De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Prof. Gäbler over de Nederlandse student
De laatste maanden zijn er in verband met het rapport van de Verkenningscommissie heel wat woorden gewijd aan het niveau van theologisch-wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Je kunt een dergelijk onderwerp natuurlijk vanuit geheel verschillend gezichtspunt benaderen, vanuit de wetenschap of de kerk, vanuit de eisen van de samenleving, vanuit de optiek van de docent of de student. De Oostenrijkse geleerde. Prof. dr. U. Gäbler, als kerkhistoricus een aantal jaren verbonden aan de V.U. werd bij zijn afscheid naar Bazel, geïnterviewd door twee leden van de redactie van Kabats, het blad van de theologische faculteit. Onder meer komt de houding van de Nederlandse student ter sprake. Nu is het natuurlijk gevaarlijk – ook Gäbler weet dat – om over dè student te spreken. Je komt al heel snel tot onjuiste veralgemeniseringen die aan allerlei mensen geen recht doet. Toch is het goed om eens te zien in de spiegel van deze buitenlandse geleerde:

'(…) Relativerend met de geschiedenis omgaan, dat wilde ik de studenten bijbrengen.

Is u dat gelukt?
Bij sommigen wel, bij anderen niet. Ik moet zeggen dat ik onderwijs steeds minder leuk begon te vinden. Het kwam denk ik, doordat ik niet makkelijk aansluiting vond bij de meesten. De studentenpopulatie is zo divers geworden. Studenten in een jaar verschillen onderling behoorlijk, in intellectueel en emotioneel opzicht. Dat maakte het les geven moeilijk. Ik miste de respons onder studenten en vooral nieuwsgierigheid. Van nieuwsgierigheid leven docenten.

Typeert deze houding de Nederlandse studenten?
Dat weet ik niet precies. Ik constateer wel een verschil met de tijd dat ik student was. Ik herinner me dat ik in mijn studententijd in Wenen tot diep in de nacht theologische kwesties kon bespreken, en als je dan lopend naar huis ging – taxi's konden we niet betalen – zette je het gesprek nog eens anderhalf uur lang voort. De theologie was zoals collega Veenhof zegt nog onderwerp van gesprek. Studenten wilden dingen aan de weet komen. Nu heerst er nog een ander klimaat. De houding van studenten komt overeen met de algemene indruk die ik van theologie in Nederland heb overgehouden: het is lauw. Er vinden in dit land geen gevechten meer plaats op theologisch terrein. Dat ik van een rustig Zwitserland in een levendig Amsterdam zou komen, wat ik bij mijn benoeming verwachtte, is dus niet uitgekomen.

Heeft Amsterdam u in theologisch opzicht dan niets geboden?
Nee, zo is het niet. Dankzij Amsterdam ben ik gaan nadenken over het feminisme. Ik liet me wijzen op de lacunes binnen mijn vakgebied. Vraagstellingen met speciale aandacht voor de rol van vrouwen acht ik een aanwinst voor de kerkgeschiedenis. Met het feminisme als filosofisch of theologisch systeem weet ik evenwel geen raad. Ook kwam voor het eerst hier de relatie kerk en synagoge onder mijn aandacht. Het denken over die relatie was nieuw voor me en zinvol. In Zürich had ik me al bezig gehouden met de problematiek van oorlog en nationaal-socialisme. Nederland bood me wat dat betreft niets nieuws.

Toch zult u als Oostenrijker ook in Nederland nog wel eens geconfronteerd worden met het oorlogsverleden van uw land.
Dat klopt. Persoonlijk ben ik van mening, dat op het Duitse taalgebied anders met de Holocaust moet worden omgegaan dan elders, omdat in het "Konzentrationslager" (KZ) in het Duits geschreven stond "Arbeit macht frei" en in het Duits mensen de gaskamers werden ingestuurd. Dat verplicht elke Duitstalige een grotere voorzichtigheid, nauwkeurigheid en terughoudendheid te betrachten ten opzichte van joden. Het ging me echter te ver wanneer een Nederlander die geen jood is en niet in het KZ zat me hierover de les las. Alsof alle Nederlanders goed waren in de Tweede Wereldoorlog, en alsof Nederlanders in Indonesië niet in de fout gingen. Soms telt dit land 15 miljoen specialisten in buitenlandse zaken, afgezien van de 15 miljoen dominees die er ook zijn.

