Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (2)
Een vorig keer zette ik het één en ander over de Godsregering op het papier. Met Asaf moest ik zeggen dat 'dit stuk mij moeilijk viel en veel te hoog is'. Het gevaar is altijd weer, dat wij de Godsregering dogmatisch (leerstellig) sluitend proberen te maken. Daarvoor worden dan allerlei geliefde beelden gebruikt, onder andere die van het borduursel met een achterzijde van verwarde draden. Het schoon borduursel zelf zien wij echter niet. Hoewel het een mooi beeld is, zal men in prediking en pastoraat met dit beeld toch voorzichtig moeten zijn, want niet een ieder die werkelijk lijdt, zal hieruit altijd troost putten. Ik wil hiermee maar zeggen, dat zo'n beeld door ons niet als een stichtelijke 'dooddoener' moet worden gebruikt en niet in iedere situatie gebezigd dient te worden. De Godsregering is en blijft een zaak van het geloof. Dat geloof kunnen wij elkaar niet aanpraten. Het is en blijft een gave Gods! Wel mogen wij in het lijden voor onszelf of voor elkaar om dat geloof bidden. Alleen het geloof weet: bij God is geen willekeur, doch Hij is recht in al Zijn weg en werk!
Nogmaals de voorzienigheid Gods
In mijn eerste bijdrage over dit onderwerp heb ik uitvoerig stilgestaan bij wat de voorzienigheid Gods niet is. Maar wat is die dan wel? Een wel heel mooi antwoord geeft de Heidelberger op deze vraag. De voorzienigheid Gods is een kracht Gods. Echter niet zomaar een willekeurige kracht. Zij is een kracht Gods die zowel almachtig als alomtegenwoordig is, door welke Hij hemel en aarde mitsgaders alle schepselen onderhoudt en regeert. Nadat de Heere alles geschapen had, moest ook alles onderhouden worden. De schepping is geen grootheid die zich kan redden zonder God. Alles darin loopt niet automatisch. Niets of niemand daarin leidt een onafhankelijk bestaan. Met Calvijn belijden wij ootmoedig, dat overal God is met Zijn kracht en Hij dus alles onderhoudt. Ademhalen, spreken, lopen, allerlei handelingen door ons gedaan, dit alles wordt door Gods kracht gedaan. Niets maar dan ook niets kan aan het toeval worden toegeschreven, hoewel dit vaak wordt gedaan. Ik denk nu alleen maar aan de rouwadvertenties, waarin gesproken wordt over het heengaan van een geliefde ten gevolge van een noodlottig ongeval. Het toeval of het noodlot is hiervan naar ons wordt meegedeeld de oorzaak. Nu moeten wij niet denken, dat dit iets is van vandaag òf gisteren. Reeds 400 jaar geleden schreef Calvijn in zijn 'Institutie': 'De algemene overtuiging in alle tijden die ook tegenwoordig bijna alle mensen in beslag neemt, is dat alles bij toeval geschiedt'. Als iemand, zo schrijft hij, door een plotseling opstekende wind schipbreuk lijdt op zee, indien iemand wordt bedolven onder een instortend huis of onder een omvallende boom terecht komt of een ander toch veilig de haven bereikt of juist het huis uit is als het instort dan zullen zij allen het gebeuren aan toeval toeschrijven. 'Wie echter onderwezen is door de mond van Christus (Mattheüs 10 : 30), dat alle haren van zijn hoofd zijn geteld, zal de oorzaak verder zoeken en voor vast houden, dat alle denkbare gebeurtenissen door de verborgen raad Gods bestuurd worden'. De levenloze dingen, zoals bijvoorbeeld de opstekende wind of vallende stenen of een omvallende boom, tonen hun kracht niet, 'tenzij, voor zover zij door de aanwezige hand Gods bestuurd worden'. Hiermee is gezegd, dat de Heere niet alleen alles onderhoudt, doch ook regeert. Bij dit alles heeft de Heere een doel voor ogen, nl. Zijn eer en het doen komen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De glorie en victorie van Zijn Koningschap staan in Zijn onderhouden en regeren centraal.
