Jezus Christus tussen joden en christenen (1)
Inleiding
De vraag naar de betekenis van Israël, land, volk en staat, de relatie van Israël tot de christelijke gemeente, de plaats van dit volk in het heilsplan van God, blijft ons bezighouden. Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk worden wij er met de neus bovenop gedrukt door de in mei van dit jaar aan de kerkeraden toegezonden voorstellen tot wijziging van artikel VIII van de Kerkorde. Het betreft hier enkele wijzigingen inzake de formulering van de aard van het gesprek met Israël waartoe de Kerk geroepen is. In de toelichting wordt o.m. gezegd dat de formuleringen van 1951 de indruk wekken van een alleenspraak van de zijde van de Kerk. Een echte ontmoeting kan zo moeilijk tot stand komen wanneer de kerk niet bereid is de vragen van Israël met betrekking tot haar belijdenis serieus te nemen.
Vandaar dat voorgesteld wordt om in plaats van de woorden 'in de verwachting van het Koninkrijk Gods' te lezen 'delend in de aan Israël geschonken verwachting van het Koninkrijk Gods' om zo tot uitdrukking te brengen dat deze verwachting geen exclusief kenmerk van de Kerk is maar een allereerst in Israël gewekte verwachting waaraan de Kerk mag deelhebben. Ook wil men niet meer spreken van een 'zich richten tot de synagoge' maar wordt voorgesteld in art. VIII, – 2 te lezen: 'De Kerk zoekt het gesprek met Israël inzake het verstaan der Heilige Schrift in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is'. De vraag waar het in de synodediscussie over ging was o.a. of hier alleen maar sprake is van een meer zakelijke en meer bescheiden omschrijving, dan wel of we toch niet moeten spreken van een koerswijziging, waarbij naar het gevoelen van een deel van de synode het getuigend karakter van het gesprek toch verzwakt is.
Telkens blijkt weer dat discussies over deze zaak zeer bewogen en soms zeer emotioneel zijn. Daarbij blijkt het niet eenvoudig evenwicht te bewaren. De publicaties van het OJEC en van Christenen voor Israël ademen een zeer verschillende geest, maar kenmerken zich beide door een zeer eenzijdige stellingname. Het is daarom niet eenvoudig om hierin een evenwichtige positie in te nemen die recht doet aan het integrale en totale Schriftgetuigenis. Het gevaar van een selectief en eenzijdig lezen van de bijbelse gegevens is hier levensgroot. Bovendien blijken allerlei niet-theologische factoren, zoals onzekerheid ten aanzien van de inhoud van het eigen geloof, schuldbesef vanwege het leed dat Israël is aangedaan in de jaren 1933-1945 als huiveringwekkende uitloper van een eeuwenlange houding van antisemitisme, politieke voorkeuren inzake de verhouding tussen Israël en de Palestijnen, mee te spelen en niet zelden een goed gesprek te bemoeilijken.
Wie zich daarom op dit omstreden terrein waagt met een publicatie kan een zekere moed niet ontzegd worden, temeer als de auteur van een dergelijk boek het ook nog aandurft tegen een aantal gangbare meningen in te gaan.
Ik heb het oog op een publicatie van dr. J. Vlaardingerbroek, predikant van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Charlois, en Oudtestamenticus van theologische professie. Zijn boek vormt een bijdrage in de serie Bijtijds geloven, een serie die gemeenteleden wil helpen om hun weg te vinden in kerk en maatschappij in het spoor van de reformatorische belijdenis. Ik heb het voorrecht gehad met de auteur te mogen samenwerken in de redactie van Tekst voor tekst, waar ik hem heb leren kennen als een nauwgezet exegeet die in zijn werk maar door één zorg gedreven wordt: Lees ik ook wat er echt staat? Dat lijkt me een zuiver gereformeerd uitgangspunt, ingegeven door een houding van eerbied voor het Woord Gods zoals we dat in – en niet achter! – de tekst van de 66 bijbelboeken ontvangen hebben.
Dat neemt niet weg dat ik zijn jongste publicatie met gemengde gevoelens gelezen heb. Ik heb een aantal uitroeptekens geplaatst en tegelijk ook een serie vraagtekens. Mijn respect voor en verbondenheid met de auteur brengen me ertoe om in de vorm van een tweetal artikelen te verwoorden waar ik door zijn boek verrijkt ben en waar ik meen te moeten vragen: moet het echt zo? Met andere woorden: ik grijp dankbaar het aanbod van de redactiesecretaris aan om in enkele artikelen op dit boek te reageren en niet te volstaan met een beknopte aankondiging.
De centrale vraag
Het boek is als volgt ingedeeld. Na een beknopte inleiding over de aard en de problematiek van het gesprek met Israël volgen twee hoofdstukken waarin geschetst wordt hoe we de Persoon van Jezus, de zoon van David, de zoon van Abraham hebben te zien, wat zijn jood-zijn betekent, alsmede wat het Joodse 'neen' tegen de Messias Jezus inhoudt. In dat verband komen de vragen van het antisemitisme ter sprake.
Vanuit deze centrale christologische vraag komt dan in hoofdstuk vier aan de orde hoe we de relatie van Kerk tot Israël hebben te zien. Is de Kerk in de plaats van Israël gekomen? Hoofdstuk 5 plaatst de vraag van 'zending of gesprek' tegen de achtergrond van de Holocaust, terwijl het laatste hoofdstuk ingaat op de waardering van de staat Israël.
