Uit de pers
Van Gennep over de opstanding
Er is al heel wat gezegd en geschreven over de uitspraken van de Leidse hoogleraar prof.dr. F. O. van Gennep die enkele maanden geleden in het blad In de Waagschaal de Anglicaanse bisschop Jenkins bijviel die de lichamelijke opstanding van Jezus Christus ontkende. Van vele kanten zijn bezwaren aangetekend tegen de visie van Van Gennep. In het hierboven genoemde blad (no. 8, 24 juni) zet Van Gennep nogmaals uiteen waarom het hem te doen is. Hij acht de prediking dat Jezus 'lichamelijk' zou zijn opgestaan exegetisch onjuist, hermeneutisch – d.w.z. met het oog op de vertolking in prediking en pastoraat – onoverdraagbaar voor de mens van nu en theologisch onaanvaardbaar. Wat zijn Van Genneps uitlegkundige bezwaren?
'De oudste getuige aangaande de opstanding is Paulus, die daarover onder andere schrijft in 1 Cor. 15. Hij citeert daar eerst, wat hem is overgeleverd vanuit de gemeente, waarbij hij in vers 8 ook zichzelf noemt als een van de getuigen van de opstanding. Ook op andere plaatsen (Gal. 1 : 12 en 15; 1 Cor. 9 : 1 en mogelijk ook Fil. 3 : 8) verwijst hij naar zijn eigen ervaring, waarmee hij de in Hand. 9 : 19 beschreven ontmoeting met Christus op de weg naar Damascus bedoelt. Bij die gelegenheid omstraalde Paulus een groot licht en hoorde hij een stem zeggen: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" (Zie 1 Sam. 26 : 18). In Hand. 21 : 6-11 en 26 : 12-18 wordt die geschiedenis nog eens over verteld.
In het vervolg van 1 Cor. 15 spreekt Paulus van het verschil tussen het aardse, natuurlijke lichaam en het opstandingslichaam, dat hij een 'geestelijk' lichaam noemt. Zoals reeds eerder betoogd, had Paulus waarschijnlijk ook bij die term 'geestelijk lichaam' een bepaalde concrete voorstelling, maar hoe concreet het 'geestelijke lichaam' ook was in Paulus' voorstellingswereld, het was duidelijk onderscheiden van het "natuurlijke lichaam" waarin Jezus op aarde met zijn discipelen had rond gewandeld.
Zowel de verwijzing naar het Damascusgebeuren als de verwijzing naar het "geestelijke lichaam" is reden, waarom het me onjuist lijkt om van een "lichamelijke opstanding" van Jezus te spreken. We wekken daarmee de suggestie, dat wij in de opstanding te maken hebben met een mens van "vlees en bloed" of – zoals Lucas het naar oud testamentisch gebruik uitdrukt – een mens van "vlees en been" (Lucas 24 : 39). Met veel nadruk zegt Paulus: "Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven", (vers 50) De wijze, waarop Paulus over de opstanding van Jezus Christus spreekt, is ver verwijderd van wat wij "lichamelijke opstanding" noemen. Waar Paulus zich niet uitspreekt over de lichamelijkheid van de opstanding, zullen wij dat eveneens moeten nalaten.
Men kan zich daarbij de vraag stellen: Hoe zit het dan in de Evangelieën? Zijn daar geen teksten en verhalen te vinden, die op een "lichamelijke opstanding" wijzen? Die zijn er op het eerste gezicht zeker. Er is een teken van "het lege graf", al zijn er nogal wat exegeten, die erop wijzen, dat we de mededelingen van de evangelisten omtrent "het lege graf" moeten zien als interpretatie van Paulus' getuigenis in 1 Cor. 15. De evangeliën zijn immers van veel later datum dan de geschriften van Paulus. Naast de teksten omtrent 'het lege graf' wordt er verteld, dat Jezus de discipelen de mogelijkheid biedt om Hem aan te raken, opdat zij zich ervan zullen overtuigen, dat Hij geen "spook" is. Opvallend daarbij is, dat nergens wordt vermeld, dat dit ook inderdaad zou zijn gebeurd. Ook wordt er verteld, dat Hij een stuk vis nam en het voor hun ogen at. Tegelijkertijd zijn er ook verhalen, die met deze lichamelijke voorstellingen in strijd zijn: Jezus kwam door de gesloten deuren heen. De discipelen herkenden Hem niet (Lucas 24 : 13-35). Er is maar één conclusie mogelijk: Er is met name in de evangeliën sprake van een dubbel getuigenis: lichamelijk en niet-lichamelijk. De evangelisten zaten met het probleem, hoe ze hun lezers moesten duidelijk maken dat Jezus weliswaar dezelfde persoon was, maar tegelijkertijd in zijn sterven en opstanding een substantiële verandering had ondergaan.