Gods hand
Met de Heidelberger geloven wij dat alles uit Gods vaderlijke hand ons toekomt, ook al kunnen wij niet alles begrijpen en het voor ons verstand sluitend krijgen. Desondanks wil ik toch aan deze belijdenis vasthouden in tegenstelling tot G. C. van Niftrik. In zijn 'Kleine Dogmatiek' (pag. 108) schrijft hij, dat hij noodgedwongen toch enige kritiek moet oefenen op wat er in Zondag 10 staat geschreven. Volgens hem kan het voorkomen van rijkdom en armoede in deze wereld niet op één lijn gesteld worden met loof en gras, regen en droogte, om dan ook op dezelfde wijze herleid te worden tot de voorzienige wil en regering Gods. De Catechismus laat daarin een burgerlijk levensbesef horen dat, volgens Van Niftrik, de ozne niet meer kan zijn. Men kan de mens onmogelijk verantwoordelijk stellen voor regen en droogte. Dat komt ons zonder meer toe uit Gods vaderlijke hand. Dat geloven wij op grond van Gods openbaring in Christus: óók de droogte komt uit Gods vaderhand. Maar wij geloven niet, zo schrijft hij, dat zo in het algemeen, als waren het natuurverschijnselen, rijkdom en armoede over ons komen als een onweersbui, waarover wij geen zeggingskracht hebben. Wij ontkennen niet, dat in bijzondere gevallen rijkdom en armoede over een mens kunnen komen als een beschikking Gods. Maar in de lijst van voorbeelden, die antwoord 27 van Zondag 10 geeft, passen rijkdom en armoe niet zonder meer. Rijkdom en armoe staan voor een deel ook voor de verantwoordelijkheid van de mens.
Inzake ziekte en gezondheid schrijft Van Niftrik, dat deze in vele gevallen erkend kunnen worden als beschikkingen van Gods liefde. Maar ook hier mag men de verantwoordelijkheid van de mens niet elimineren door een beroep op Gods voorzienigheid. Heel wat ziekte kan door een beetje nuchter menselijk verstand vermeden en voorkomen worden. Men bescherme bekrompenheid en luiheid niet door het noemen van Gods voorzienigheid. Breedvoerig citeerde ik hierboven G. C. van Niftrik. Duidelijk zal zijn dat hij nadruk legt op de vrijheid en de verantwoordelijldieid van de mens. Eenzelfde gedachte treffen wij aan in de gedachtengang van H. Kushner waarover L. A. van Driel een helder en duidelijk opstel heeft geschreven in 'Over het lijden en God'. Het is immers waar, dat veel van wat gebeurt veeleer op de rekening van de mens dan op die van God moet worden geschreven. Een dronken automobilist is verantwoordelijk voor het ongeluk waarbij doden vielen. En wat de armoede in de derde èn in de vierde wereld aangaat, kunnen wij zeggen, dat wij hiervoor verantwoordelijk zijn, omdat wij niet weten te delen van onze gaven wereldwijd. Wie ziek is en niet naar een arts gaat of bepaalde middelen niet wil gebruiken, is hiervoor zelf verantwoordelijk. Men mag dan maar niet zeggen, dat Gods voorzienigheid dit zo heeft beslist. Dat klinkt mij althans enigszins blasfemistisch, godslasterlijk in de oren. Niettemin zal er toch altijd een spanningsveld blijven tussen Gods voorzienigheid en onze verantwoordelijkheid. Zonder een pasklare oplossing daarvoor te geven, stel ik, dat Gods voorzienigheid onze verantwoordelijkheid niet uitsluit, doch insluit. Zowel met Van Niftrik als Kushner ga ik mee als zij stellen, dat wij mensen verantwoordelijk zijn voor ons doen en laten. Mijn bezwaar is daar dan ook niet tegen. Wij zijn – om met Calvijn te spreken – geen stokken en blokken. Ik weet wel dat