds opnieuw genade, want hoe vaak zijn wij ook in het leven des geloofs het oneens met God in Zijn weg met ons. En vooral dan, wanneer Hij met ons wegen gaat die wij niet verstaan noch begrijpen. Nogmaals haal ik als voorbeeld Asaf aan. Wat had déze man het moeilijk met de Godsregering. Het ging anderen die met God en Zijn dienst geen rekening hielden veel beter dan hij. Waar had hij het aan verdiend, dat hij moest lijden? Hij diende en vreesde toch de Heere! Hij ging toch in de weg des Heeren! Hij zat met die vragen en kwam er niet uit, totdat hij in Gods heiligdommen zag. Dat wil volgens de kanttekenaren zeggen, dat Asaf naar de tempel ging en in de tempel werd hem een tipje van de sluier opgelicht. Hij zag namelijk het einde van de goddelozen, hoe zij van de top van eer in eeuwige verwoesting neerstorten zouden. Ik daarmee dan alles gezegd over het menselijk lijden en Gods voorzienigheid? Neen, dat bepaald niet. Maar daarom willen wij een volgend keer hierover verder nadenken. Laten wij nu slechts dit vasthouden èn het is een geloofsartikel, dat wij onder de voorzienigheid Gods verstaan: de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert, dat loof en gras… en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen. Zijn vaderlijke hand. Laat daarop maar de nadruk vallen. Zó zullen wij de Heere geen onrecht of ongerijmdheid durven toeschrijven.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's