De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (3)

10 minuten leestijd

Een vorige keer eindigde ik met de vraag: doet God alles? Kunnen wij zeggen dat Hij de hand heeft in een auto-ongeluk? Veroorzaakt Hij ook een oorlog? Is het waar als er staat geschreven: Is er een kwaad in de stad dat de Heere niet doet? Men versta mij goed, dat dit geen dogmatische of academische vragen zijn waarover men kan filosoferen. Neen, dit zijn vragen die met de werkelijkheid te maken hebben. Vragen waarmee mensen kunnen worstelen en die in het pastoraat meer dan eens gesteld worden. Daarom zal ik moeten proberen hierop een antwoord te geven. Maar alvorens ik in alle voorzichtigheid een poging daartoe wil ondernemen, zal ik toch eerst iets over het lijden en de oorzaak daarvan op papier moeten neerzetten.

Lijden
Wat wordt er veel geleden in deze grote wereld. Hele volkeren lijden onder het oorlogsgeweld en dat soms al tientallen jaren. Te denken valt o.a. aan Libanon. Ook zijn er volkeren die lijden doordat zij door rechtse òf linkse diktaturen worden uitgebuit. Groot onrecht wordt hen aangedaan. En is het ook geen lijden van miljoenen en nog eens miljoenen op deze aarde, die in vluchtelingenkampen verblijven, omdat zij van huis en haard verdreven zijn? Een groot deel van de mensheid wordt bovendien geteisterd door de honger tengevolge waarvan velen sterven. Lijden in 't groot waamee wij van dag tot dag via allerlei media worden geconfronteerd en waarvan wij zeggen: verschrikkelijk! Al dit lijden is bijna niet zonder tranen in de ogen aan te zien òf te horen, hoewel het gevaar bestaat dat ook in het horen en zien daarvan een zekere gewenning ontstaat. Dit laatste is echter wel gevaarlijk.
In het bovenstaande schetste ik iets over het lijden in grote verbanden, maar er wordt niet minder geleden – weliswaar op een ander manier – in kleinere verbanden. En dan denk ik aan het persoonlijk leed dat mensen ondergaan. Wat een leed en spanning geeft een huwelijk waarin beide partners elkaar niet (meer) verstaan. Wat te denken van het ontstellende verdriet dat ouders kennen die een kind door ziekte òf door een ongeval hebben moeten afstaan. Wat kan er ook een schrijnende wond in het hart van een echtpaar aangetroffen worden, waarvan het huwelijk kinderloos bleef. Tot op zeer hoge leeftijd wordt hieronder doorgaans geleden. Maar ook al heeft men kinderen, zo kan er nog wel leed zijn. In het pastoraat ontmoet ik wel ouders die lijden, echt lijden, omdat zij hun kinderen op wegen zien gaan die van God afvoeren. Het lijden in welke vorm dan ook wordt vrijwel niemand bespaard, zelfs al is dit niet altijd aan de buitenkant te zien. Er kan namelijk ook een innerlijk lijden zijn, waarover men met niemand durft te spreken. Wat kan iemand