Menselijk lijden en Gods voorzienigheid (4)
In het derde artikel stipte ik reeds aan, dat wij niet mogen zeggen, dat alle lijden altijd een straf is. Er is ook lijden om het geloof te beproeven. In dit verband valt onder andere te denken aan Job. Lijden kan door de Heere ook gebruikt worden tot verheerlijking van Zijn Naam en tot opluistering van Zijn deugden. De geschiedenis van de blindgeborene in Johannes 9 geeft daarvan een voorbeeld. Hetzelfde kan gelden van plaatselijke en nationale rampen als epidemieën, stormen, aardbevingen, etc. Soms voltrekt de Heere in Zijn vrijmacht op deze wijze een gericht over een bepaalde kring of een bepaald volk. Duidelijk zal zijn dat wij voorzichtig moeten zijn om in deze gevallen – trouwens dit is van toepassing op àlle gevallen – de Heere in Zijn vrijmacht te betuttelen. Niets wordt doorgaans door ons zo gemakkelijk gedaan als juist dat. God is God en wij hebben God God te laten en onder Hem te komen. Een les die wij ons leven lang moeten leren.
Niet altijd
Toch kunnen wij niet altijd zeggen, dat alIe lijden er is om het geloof te beproeven. Ik denk aan Lukas 13. In dat hoofdstuk hoor ik de Heere Jezus zeggen: 'Meent gij, dat deze Galileeërs zondaars zijn geweest boven al de Galileeërs, omdat zij zulks geleden hebben?' En wat te denken van de achttien op wie de toren in Siloam viel ten gevolge waarvan zij werden gedood? Van hen zegt de Zaligmaker: 'Meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?' Van deze plagen geldt dat zij de gevolgen zijn van onze zondeval in het algemeen. Door de vloek over het aardrijk zijn de machten der natuur dermate ontketend, dat herhaaldelijk de meest ontzettende gebeurtenissen plaatsvinden. Dit alles is trouwens ook toe te passen op vergiftigde planten, doornen en distels, verscheurende dieren, enz. God heeft na de val geen nieuwe soorten in het planten- en dierenrijk geschapen, maar om onzer zonde wil trad ook in die rijken verwildering in. Dat heel de natuur deelt in het lot van ons mensen, vloeit voort uit het feit dat de mens het hoofd van de schepping is. Omdat wij weigerden God te dienen zoals Hij ons bevolen had, verbeurden wij het voorrecht, dat de schepping ons diende. En het is alleen aan Gods algemene genade te danken, dat wij nog kunnen spreken van enige macht van de mens over de natuur. Hoewel wij ons zeker in onze tijd kunnen afvragen wat wij met die algemene genade gedaan hebben, gezien de geweldige milieuproblematiek. Hierover behoef ik verder niet te schrijven, omdat in ons blad door een andere schrijver hieraan uitvoerig aandacht is besteed in de afgelopen maanden. Alleen dit schrijf ik er nog van, dat de natuur lijdt om onzentwil. Anders gezegd: vanwege onze ongehoorzaamheid tegenover de Schepper is er in de natuur een geweldige disharmonie. Een loslopende leeuw zou voor ons geen gevaar betekenen, wanneer wij gehoorzaam waren gebleven. Natuurrampen zouden achterwege zijn gebleven, wanneer de zondeval zich nooit had voorgedaan.