De bijbel spreekt ook wel van een "verheerlijkt lichaam" (bijv. Lucas 9 : 29; Hand. 3 : 13; 2 Cor. 3 : 18; Fil. 3 : 21) Berkhof merkt daarover op in zijn Christelijk geloof: "Wij die aan deze zijde leven, weten niet wat verheerlijking is. Bij de opgestane zien we er slechts een glimp en een begin van. Wij weten dus ook niet welke soort ruimtelijkheid met de bestaanswijze van de verheerlijking correspondeert." Voorts merkt Berkhof op, dat Paulus alleen dan over het verheerlijkte lichaam van Christus op aarde spreekt, als hij de gemeente van Christus op aarde bedoelt. (1) Bij die voorzichtige formuleringen van Berkhof voel ik me thuis, al ga ik zeker verder dan hij, als ik nu ook de conclusie trek niet langer van een "lichamelijke opstanding" te willen spreken omdat dit anders in hermeneutisch en apostolair opzicht zowel bij de gemeente als bij de buitenwacht tot grote misverstanden moet leiden.
Als ik poog samen te vatten, wat Paulus en de Evangelieschrijvers ons over het opstandingslichaam van Christus willen mededelen, dan denk ik, dat zij er in de eerste plaats op uit zijn ons te zeggen, wat het niet is: niet helemaal een lichaam (Hij kwam door gesloten deuren) maar ook niet helemaal een geest (Hij had vlees en benen). Zij wilden kennelijk waken tegen te ruwe materialisering en tegen te ijle vergeestelijking. Zij leggen er nadruk op, dat er continuïteit bestaat tussen de gekruisigde en de opgestane Heer. De opgestane Heer draagt de wonden van de gekruisigde in zijn verheerlijkt lichaam. Tegelijkertijd willen zij ons ook duidelijk maken, dat Jezus Christus door de dood is heen gegaan en daarom van een geheel andere kwaliteit of substantie is (hoe zullen we het noemen?) dan de aardse mens, die destijds van Galilea naar Jeruzalem reisde. Hij was dezelfde en toch gans anders en wel zo anders, dat het geen zin meer had van een "lichamelijke opstanding" te spreken. Er was geen eenheid van lichaam, maar eenheid van "persoon". De exegeet M. de Jonge vatte het in een gesprek zo samen: Hij was wel dezelfde maar niet hetzelfde!
In het vervolg van zijn artikel bepleit hij een mystiek verstaan van de opstanding. Wat de vrouwen overkwam was een mystieke ervaring, gelijk aan die van Mozes in Exodus 3 of Elia bij de Horeb.
Het was een ervaring, zoals het ook Mozes blijkens Exodus 3 was overkomen of Elia op de Horeb. De vrouwen gingen naar buiten uit het graf. Ze waren sprakeloos en zeiden niemand iets. Ze waren echter niet de enigen, die met deze openbaringsgebeurtenissen werden geconfronteerd. De discipelen beleefden iets dergelijks en later waren er zelfs vijfhonderd getuigen, die op soortgelijke wijze tot zekerheid kwamen: de Heer lééft. Aarzelend begonnen ze daarover met elkaar te spreken en legden elkaar deze gebeurtenissen uit met behulp van het joodse apokalyptische begrippenpatroon, dat hen vanuit de laatste eeuwen voor onze jaartelling was overgeleverd. Zowel voor mijzelf als ook voor het gesprek met anderen is het hoogst noodzakelijk, dat ik me enigszins een voorstelling kan maken van datgene, wat het hart is van mijn christelijk geloof.