gekweld worden door een bepaalde karakterzonde of door geweldige aanvechtingen van de duivel. Een man die op het einde van zijn leven tot volle ruimte mocht komen vertelde mij, dat hij zijn hele leven gekweld was door de satan die hem altijd had voorgehouden, dat hij de Heilige Geest had gelasterd. Nooit had hij er met iemand over durven spreken. Soms was dat lijden daarover en daaronder voor hem bijna ondragelijk geweest. Had God het niet verhoed, hij had een eind aan zijn leven gemaakt. In Zijn genade was de Heere hem evenwel te sterk geworden en had tot hem gezegd: Ik ben uw heil alleen. Gezegd kan worden, dat het lijden diepe wonden slaat in het leven, op verschillende wijze en met verschillende hevigheid. Maar ieder voelt eigen pijn en heeft eigen vragen en strijd. Ja, ook strijd en soms zelfs woede. Zo vertelde mij ds. Jac. van Dijk eens, dat hij een levenloos geboren kind moest begraven. De moeder van dat kind, een godvrezende vrouw, die goed wist, dat de Heere haar in haar leven had opgezocht, worstelde met de vraag: waarom dat haar moest overkomen nl. het ter wereld brengen van een levenloos kind. Op deze vraag kon zij geen antwoord vinden. Een grote woede tegen God ontstak in haar hart. Toen haar kind in een kistje haar huis uit werd gedragen en de mannen de baar volgden (het was in die gemeente de gewoonte, dat alleen de mannen meegingen naar de begraafplaats) smeet zij in alle woede die mannen de wieg na en balde haar vuisten naar de hemel en zei: 'die wieg mag U dan ook wel hebben'. Wellicht dat iemand onder ons denkt: die vrouw kan nooit een kind van God geweest zijn, want een kind des Heeren doet zoiets niet. Nu, die vrouw was wel een kind des Heeren en later heeft zij ook ingezien en geleerd, dat het niet goed was wat zij had gedaan. Evenals een Asaf van wie wij weliswaar in een andere situatie hetzelfde lezen. Ook hij balde zijn vuisten naar de hemel. Wat wij daarom moeten afleren is de kinderen Gods op een voetstuk te zetten en te denken, dat zij nooit tot iets dergelijks als hierboven beschreven in staat zouden zijn. Zonder Gods bewarende genade zijn en blijven zij vlees, zoals G. Boer in één van zijn preken in de bundel 'Door het geloof' zegt.
Er is veel leed te dragen. Soms grijpt de vraag naar de zin van de gebeurtenissen iemand naar de keel: waarom toch moest het gaan zoals het gaat? Had het niet anders gekund? Ben ik dan beroerder, slechter dan anderen die al die narigheid en tegenslag niet hebben. In de Psalmen komen wij nog wel eens mensen tegen, die met die vragen geworsteld hebben. Mensen die in radeloosheid en hulpeloosheid hun hart hebben uitgestort voor de Heere. Al eerder noemde ik Asaf in Psalm 73. Maar in dit verband kan ik ook wijzen op 55, 61, 102 en 142 in de Psalmbundel.