Regering van God
Een vraag die zich aan ons voordoet is deze: hoe moeten wij in wat er tot nu toe over het lijden geschreven is de regering Gods zien en wat verstaan wij eigenlijk daar onder? Onder de regering van God versta ik heel algemeen, dat de Heere heel de kosmos en al wat er in is, beheerst en dat Hij alle dingen leidt tot dat doel dat door Hem bepaald en gewild is. Omdat God alles schiep, daarom is Hij Gebieder en Heere over alles. Uit het feit van de schepping vloeit het recht om te gebieden voort. En waar nu God met alle dingen een bepaalde bedoeling heeft, daar schikt Hij het op die wijze, dat zijn raad nimmer faalt. Goed moeten wij dus vasthouden – en dat is een groot stuk voor het geloof – dat de Heere de regeerder en bestuurder van de schepselen is. Niets gebeurt er zonder Zijn wil. Door niets of niemand wordt Hij verrast. Zonder te kort te doen aan de menselijke verantwoordelijkheid, want wij zijn immers geen stokken en blokken, stel ik toch dat God van alles weet en alles bestuurt en regeert. Om die reden wordt God ook meermalen in de Schrift Koning genoemd. Niet alleen in het Oude Testament, doch niet minder in het Nieuwe Testament.
Voor dit laatste zijn 1 Tim. 1 : 17 en Openb. 19 : 6b onder meer voorbeelden. Op grond van deze gegevens uit de Schrift mogen wij niet zeggen, dat het koningschap van God is teruggetreden voor Zijn Vaderschap in Christus. In de vorige eeuw werd dit door de ethische richting wel zo gesteld, maar dat is met de Schrift in de hand niet hard te maken. Beide moeten wij vasthouden: ods Koningschap en Zijn Vaderschap. De HEERE is èn Koning èn Vader. Zoals ik schreef gaat Gods koningschap over alles, doch er is verschil in de manier waarop Hij het uitoefent. De levenloze en redeloze schepselen bestuurt en regeert Hij zonder hun weten. De goddelozen hebben er ook menigmaal geen besef van. In ieder geval heerst God over hen en tegen hun wil, zodat zij huns ondanks doen, hetgeen God wil, dat geschieden zal. De kinderen Gods begeren daarentegen zich aan hun Heere te onderwerpen. Hoe verschillend echter de vorm van de regering en besturing mag zijn, onder alle omstandigheden geldt: de HEERE regeert. Zelfs dienen wij dit toe te passen op de zondige handelingen van ons mensen. Wanneer er in 1 Kron. 21 : 1 wordt gezegd: 'Satan porde David aan om het volk te tellen' en eveneens 2 Sam. 24 : 1: 'God porde David tegen hen aan, zeggende: ga, tel Israël en Juda', dan is dit in de grond der zaak precies hetzelfde. Immers betekent 't zeggen 'God porde David aan' dat de Heere toeliet, dat satan de koning aanzette tot zonde, ja dat Hij de gelegenheden zo schikte, dat satan tot dit zondige werk in staat was. Maar ook al wordt satan in dit geval door de Heere als een instrument gebruikt, niettemin blijft David de verantwoordelijke persoon, de auteur der bedreven zonde. Ook is hij de verantwoordelijke persoon voor al het lijden dat hieruit is voortgekomen.
Wat ik hierboven heb geschreven over het koningschap Gods geldt eveneens voor en heeft betrekking op de rampen en tegenspoeden (waaronder het lijden) in dit leven. God is Schepper van het licht en de duisternis, van het goede en het kwade. Hiervan lezen wij in Jesaja 45 : 7: 'Ik formeer het licht en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad. Ik, de HEERE, doe al deze dingen.' Ook mag ik wel wijzen op Amos 3 : 6: 'Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?'