Hoe zou ik het anders iemand kunnen uitleggen? Hoe kan ik er anders over communiceren? Zulke opstandingservaringen stoppen trouwens ook niet in de bijbel. We vinden ze door de hele kerkgeschiedenis heen: bij Augustinus of bij de grote mystici in de middeleeuwen. Er is steeds weer die overweldigende ervaring, dat God lééft en dat Hij ons bezielt met zijn opdracht. Dat is immers zo kenmerkend voor de 'reagierende Mystik', dat zij zowel mystiek als ethisch van aard is. God openbaart Zich en Hij machtigt ons. In wezen vallen Pasen en Pinksteren steeds op dezelfde dag, zoals Johannes 20 : 19-23 ons duidelijk maakt. Wij zijn niet de erfgenamen van de dode, maar de bondgenoten van de levende God. Ook bij andere christenen vinden we ervaringen, die met de opstandingsgebeurtenissen vergelijkbaar zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de nachtelijke belevenis, die Pascal's leven veranderde, toen hij tot de ontdekking kwam, dat het de God van Abraham, Isaak en Jakob was, die tot hem sprak, zoals Hij eerder had gesproken tot Mozes (Exodus 3 : 6). Het is de levende God, die ons aanspreekt en niet de god der filosofen.
Tenslotte wijst Van Gennep erop, dat de voorstelling van een lichamelijke opstanding voor hem te dicht in de buurt van een 'mirakel' komt, een ingrijpen van God waardoor Hij de natuurwetten zou verbreken of opheffen. Van Gennep meent dat het bijbelse begrip 'wonder' op een totaal ander niveau ligt dan doorbreking van de wetten van natuur of geschiedenis. Een miraculeus wondergeloof is na Auschwitz niet meer mogelijk.
Waarlijk opgestaan
Het zal duidelijk zijn, dat hier maar geen kleinigheden aan de orde gesteld worden maar zaken die van directe betekenis zijn voor prediking, pastoraat en apostolaat. Het is jammer dat – ook door Van Gennep zelf – de zaak direct in een richtingskwestie getrokken is: Van Gennep contra barthianen en bonders. Zoiets werkt vertroebelend en is weinig vruchtbaar voor het klimaat waarbinnen in de kerk gesproken dient te worden.
In Kontekstueel van juni jl. heeft ds. T. Poot de vraag gesteld of de uitlatingen van Van Gennep op een lijn te stellen zijn met wat de vrijzinnigheid in de vorige eeuw meende. Poot meent dat er toch een verschil is tussen Van Gennep en het modemisme uit de vorige eeuw.
De vorige eeuwse loochenaars van de lichamelijke opstanding van Christus zeiden: het staat wel in de bijbel, maar op dat punt heeft de bijbel voor ons geen gezag; wij kunnen wat in de bijbel staat niet op één lijn brengen met onze moderne, wetenschappelijke opvattingen. Van Gennep praat heel anders; hij zegt: dat Christus lichamelijk is opgestaan staat niet zó in de bijbel als de orthodoxie dat gelooft. Dat was dan ook, blijkens Trouw van vanmorgen (2 juni) zijn eerste reactie op de rede van ds. C. van den Bergh. Hij twijfelt er geen seconde aan of zijn opvattingen wel stroken met de bijbel en hij daagt de bonders uit aan te tonen dat dat niet het geval is en voegt er grimmig aan toe dat ze dat niet mee zal vallen.
We zien in het hierboven geciteerde dat Van Gennep inderdaad van oordeel is, dat de uitleg van de nieuwtestamentische teksten een lichamelijke opstanding van Jezus weerspreekt. Een persschouw biedt niet de ruimte om op de argumenten van Van Gennep in te gaan. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hij met name aan de prediking van het 'waarlijk opgestaan' toch een wel zeer minimaliserende uitleg geeft.
