Prof. G. Wisse als prediker (VI)
In deze laatste bijdrage willen we nog kort iets zeggen over de kerkelijke opstelling van prof. G. Wisse in het Nederland van de eerste helft van deze eeuw.
Brede visie
Wat zijn kerkelijke plaats en visie betreft, kan hij mild en ruim worden genoemd. Eng kerkelijk denken was hem ten enenmale vreemd. Dit had niet alleen met zijn karakter te maken: ook zijn afkomst en levensleiding zullen daar niet vreemd aan zijn geweest. Zijn moeder was van huis uit hervormd, zodat hij later kon zeggen: 'ik heb wel bloed van de Una sancta (de algemene christelijke kerk) in mij'. Voorts: was het geen hervormde dame die ooit, daar in dat landhuis in Oost-Kapelle, tegen hem zei: 'onlangs heb ik prof. Bavinck zo heerlijk horen preken. We moesten aan hem je opleiding maar toevertrouwen, vind je ook niet?' En daarop zinspelend zegt Wisse bij zijn 40-jarig ambtsjubileum in 1938: 'Begrijpt ge nu, gemeente, dat ik, hoezeer ik eigen kerk en belijdenis ook liefheb, toch nooit in mijn leven kerkistisch heb kunnen zijn'.
Prof. Wisse had (uiteraard) z'n plaats binnen een bepaald kerkgenootschap in ons land, in dit geval de Christelijke Gereformeerde kerken, maar hij was er zich sterk van bewust ook dienaar van het goddelijke Woord te zijn, niet slechts in een bepaalde bestaande kerk, maar… in de kerk des Heeren. Op de dag dat hij 55 jaar in het ambt staat zegt hij: 'Ik ben dezer dagen 55 jaar getrouwd met Maria Elizabeth van Oosten (zijn vrouw) en morgen 55 jaar met de kerk des Heeren'.
Ook hem deed de kerkelijke verdeeldheid smart aan. Toch had hij een helder zicht op een reeds bestaande en verwerkelijkte eenheid: die van alle gelovigen, uit welke kerk dan ook afkomstig zijnde. Er is ook in dit geval een 'wezen van de zaak', namelijk een geestelijk wezensverband. In zijn 'Memoires' merkt hij op: 'Vereniging der gelovigen staat voor mij in waarde boven die ener uitwendige vereniging der kerken; ze dient er de grondslag voor te zijn'. En gaarne haalt hij het woord van Bavinck aan, dat 'er geen christendom is boven noch beneden de geloofsverdeeldheid, maar wèl in de geloofsverdeeldheid'. De neiging is wellicht aanwezig om Wisse in het bonte kerkelijke leven van vandaag in te delen bij, wat we dan plegen te noemen, de Schriftuurlijk-bevindelijke richting zal wel waar zijn, 'maar' – zoals iemand opmerkte – ('De Wekker' van 8 juni 1985), 'dan wel met deze beperking dat Wisse in de heilloze polarisatie van vandaag, vanuit zijn brede visie op mens en wereld (een visie die oevers van veel eng kerkelijk denken te buiten ging), een heilzame brug tussen de partijen zou hebben kunnen zijn'.
Tot besluit
Verschillende aspecten van de predikarbeid van prof. G. Wisse hebben we behandeld; het theologische, het eschatologische, het opwekkingskarakter van zijn prediking, het appellerende en tenslotte het voluit bevindelijke element dat we erin tegenkomen.
We sluiten nu deze artikelenserie af met een fragment waarin duidelijk aan de dag komt, dat Wisse – ooit door iemand genoemd: 'de oecumenische prediker van de hele Nederlandse kerk' – ook een voluit pastoraal prediker was; hij was ook een 'zoon der vertroosting'. Zijn preken bevatten ook een zogenaamd vertroostend, opbouwend aspect:
In verband met de woorden van Openbaring 15, vers 2c ('welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods') zegt Wisse dan:
'Bij de overdenking van het zalig voorrecht, hetwelk een maal de verlosten in de hemel zal te beurt vallen, om op gouden citers voor de troon te spelen, rijst toch nog een overweging, om niet te zeggen een vraag, van min of meer critischen aard: Als dan de Heer zijn kinderen zulk een zalige heerlijkheid heeft toegedacht, waarom moeten zij dan menigmaal hier nog zo lijden? Is dat nu in vereenstemming met Gods vaderlijke liefde?