Moeilijk te verstaan
Als men mij vraagt of dit alles helemaal te verstaan is, dan kan mijn antwoord kort en bondig zijn: neen. Soms wordt wel eens geprobeerd om het dogmatisch alles in één vat te gieten, maar van hoeveel waarde wellicht de dogmatiek mag zijn, ik denk dat wij te ver gaan als wij dit alles gaan beredeneren. De Heere gaat in dit alles Zijn souvereine gang. Een gang die ons telkens – ook in ons persoonlijk leven – plaatst voor mysteriën (geheimenissen). Wat God in Zijn glanzende raad heeft bepaald is zo verschillend. Die glanzende raad is voor ons niet te doorgronden. Daarbij komt nog dat Gods kinderen ogenschijnlijk meer rampen, leed en narigheid hebben te verduren dan de goddelozen. Ik wees al eerder in dit verband op Asaf. Maar ik denk ook aan die godvrezende moeder die vier van haar kinderen naar het graf heeft moeten brengen, alsmede aan die geoefende christen die in de kracht van zijn leven heen ging, na vreselijke pijnen geleden te hebben. Wat kan een christen trouwens ook lijden onder de spot die hem wordt aangedaan op zijn werk òf in een andere omgeving. In de Christenreize van Bunyan kunnen wij lezen, dat de vrouw van christen tegen haar kinderen zegt: 'jongens, moet je eens luisteren, het is je vader in zijn bol geslagen.' Was dit geen lijden voor christen, door zijn huisgenoten hem aangedaan? Wat kunnen wij als wij God naar Zijn Woord begeren te dienen in alle oprechtheid en ootmoed ook lijden aan de kerk. Wat hebben met name G. Boer en W. L. Tukker juist aan de kerk om haar afwijken van de reine leer geleden. Zij zijn er bijna door verteerd. Ik noemde deze broeders die bevorderd zijn tot heerlijkheid bij name, doch als het goed is lijden wij allen aan de kerk. En dat niet zozeer omdat ons schade zou worden toegebracht. Meer nog omdat de zaak des Heere geschaad wordt, wanneer er in de kerk een afwijken is van het Woord. Het moet ons immers altijd om Zijn eer en Zijn zaak te doen zijn. Nú, wàt kunnen wij dan lijden aan de kerk. En dan schrijf ik maar niet over het lijden vanwege de polarisatie in eigen kring en gezindte. Maar dat dit lijden er is, zal zo waar zijn als twee keer twee vier is. Niet alIe lijden is altijd te voorkomen, toch denk ik wel eens dat er minder geleden zou worden aan de polarisatie in eigen kring en er wellicht helemaal geen polarisatie zou zijn als van ons gezegd zou kunnen worden wat er zo van de eerste christengemeente staat geschreven: 'Ziet, hoe lief zij elkaar hebben.' Het zou toch wel mooi zijn als wij wat minder elkaars oren zouden wassen en wat meer elkaars voeten. En het zou heel mooi zijn, wanneer wij samen meer en meer leerjongeren van de Schrift begeerden te zijn. Laten wij voorts maar niet vergeten, dat wij elkaar juist in deze tijd hard nodig hebben.
Zonder defaitistisch te zijn en van wat ik zojuist heb geschreven iets af te doen, geloof ik echter wel dat al dat lijden er móet zijn. Ik geloof zelfs dat dit in de raad Gods is opgenomen. Niets gaat er buiten die raad om. En hoewel het moeilijk te verstaan is, versta ik er iets van – let wel: heel weinig – als ik bedenk dat het lijden van welke aard en in welke vorm dan ook niet alleen dient ter vergelding, maar ook voor Gods kinderen tot kastijding, geloofsbeproeving en geloofsversterking. En in 't bijzonder wel tot de verheerlijking Gods. De gloria dei, zoals Calvijn opmerkt. Maar nogmaals: veel blijft hier voor ons onverklaarbaar. Slechts dit weten wij, dat God eenmaal de werkers der ongerechtigheid straffen zal en dat ook de diepe wegen der gelovigen moeten meewerken ten goede. De Heere regeert en niets gaat er buiten Hem om. Hij is Koning, doch Hij is niet minder Vader. In alle leed mogen Zijn kinderen weten, dat Hij als hun Koning en Vader alles weet. Bij de Vader der lichten en bij de Vader van alle barmhartigheid zijn milde handen en vriendelijke ogen. Dit bedenkend geeft de voorzienigheid Gods troost in hun lijden. De dichter van de oude dag zegt zelfs: 'hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn dierbaar in Zijn oog'. In een slotartikel wil ik met name nog op de troost van Gods voorzienigheid in gaan (slot volgt).
G.S.A. de Knegt, P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's