Komt bovendien zijn mystieke opvatting van Pasen niet dicht in de buurt van een visie die het feitelijk gebeuren verlegt naar de subjectieve, innerlijke ervaring? Ik moest denken aan het ook in ultra-rechtse kringen nogal eens aangehaalde woord: 'Al was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren en niet in mijn ziel, dan was ik nog verloren'. Maar op die wijze worden openbaring als daad van God en innerlijke ervaring toch wel helemaal in elkaar geschoven. Juist de ontmoeting van Paulus op de weg naar Damascus alsmede het 'Hij is gezien' in 1 Cor. 15 wijst op een werkelijk gebeuren buiten ons. Prof. Versteeg wijst er in zijn proefschrift Christus en de Geest op, dat in het O.T. het 'Hij is gezien' een technische term is voor de presentie van de zich openbarende God en voorts dat Paulus de verschijningen van de opgestane Christus onderscheidt van visioenen die Hij blijkens 2 Cor. 12 ook gekend heeft. In hetzelfde nummer van IdW waarin Van Gennep zijn bezwaren tegen de gangbare visie uiteenzet, neemt dr. J. Verheul het op voor de feitelijkheid van de lichamelijke opstanding.
Als de oergemeente verkondigt, dat God Jezus uit de doden heeft opgewekt, gaat het opnieuw om uitverkiezing. Zij ziet daarin de grote bevestiging, dat Jezus de Zoon des Mensen is, het is zijn legitimatie van Gods kant. Bij de openbaring die Paulus op de weg naar Damascus te beurt gevallen is (1 Cor. 15 : 8; Hand. 9 : 3-5) moet hem dit als in een flits duidelijk zijn geworden en in dat licht ziet hij blijkbaar in 1 Cor. 15 ook de berichten van andere verschijningen.
Voor alle nieuwtestamentische getuigen, ook Paulus, is Jezus lichamelijk opgewekt. Dat de berichten daarover (het lege graf, de verschijningen) veelal een later stadium van de schriftelijke traditie vertegenwoordigen, pleit nog niet tegen de oorspronkelijkheid van deze opvatting. Dat God Jezus uit de doden heeft opgewekt moet van meet af aan zijn lichamelijke opstanding hebben ingehouden.
Als Jezus immers inlichamelijk was opgewekt, was daarmee het echte menszijn van de historische Jezus miskend. Voor deze mens was dan de lichamelijkheid iets dat hij kon missen terwijl hij toch helemaal Jezus kon blijven. Het lichamelijke zou dan voor deze persoon wezenlijk bijkomstig zijn geweest, een doorgangsfase, een huid die werd afgestroopt. Zo is dan met geen enkel ander mens, tenzij men spoken wil zien. Het Woord is dan ook niet echt vlees geworden.
Dat God Jezus uit de doden heeft opgewekt wilde zeggen, dat de werkelijke Jezus, zoals hij in de geschiedenis optrad en met lijf en leden tot op het kruis Gods wil had volbracht, dat deze Jezus met zijn doorboorde handen en voeten was aangewezen als Mensenzoon en Heer. Ware het anders, God had zijn knecht achteraf toch op een subtiele manier laten vallen.
Gaat het hier nu slechts om een bepaalde, tijdgebonden manier van spreken om uit te drukken, dat de Opgestane dezelfde is als de Gekruisigde? Het zou dan gaan om een vorm, die zonder bezwaar door een andere kan worden vervangen, zoals men ook symbolen desnoods door andere kan vervangen. De vorm is hier echter niet neutraal: de voorstelling van de opstanding der doden impliceert een bepaalde kijk op mens en geschiedenis onder eschatologische belichting. Uiteindelijk blijkt God het aardse, stoffelijke bestaan dat hem toebehoort terwille van de Ene die Hij heeft uitverkoren volkomen serieus te nemen en daaraan recht te doen. In deze vorm gaat het niet om een bijzaak en dat blijkt hieruit, dat de opstanding van Jezus in de nieuwtestamentische gemeente de grond kan zijn om de toekomstige opstanding der doden en het eindgericht te verwachten.