Zij worden nu wel zangers aan de glazen zee, maar moeten dan toch maar door vele verdrukkingen heen.
De Bruidkerk van Christus zal eerst door bangen wereldnood en dood heen, deze hare toekomstige heerlijkheid en zaligheid bereiken.
Waarom toch?
Hierop waren velerlei antwoorden. Maar voor ditmaal slechts één opmerking. We doen dit in beeldspraak, ontleend aan de citers zelf.
De citer is een kleine handharp, van snaren overspannen. Deze snaren moeten vrij strak gespannen zijn, anders zijn ze niet op de juiste toon. De harpschroef dient om dit te bereiken. Is een snaar nog niet op toon, dan draait men dit schroefje aan, net zolang tot de juiste toon is verkregen. Begrijpt ge reeds (…), wat dit voor ons doel te zeggen heeft?
Ja, ge zijt me reeds in de gedachten vooruitgesneld.
Zeker, zo is het, de Heere weet zo precies, wat we nodig hebben, om 'op toon' te komen.
In het Paradijs is die harpsnaar des harten gebroken.
In eeuwigheid kan er geen godverheerlijkend geluid meer aan onttokkeld worden. Tenzij… God een wonder doet.
Dit doet Hij in de wedergeboorte. Dan wordt in beginsel de ziel, ons ik, hersteld, om weer Gods lof te kunnen zingen.
Evenwel: nog zo menigmaal is die snaar, hoewel hersteld, nog niet op den rechten toon gestemd.
Dan moet het 'schroefje' wat aangedraaid. O, dat is zulk een teder werk, niet te veel, niet te weinig; niet ruw en toch degelijk, zaakkundig moet het geschieden.
De Heere weet dat alles. Hij volvoert het zo zalig tedervol, in hemelse wijsheid. Als 't gebeurd is, dan zingt zulk een harpenaar: ''t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest'.
En toch... telkens en telkens daalt, zakt de toon weer.
Vernieuwde, sterker spanning van de snaren zal hier op aarde noodzakelijk blijven. Wien de Heere liefheeft, kastijdt Hij.
O, mijn broeder of zuster, is de weg soms moeilijk en bang?
De Heere is dan bezig uw zielesnaren te spannen. Ge moet straks gaan jubelen in hemelse klanken. Ge zijt zelf zulk een citer, waarop uw God wil spelen. Laat Hem dan begaan, kus die regelende hand.
En gelijk het nu met de enkeling gaat, zo is 't evenzeer nodig voor 's Heeren Bruid, de kerk in haar geheel. Zij zal net zolang door de druk moeten, en eenmaal nog eens voor 't laatst en voorgoed moeten 'aangeschroefd', tot ze niet meer zakken kan, in zuivere hemeltoon, en zij volmaakt en eeuwig 'op toon' zal zijn en blijven.
De Bruid moet ter bruiloft, daarom moet het schuim van het zilver afgescheiden worden.
Maar wat zal dan ook eenmaal dat nieuwe lied zuiver aangestemd worden!
In dat nieuwe gezang den Heere gezongen zal ook een regel zijn: 'Ik weet dat Gij mij liet verdrukken, uit enkel trouw'.
En de grondtoon van het ganse vreugdebedrijf, van deze symfonie des hemels zal zijn: 'Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen'.
Welaan dan, moedig voorwaarts, als de Heere ook heden ten dage Zijn kerk toeroept: 'Zeg de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken. Het gaat door de zee, langs het pad, dat God ons wijst, en bij het licht, dat Hij ontsteekt – het Kanaän der eeuwige rust tegemoet, naar het nieuwe Jeruzalem.
Om God, hun Koning, te eeren!'
Joh. de Rijke, Stad aan 't Haringvliet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's