Hoe staat u nu ten opzichte van Oostenrijk?
Aanvankelijk dacht ik in Nederland te gaan werken en Oostenrijk te blijven beschouwen als vakantieland. Dat gaf ik al gauw op. Ik sjouwde ook werk mee, zodra ik naar Oostenrijk ging. Aan mijn geboorteland ben ik erg gehecht en ik zal ook niet mijn nationaliteit opgeven. Niettemin heb ik vrij veel kritiek. Een tijd was ik voorzitter van de vereniging van Oostenrijkers in Nederland, maar niet in de laatste plaats om Waldheim heb ik voor deze functie bedankt.

Bent u een vreemdeling gebleven in Nederland?
Ergens vreemdeling zijn ken ik van kind af aan. Mijn ouders waren Duitsers en vestigden zich in Oostenrijk. De wereld zag er binnenshuis anders uit dan buitenshuis. In Zürich was ik ook een vreemdeling, lutheraan in een gereformeerde samenleving. Het went. Ik kon er goed mee uit de voeten. Natuurlijk stuitte ik ook in Nederland op verschillen. Het godsdienstig klimaat is zo calvinistisch als wat. Voor mijn eigen geloof en leven komt dat soms vreemd over. Maar het betekent niet dat ik hier vervreemd van mezelf gewerkt heb. Prof. Deurloo zei eens over me, toen hij me bedankte voor een verhaal dat ik hield in het theologencafé: Ja, hij is toch een Amsterdammer. Zo van, een Nederlander is hij niet, maar hij past bij het kleurrijke van de stad. Dat vond ik ontzettend aardig van Deurloo. Ik voel me hier ook op mijn gemak en geaccepteerd als iemand van buiten. Aan de universiteit waren velen bereid om naar mij te luisteren. Dat heb ik nog steeds heel hoog.

U bent en bleef lutheraan. Wat betekent dat voor u?
Geloven doe ik op uitnodiging. Ik aanvaard die uitnodiging en ga bijna elke week naar de kerk. Daar wil ik horen dat ik een zondaar ben en dat mijn zonden vergeven zijn. Elke week heb ik dat nodig. Door zondags te leven uit het woord van de vergeving kan ik maandags weer proberen opnieuw te beginnen. Ik ga niet naar de kerk om me als hoogleraar een gedragslijn voor te laten schrijven voor door de week. Het is me opgevallen dat in Protestantse kerken in Nederland de ethisering zo voorop staat. "Wat kan ik er aan doen" is het alsmaar. Ik herken me meer in een benadering van: "ik ga op mijn stoel zitten en laat het nu aan de lieve Heer over, want ik kan niet alles op mijn schouder dragen." '

U ziet: er kwam in dit gesprek ook nog een aantal andere zaken aan de orde. Zonder elke uitspraak voor m'n rekening te nemen, moet ik wel zeggen dat tal van zinsneden je aan het denken zetten. Met name, wat gezegd wordt over de ethisering van de prediking verdient de aandacht. Als het zwaartepunt op de vraag 'Wat kan ik er aan doen' ligt en niet op de daden van God in Christus tot ons heil, dan is er iets wat voor de Reformatie heel wezenlijk was verloren gegaan. En het gevaar is dan levensgroot dat een dergelijke nadruk op wat wij moeten doen omslaat in moedeloosheid en apathie, als blijkt dat het met onze daden nu niet zo best gesteld is. Anderzijds kun je de vraag stellen, of er in Gabler's woorden toch ook niet iets doorklinkt van een typisch Lutherse visie die net weer een iets ander accent legt dan Calvijn met zijn nadruk op de heiliging ook in het openbare leven.