Calvijn dit in een ander verband heeft gezegd, maar het zou ook op ons dagelijks leven zijn toe te passen. Niettemin denk ik, dat zowel Van Niftrik als Kushner de vrijheid van ons mensen te hoog aanslaat. Wordt door hen niet al te zeer vergeten, dat wij gevallen mensen zijn? Is daarom hun mensbeeld niet wat te optimistisch? Ik geloof niet dat de Schrift ons zulk een mensbeeld laat horen en zien. Veeleer is de visie van de Schrift één die pessimistisch is. Onderwezen vanuit het Woord door de Geest komen wij er wel achter, dat het met die vrijheid van ons niet zoveel is gedaan. Was het ook Luther al niet die zei, dat wij door de zonde geknechte mensen zijn. Maar hoe het ook zij: van een absolute vrijheid in en van de mens kunnen wij in de Schrift niet lezen. Alles wat wij doen of nalaten is – en dat schrijf ik niet om een pastoraal ei neer te leggen – met zonde bevlekt. Het grote goed van de reformatie is daarom, dat zij de genade op een bijzondere manier uit de Schrift naar voren heeft weten te halen, maar ook heeft aangetoond hoe schrikkelijk de zonde is en hoe wij door de zonde totaal verdorven schepselen zijn die van vrijheid niets meer afweten, tenzij wij door Jezus Christus zijn vrijgemaakt. Of het daarom waar is wat ik las dat de reformatie nadruk legde op de alleenwerkzaamheid van God – als eerste oorzaak van alles – en daardoor de vrijheid van de mens in de schaduw werd gesteld is nog maar een vraag. Zou het ook niet kunnen zijn, dat men in onze tijd de Bijbel anders is gaan lezen? Vooral na de tweede wereldoorlog is men veel nadruk gaan leggen op de autonomie (zelfbeschikkingsrecht) van de mens. Daarbij kwam een vloedgolf van democratiseringsprocessen op gang die nog geen einde heeft. Ik sluit niet uit dat men tengevolge van dit alles de Schrift met een andere bril is gaan lezen waardoor men ogenschijnlijk meer oog heeft gekregen voor de vrijheid van de mens, maar waarbij men vergeet oog te hebben voor de zonde en voor wat Luther noemde: simul iustus, simul peccator. Vrij vertaald: ik ben weliswaar gerechtvaardigd, maar nog altijd zondaar. Of zoals Paulus in Romeinen 7 zegt: 'Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik'. Let wel: dit alles zegt de apostel na zijn bekering. Zijn visie op de mens inzake zijn vrijheid is derhalve verre van optimistisch. Já, en dan heeft hij het over die mens die mag weten van dood te zijn levend gemaakt. Dit alles maakt mij dan erg voorzichtig om van de vrijheid van ons mensen hoog op te geven. Ik denk dat wij ons beter kunnen houden aan de Schrift en aan wat de reformatie ons heeft geleerd. Niet dat wij de Schrift en de reformatie op één lijn moeten stellen. Ons is echter in deze beweging wel zoveel helderheid in de Schriften gegeven, dat wij niet anders dan tot onze schade juist in onze tijd die kunnen verwaarlozen of van weinig waarde achten. Daarom wil ik toch ook gaarne vasthouden aan wat er letterlijk in Zondag 10 staat geschreven nl. dat ons alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Daarmee is vrijwel alles gezegd. Althans alles gezegd voor Zijn kinderen. Het zegt iets van hun diepe afhankelijkheid van God de Vader alsook van hun innige relatie (verhouding) met Hem. En dat zeker ook in het verband van hun lijden dat zij ondergaan. Doch hierover een volgend keer meer.
(wordt vervolgd)
G. S. A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's