De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Sprookje

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sprookje

6 minuten leestijd

Niet-werkenden
Er woonde ergens een klein volk in een laag land dicht bij de zee. Er was daar echter een 'maar'. Vijf mensen traden op de voorgrond. Bijna zou je denken, dat zij het land regeerden.
De eerste was P. Verhoging. Een grote rustige man. Kalm ging hij voort. Altijd door. Lang niet iedereen wist, dat hij meeregeerde. Niettemin, Piet Verhoging was nadrukkelijk present. Let op!
A. Telang viel minder op. Niet groot, schijnbaar wat verlegen kwam hij minder op de voorgrond. Men had geen erg in hem. Toch had hij wel invloed, maar weinig. En wie hem luidruchtig prezen, hadden weinig te vertellen.
Dan waren er V. Raag en A. A. N. Bod. Zij werden wel tweelingbroers genoemd. Ze waren echter een verschillend en dachten ook verschillend.
Victor Raag vroeg altijd wat de mensen wilden hebben.
Arnold Bod
vroeg wat de mensen konden leveren.
Bij Piet Verhoging en Anton Telang vergeleken bleven zij meer op de achtergrond. De meesten van het volk wisten niet, dat zij meeregeerden. Nu zou het met dat 'maar' wel zijn meegevallen, wanneer de vier, die we noemden, eendrachtig hadden samengewerkt.
Piet Verhoging was erg zeker van zichzelf. Hij hield met de andere drie geen rekening. De meesten merkten dat niet.
De andere drie werkten ook niet serieus samen. Anton Telang ging zijn eigen weg. Victor Raag en Arnold Bod konden het, vreemd genoeg, aardig met elkaar vinden. Intussen was er geen echte eenheid, geen echt kwartet. Alle vier wilden zij een zelf uitgezette koers varen, los van elkaar. Het zat hem in dat 'maar', er was te weinig werk.
De vijfde man in de regering, die het kwintet vol zou moeten maken, werd nog niet genoemd. Dat was mr. S. Verdeel. Ja, die was meester in het verdelen.
Hij zocht met de vier anderen contact en stookte de een tegen de ander op. Altijd begon hij met een vraag: 'Zolang de economie aantrekt, komt het totaal aantal werklozen er toch minder op aan? Ze krijgen toch een uitkering?' Het volk gaf mr. Verdeel gelijk. En Piet Verhoging en Anton Telang lieten zich zelfs door hem meenemen. Maar ze gingen elkaar door het gepraat van mr. Verdeel ook wantrouwen. Anton dacht: Die Piet met zijn slakkengang maakt niet veel klaar. En Piet dacht: Die Anton wil de hele samenleving ondersteboven gooien. Victor Raag en Arnold Bod bemerkten het wantrouwen tussen Piet en Anton. Trouwens, ook zij waren het met elkaar lang niet altijd eens.
Intussen liep mr. Verdeel, die veel navolgers had, genoeglijk door de straten.
Zijn volgelingen zaten niet in de regering, maar schreeuwden des te harder.
Zo had je Meerloon en Meervrij. Meervrij kon het met Anton Telang wel vinden. Omgekeerd mocht Telang Meervrij niet erg en Meerloon evenmin. Zij dachten aan zichzelf en hij dacht aan anderen.
Mr. Verdeel had ook volgelingen als Staking, Onderbreking en Bezetting. Zij hadden weinig verstand en lieten zich grif door Verdeel gebruiken. Omdat er geen goede samenwerking was tussen Verhoging, Telang, Raag en Bod, ging het verkeerd.
Het volk zag de verschillen niet en vond dat het kwintet het niet slecht deed. Wel moest meer geluisterd worden naar Verdeel, Telang en Meerloon. Dat alle drie verschillende wegen bewandelden, zag het volk niet.