Puchinger over Dordt
In Wapenveld van maart/april schreef dr. G. Puchinger, de bekende historicus een boeiend artikel over honderd jaar Gereformeerde Theologie. In een dergelijk artikel kan natuurlijk een bijdrage over de Dordtse synode niet ontbreken. Puchinger spreekt in dat verband over de expansie waardoor iedere beweging wordt gekenmerkt.

ledere beweging – en ook de beoefening van de gereformeerde theologie is een beweging – wordt gekenmerkt door expansieen nederlagen. Wat de expansie betreft, denk ik aan het gebeuren van de Dordtse Synode van 1618-1619, dat, terwille van de zuiverheid van leer – waar het de Reformatie immers om begonnen was! – enerzijds een diepe kloof schiep en ook wilde scheppen in het Nederlands en internationale protestantisme, anderzijds een groots internationaal gebeuren was.
Hierbij moet bedacht worden dat de kerngroep van de eigenlijke gereformeerde gezindte nooit meer bedroeg dan slechts één tiende van het Nederlandse volk – dus één derde van de reformatorische gezindte. De reformatorische gezindte hier te lande was altijd ruimer dan de specifiek gereformeerde gezindte, en wenste in wetenschap en maatschappij de specifiek gereformeerden te erkennen of af te vallen, al naar zij zich gematigd of rigoureus betoonden, al naar zij creatief of louter conserverend optraden.
Op de Dordtse Synode schiepen de voorstanders van de gereformeerde theologie een diepe kloof jegens remonstranten, doopsgezinden en Lutheranen, om slechts hen te noemen. Wie de geestelijke en wetenschappelijke betekenis van deze buiten de gereformeerde gezindte gestoten kerken wil leren kennen, zal er goed aan doen de Levensberichten van de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde aandachtig te lezen. Dan ziet men hoe ook in deze niet-gereformeerde kerken en genootschappen de theologie en het geestelijk leven gebloeid hebben, en een grote bijdrage hebben geleverd en nog leveren aan het geestesleven van ons volk, daar waar de specifiek gereformeerden sinds Dordrecht geen voet meer binnen de deur krijgen.
Maar Dordrecht was méér dan afweer die enkel afkeer opwekte.
Deze Synode was tevens een groots internationaal gebeuren, een protestants oecumenische concilie dat een duidelijke tegenstem gaf tegen het Concilie van Trente, een tegenstem die ver buiten Nederland gehoord werd, en tot op vandaag de aandacht trekt van dogmatici en kerkhistorici, die het geloofsleven van die tijd willen bestuderen. Dordrecht is het reformatorisch Trente geweest. Van Ruler zei over Dordrecht heel treffend: "Wie zou bijvoorbeeld de Dordtse Leerregels willen inkorten tot op de these, dat het genade is, genade te ontvangen? De bruid in Dordrecht zei, dat het genade is, de genade te aanvaarden – dat is even dieper!"
Maar de gereformeerde theologie in Nederland kende ook haar nederlagen, men kan misschien nog beter van neergang spreken.
Kardinaal Alfrink heeft in 1962 het kenmerk van het Nederlandse geestesleven eens getypeerd door "de neiging tot het rigoureuze, tot het extreme".
Dat hebben onze theologische faculteiten ervaren, die, begonnen met een extreem Calvinistische inslag, onder invloed van filosofie en theologie buiten ons land, dit veeleisend Calvijnse karakter al meer verloren. Zeker, in Utrecht vertoonde de in 1636 gestichte Universiteit onder Gisbertus Voetius, de papa ultrajectiner, de gereformeerde theologie zich in haar extreme kracht, nadat Voetius op de Dordtse Synode reeds had deelgenomen aan de confessionele zuivering van de Leidse theologische faculteit; en altijd zou sindsdien in Utrecht de stem van de gereformeerde theologie gehoord worden.
Expansie en neergang. Puchinger wijst er op dat wat Dordrecht wilde, nl. de handhaving van de gereformeerde theologie (toen tegenover de Remonstranten) in de vorige eeuw en in onze eeuw gedaan is door geleerden als Kuyper, Bavinck, Schilder. Terwijl hij daarnaast ook noemt de theologie-beoefening van de christelijk-gereformeerden en de Gereformeerde Bond, 'minder opzienbarend, vaak meer verinnerlijkt dan de leerlingen van Kuyper en Schilder'.
In het slot van zijn artikel wijst de auteur er op dat we ons niet moeten laten beetnemen door de nogal eens gehoorde bewering dat gereformeerde theologie zijn tijd gehad zou hebben.