Zonde en lijden
Heeft het menselijk lijden met de zonde te maken? Ik meen dat ik in overeenstemming met de Schrift en de belijdenis van de kerk spreek als ik stel, dat het lijden te maken heeft met de straf op de zonde. Let wel: in zijn algemeenheid. Uitermate voorzichtig moeten wij namelijk zijn met te zeggen dat alle leed dat iemand ondergaat altijd zou zijn als straf op een persoonlijke zonde. Niet dat dit nooit kan voorkomen. Wie zich bijvoorbeeld te buiten gaat aan alcohol en zich een delirium drinkt, kan dit lijden zien als een straf op die persoonlijke en aanwijsbare zonde. Nu ga ik even voorbij aan de vraag, waarom iemand zich daaraan te buiten gaat. Zonder die goed te praten, kunnen er achtergronden zijn waardoor iemand zich verslingerd heeft aan de drank. In het pastoraat zullen die motieven ook boven water meoten komen en in het gesprek daarmee rekening gehouden dienen te worden. Niettegenstaande blijft staan, dat in dit geval het lijden een straf is op een persoonlijke en aanwijsbare zonde. Van dit alles zouden nog wel meer voorbeelden gegeven kunnen worden. Doch laten wij voorzichtig zijn. Met name in het pastoraat. Sommigen worstelen immers met de vraag of hun lijden is om een persoonlijke zonde. Deze vraag is werkelijk niet altijd te beantwoorden. Dat moeten wij dan ook niet proberen. Wel is de algemene waarheid: waren er geen zonden, er waren ook geen wonden. En zonder mij nu met een 'stichtelijke dooddoener' ervan af te maken, schrijf ik: laten wij bij het lijden als straf op de zonde niet vergeten de diepe val in ons bondshoofd Adam. In zijn algemeenheid gesteld, kan daarop alle lijden worden teruggebracht. Wel zeg ik: dat is een zaak van het geloof. Ons verstand druist er tegen in. Voor ons verstand is het een dwaasheid. Doch het geloof zal het beamen; tengevolge van de bondsbreuk is er het lijden als straf op de zonde. En nogmaals: dat moet geloofd worden. En waar het geloofd wordt, daar zal men de Heere geen onrecht durven toeschrijven.
Zonder geloof echter zal men tegenover het lijden als straf op de zonde anders staan. Een paar voorbeelden daarvan. Sommigen beweren, dat met de schepping het lijden tevens gegeven was. Zonder 'Weltschmerz' (smart in de wereld) laat zich geen aarde denken. Anderen namen en nemen aan, dat van meet af tegenover de goede god een kwade god stond.
Ook zijn er die spreken over een donkere natuurgrond in God, waaruit het lijden voortvloeit. Het Boeddhisme verklaart het lijden uit de blinde, alogische wil om te zijn. En Schleiermacher o.a. houdt staande, dat het zondige bewustzijn van de mens de op zichzelf noodzakelijke onvolkomenheden van de wereld als rampen opvat. Al deze voorstellingen zijn echter in strijd met de Schrift. In Genesis 3 : 17 lezen wij: 'zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt'. Het menselijk lijden is een straf op de zonde. Maar mag dit nu altijd van alle lijden gezegd worden? Ik stipte hierboven reeds aan dat wij met deze vraag uitermate omzichtig en voorzichtig moeten omgaan. Het lijden is niet altijd zo aanwijsbaar vanwege de één of andere zonde. Zelfs niet bij een handhaving van de algemene waarheid, dat tengevolge van onze diepe val het lijden straf op de zonde is. Om dit met een voorbeeld uit de Schrift te staven denk ik aan Job. Wat is zijn lijden ongelofelijk diep geweest. En dat werkelijk niet om een bepaalde zonde. Er is in het geval van Job nog iets anders aan de hand. De satan legde Job, waar hij zelf niet bij was, ten laste dat hij de Heere alleen maar diende om het in de tijd goed te hebben. Jobs dienen van God was voor Job winstgevend, zo zei satan. Het was Job niet echt om God Zelf te doen. Zijn lijden moet daarom nu maar eens aan het licht brengen òf hij werkelijk zonder bijbedoelingen de Heere dient. En dan laat de Heere Job lijden. Gods weg wordt voor deze godvrezende man een weg die hij niet kan volgen. Met de dichter kan hij zeggen: Gods weg is in de zee en Zijn pad in diepe wateren. Iets dergelijks laat hij ook horen als hij zegt: 'Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet'. In onze tijd spreken wij wel eens over Godsverduistering. Soms weten wij niet eens waarover wij het hebben. Bij Job daarentegen zien wij de reinste Godsverduistering. God is voor zijn besef afwezig. Niettegenstaande lezen wij dan toch vol verbazing en verwondering een uitroep van Job als hij zegt: 'Doch Hij kent mijn weg, die bij mij is'. Job weet: ook al begrijp ik de weg niet die de Heere met mij gaat, de Rechter der ganse aarde zal recht doen. Laat dan de weg die Hij met mij gaat voor mij onbegrijpelijk zijn en op een doolhof lijken, maar voor Hem is die weg geen doolhof, doch duidelijk en klaar. Zijn daarmee dan alle raadsels in het leven van Job opgelost? In geen geval en ook niet in ons eigen leven. Maar wel mag Job en mogen wij het de dichter nazeggen: 'In de grootste smarten, blijven onze harten in de Heere gerust'. Dit te weten maakt ons niet fatalistisch of passief, doch met mond en hart hangen wij aan de mond Gods en door onze tranen heen zeggen en belijden wij: Al zou Hij mij doden, nochtans zal ik op Hem hopen. Dat is de taal van het geloof. Het geloof dat door God Zelf wordt geschonken en onderhouden, ook in de gangen die Hij met ons gaat door dit leven en die wij niet altijd kunnen verstaan.
Menselijk lijden en Gods voorzienigheid, hoe houden wij die bij elkaar? Ik denk alleen, wanneer wij leerjongeren zijn en blijven van de Schrift. Doch hierover een volgend keer meer.
(wordt vervolgd)

G. S. A. de Knegt, P.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's