Niet-werkenden
Er waren erg veel niet-werkenden, maar die kregen een uitkering. Dat werd een 'recht' genoemd. De meesten waren tamelijk tevreden. De overheid wilde de toestand van veel niet-werkenden niet handhaven. De mening van deskundigen werd gevraagd.
Piet Verhoging sprak eerst. Het bedrijfsleven moet concurreren om te blijven bestaan. Welnu, daar zorgde hij voor. Regelmatig zorgde hij voor een arbeidsproduktieverhoging van 2,5 à 3% per jaar. Wanneer het bedrijfsleven de hierdoor geboden mogelijkheden zou benutten, zou de werkloosheid automatisch minder groot worden, meende hij.
Daarna sprak Anton Telang. Wat Piet Verhoging had gezegd, leek mooier dan het was. Waar kwam de werkloosheid vandaan? Hij hield een ogenblik op. Toen: 'De werkloosheid is een gevolg van de arbeidsproduktiviteitstoename.' Gelukkig kon hij de juiste therapie aandragen: een aan de bedrijven aangepaste arbeidstijdverkorting. 'Dan blijft de zaak in evenwicht,' meende hij. 'Piet Verhoging bekijkt het te eenzijdig,' besloot hij.
Victor Raag kreeg hierna gelegenheid iets te zeggen. Heel kort, zijn partij was maar klein. Hij stelde, dat alles draait om de 'vraag'. Wanneer de vraag terug zou lopen zou de economie instorten en neemt de werkloosheid toe. 'De vraag kwam bij de vorige sprekers niet in het vizier en dat is funest,' betoogde hij.
Arnold Bod kreeg ook het woord. Eventjes. Zijn partij was heel klein. Hij was het met de eerste sprekers oneens. Hij vond wat zij voorstelden eendig. Wat Victor Raag voorstond trok hem wel aan. Maar er moest ook wat zijn om aan te bieden. Z.i. zouden V. Raag en A. A. N. Bod een begin kunnen maken om de moeilijkheden op te lossen. Door samen te werken.
Mr. S. Verdeel vertegenwoordigde een grote partij. Opzettelijk had hij de anderen eerst laten spreken. Hij sprak eerst ettelijke minuten, zonder hoegenaamd iets te hebben gezegd. Stuk voor stuk kraakte hij wat Verhoging en Telang te berde brachten. Verhoging bezag de dingen niet slecht, maar het moest grootschaliger. Telang was eenzijdig met zijn arbeidstijdverkorting.
'Verhoging legt het zwaartepunt in de toename van de arbeidsproduktiviteit, meneer de Voorzitter. Maar daar ligt het zwaartepunt niet. De werkgelegenheid moet vergroot worden. De koopkracht moet toenemen. En daarom moeten delonen en uitkeringen omhoog. Dan is arbeidstijdverkorting onnodig, althans niet urgent,' meende hij.
'Bovendien, onze concurrentiepositie zou geen atv kunnen hebben. We moeten deze zaak grootschalig zien.'
Wat V. Raag en A. A. N. Bod gezegd hadden, deed hij af als praat, die met werkloosheid nauwelijks te maken had.
Hij kreeg applaus van de tribune.
De regering besloot de door mr. Verdeel aanbevolen richting te volgen. De meeste leden wisten geen raad met wat de anderen gezegd hadden. Dat bleef in de schaduw. Men zag niet, dat ieder van de vier waardevolle elementen aandroeg, die in harmonisch verband met elkaar gebracht moesten worden.
Eigen eenzijdigheid werd niet gezien.
Velen bleven zonder werk. Er kwam geen echte oplossing. Wel een geest van 'je moet ermee leren leven'.
Wonderlijk: die mensen wisten bijna alles en konden bijna alles bereiken. Dat ene: alle mensen aan werk helpen en daardoor gelukkiger maken konden zij niet.
Want zij, en wij, hadden de Schepper verlaten en dachten het te redden zonder Hem.
Het sprookje is uit. De laatste zin is echter géén sprookje.

G. Kardol, Alphen a. d. Rijn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Sprookje

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's