Een natuurlijk en een geestelijk lichaam
Uiteraard zal het gesprek ook moeten gaan om de aard en de bedoeling van de opstandingsberichten. De boodschap van het lege graf is – dat moet gezegd worden – geen historisch bewijs in de moderne zin van het woord. De evangeliën zelf laten zien hoezeer deze boodschap, dus Jezus' vijanden, misduid werd (Maitth. 28 : 11-15). Het teken vraagt altijd geloof. Maar dat neemt niet weg dat de feitelijkheid van dit gebeuren van belang is. De Here is waarlijk opgestaan!
Poot in zijn kroniek legt verbindingen tussen Van Gennep, Ter Linden en de Duitse nieuwtestamenticus Rudolf Bultmann, die ook ter wille van de moderne mens de feitelijkheid van het opstandingsgebeuren als lichamelijke opstanding liet vallen. Poot gelooft niet in tuchtmaatregelen en gravamina, gezien de situatie van de kerk, maar roept zijn lezers om grondig in te gaan in het kader van het gereformeerd belijden op wat door Van Gennep en Ter Linden aan de orde is gesteld. Hij wijst op Paulus' spreken in 1 Cor. 15 : 35 v.v.
'Als ik dan toch een voorzetje mag geven, dan zou ik om te beginnen aandacht schenken aan Paulus' woorden in 1 Corinthiërs 15 over het natuurlijk lichaam dat gezaaid en het geestelijk lichaam dat opgewekt wordt. Ik hoor soms mensen over de Opstanding van Christus zó praten (en preken) dat de indruk gewekt wordt dat Jezus even weg geweest is in en door de dood, maar na drie dagen gelukkig weer is teruggekeerd tot dit leven. In zo'n lichamelijke opstanding geloof ik ook niet, want daarin wordt geen ernst gemaakt met de boodschap van de Paasengel: Hij is hier niet! ik hoor soms ook mensen zó 'geestelijk' praten, dat mij de haren ten berge rijzen, alsof geestelijk zoiets zou zijn als onzichtbare stof of gasvormig. Geestelijk betekent in Paulus' taal pneumatisch: een lichamelijkheid die niet, zoals het natuurlijk lichaam, door de psyche, maar door de Geest beheerst wordt. Is Jezus lichamelijk opgestaan? Jazeker, Hij is waarlijk opgestaan! Maar niet met een natuurlijk lichaam, maar met een geestelijk lichaam. Als Van Gennep dan ook spreekt over 'de kwalitatieve verandering van zijn bestaanswijze' dan ben ik dat voor 100 procent met hem eens. Ik kan dan echter niet begrijpen dat hij daarna zegt: 'Als wij dat laatste vasthouden: de kwalitatieve verandering van Jezus' leven, dan hoeven wij niet langer in de lichamelijke opstanding te geloven'. Alsof de kwalitatieve verandering van Jezus' bestaanswijze in de opstanding de lichamelijkheid uitsluit! Integendeel!' Is er een natuurlijk lichaam, dan is er ook een geestelijk lichaam! Dat gaat het begrip van ons, sprinkhanen, wel te boven, maar niet de mogelijkheden Gods. Ik wou dat Van Gennep daar wat meer krediet voor had, juist als hij kontekstueel de Opstanding van Christus wil vertolken.
Juist terwille van een vertolking die bij de tijd wil zijn, trouw aan de Schriften, zullen we de lichamelijke opstanding hebben te belijden. Omdat deze beslissend is voor de verwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, een verwachting die ook ons lichaam raakt. Beslissend ook in een tijd waarin de geseculariseerde mens het geloof wil 'opsluiten' in de innerlijkheid en God van de wereld en de geschiedenis losmaakt. Het beslissende inzake Pasen is m.i. nog altijd sober maar indringend verwoord in Zondag 17 van de Catechismus. Maar met minder kan het dan ook echt niet.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's