'Wat deze tijd aangaat, wij zijn in sommige opzichten opnieuw beland in de situatie van de vorige eeuw, toen men vast geloofde dat de gereformeerde theologie voorgoed had afgedaan, en in kleine gezelschappen en groepen van "verontrusten" zijn ongemerkt, tragisch stervensproces doorleefde. Maar hoe heeft het officiële Nederland van de vorige eeuw zich hierin vergist!
Wij geloven voor wat vandaag betreft niets van het stille sterven van de gereformeerde theologie, want daarvoor heeft ze veel te diepe wortels in ons volk en veel te brede historische achtergronden. Wij geloven daarvan niets, ondanks alle, vaak dagelijkse fanfares tegen de gereformeerde theologie, die ook in de vorige eeuw weerklonken; niets ondanks alle smakelijke of onsmakelijke verhalen; diep ernstige of oppervlakkige columns, die moeten duidelijk maken hoe ongelukkig de mens wel worden kan dank zij de gereformeerde theologie!
Zeker, ook ons is bekend het gestrenge woord van Van Ruler uit het jaar 1969: "Daar, aan de rechterzijde, ook in de hervormde kerk, schuilen ketterijen, waarbij die van het modernisme kinderspel lijken". Maar Van Ruler heeft in 1969 ook nog iets anders gezegd: "De Gereformeerde Bond is een enorm reservoir van geestelijke krachten. Ik zie dat bij de studenten en bij talloze gemeenteleden. Oók wanneer ze met hun oorspronkelijke milieu gebroken hebben. Tegen de mensen die geneigd zijn de kerk af te schrijven, zeg ik graag: de Gereformeerde Bond staat klaar om de hele zaak over te nemen". ledere levensbeschouwing, iedere filosofie, ook iedere theologie kent zijn gevarenzône: haar tekortkomingen en eenzijdigheden, haar misbruik en spiritueel overspel. Ook de gereformeerde theologie maakt daarop geen uitzondering. Maar het is natuurlijk onheus, unfair en ongeestelijk haar dáárnaar te beoordelen. En tegenover hen die alle christelijk geloof voorgoed vaarwel gezegd hebben, zeggen wij: een verkeerd gebruik van het christelijk geloof, is nog altijd beter dan géén gebruik, omdat het Woord Zelf het misbruik corrigeren zal. Uit de kleine, aanvankelijk wat benepen, beperkte, wat van de wereld afgewende kring van de Afscheiding van 1834, is juist de ruim denkende christen Herman Bavinck voortgekomen, al moest daarop wel een halve eeuw gewacht worden en gestreden voor een ruimere blik op de werkelijkheid.
De gereformeerde theologie is altijd een minderheidstheologie geweest, en zal dat door haar veeleisendheid wel altijd blijven. Wat dat aangaat zou ik in deze stad willen herinneren aan een in onze kring misschien vergeten of nooit opgemerkt woord van de grote ethische Groningse theoloog Is. van Dijk (1847-1922), die schreef: "dat er zeer strenge studie nodig is, om ook maar enigszins op de hoogte te komen van de gereformeerde theologie. Het adytum (toegang) der gereformeerde theologie opent zich niet op het uitspreken van een klank, trouwens dit geschiedt ook alleen in de wereld der sprookjes: dáár springen deuren open op het noemen van een naam".'

Het zal de lezer duidelijk zijn dat Puchinger pleit voor een gereformeerde theologiebeoefening die zich waagt aan de ontmoeting met de anderen op het wijde veld van de oecumene. En vooral dient bedacht te worden dat 'een levende theologie' niet kan bestaan zonder dagelijks gebed en bijbellezing, de twee voornaamste bronnen van ons christelijk leven'. We zeggen dat de Amsterdamse historicus gaarna na. Zo alleen, in deze levende verbinding van wetenschap en vroomheid kan de theologie van betekenis zijn voor kerk en samenleving en kan ze een bijdrage leveren in het geheel van onze cultuur.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's