Terecht ziet de schrijver als de meest belangrijke vraag: wie is Jezus Christus? Vlaardingerbroek wil daarbij uitgaan van de tekst van de Evangeliën zoals die voor ons ligt en niet gaan zoeken naar allerlei 'lagen' achter de tekst, waaruit dan zou moeten blijken dat het portret van een joodse rabbi Jezus door de vroegere kerk in christelijke zin is 'overgeschilderd'. Want wie dat doet, zet de betrouwbaarheid van de Schrift op het spel. De beslissende vraag in het gesprek met en over Israël is, aldus de schrijver: 'Geloven wij in Jezus Christus, zoals het N.T. ons Hem tekent, de Zoon van God, de Verlosser die zijn offer voor ons heeft gebracht en die nog steeds in de hemel voor ons bidt – of hebben wij te doen met Jezus van Nazareth, een joodse rabbi die ware en diepe dingen over God zei?'
Ik ben de schrijver dankbaar dat hij deze vraag zo scherp en helder stelt. Wanneer christenen in het gesprek met joden de belijdenis van de Kerk aangaande Jezus Christus achterwege laten, omdat die belijdenis niet zou stroken met het joodse portret van Jezus, dan missen zij m.i. de boot.
Uiteraard wil de schrijver de gevaren van antisemitisme en verguizing die joden zo menigmaal ten deel gevallen zijn van de kant van christenen niet verwaarlozen. Ook hij weet hoe antisemitisme en jodenhaat het getuigenis van de kerk kunnen bederven en hoe allerlei teksten met betrekking tot het joodse 'nee' verkeerd zijn uitgelegd en rampzalige consequenties hebben gehad. Desalniettemin dienen we, aldus de schrijver, dit joodse 'neen' serieus te nemen, – de Evangeliën zijn daar te duidelijk in – alleen, we zullen dat dan pas serieus nemen als we spreken op de toonhoogte van Revius: ''t En zijn de joden niet…' Wij worden in het evangelie geconfronteerd met onze eigen schuld. 'Het is dan ook niet de vraag, wie Jezus gekruisigd hebben (heeft), maar de vraag wie in de gekruisigde gelooft, die van belang is en die scheiding maakt tussen de mensen', lezen we op blz. 40.
De kerken kunnen in het gesprek met Israël niet zwijgen van dit evangelie van de verzoening door het lijden en sterven van Jezus voor onze zonden.
Getuigend gesprek
Het zal de lezer niet verwonderen dat Vlaardingerbroek een twee-wegen leer met klem van argumenten afwijst. Ook daarin ga ik van harte met hem mee en ik ben hem dankbaar dat hij dit in alle duidelijkheid naar voren brengt. Juist wie nadruk legt op de joodse context van Jezus' werk op aarde kan niet net doen alsof het joodse volk aan Jezus geen boodschap zou hebben. Uitvoerig gaat de schrijver in op de bezwaren die van allerlei kanten worden ingebracht tegen de oude gedachte van zending onder de joden. Daarbij komt ook de Holocaust ter sprake.
Dr. Vlaardingerbroek wil ernst maken met het pijnlijk raadsel van Auschwitz, maar waarschuwt tegelijk voor een modieuze theologie waaraan z.i. juist christelijke theologen zich nogal eens schuldig maken door theologische gedachten over te nemen die wel binnen het joodse denken passen, maar niet in een christelijk denken over God.
Begrijp ik hem goed, dan verwijt hij de door hem bedoelde theologen te weinig kritische zin. De kerk zal in het gesprek met Israël bescheiden, maar duidelijk hebben te getuigen van Jezus Christus in zijn heilsbetekenis voor Israël en de volkeren. Daarom pleit hij ervoor de in de huidige kerkorde van de Ned. Herv. Kerk en de Gereformeerde Kerken voorkomende omschrijving te handhaven: de kerk richt zich tot het joodse volk om daaraan te betuigen, dat Jezus de Christus is.
Natuurlijk, de wijze waarop dit getuigenis gegeven wordt, is niet hetzelfde. Alle superioriteitsbesef en alle meerwaardigheidsgevoelens dienen we uit te zuiveren. Maar wie het getuigend karakter van dit gesprek afwijst omdat dat op zich zou voortkomen uit een besef van meerwaardigheid, heeft van de aard van het bijbelse 'getuigen' niets begrepen.
Een vrijblijvend gesprek bewijst ook Israël geen dienst, zegt de schrijver terecht. En de verwachting van het Koninkrijk? Delen we die niet met Israël? Hier maakt de auteur de terechte opmerking: 'Je kunt niet delen in eikaars verwachting van het Koninkrijk en tegelijk grondig verdeeld zijn over de Koning van dat Rijk'.
Ook dat lijkt me een opmerking van gewicht. Zo is er veel meer te noemen dat mijn hartelijke instemming heeft. Ik denk b.v. aan de opmerkingen over de verhouding tussen de beide Testamenten. Vlaardingerbroek maakt in dat verband de opmerking dat we niet te gemakkelijk en te ongenuanceerd moeten zeggen dat joden en christenen het Oude Testament gemeen hebben. Want we geven heel verschillende antwoorden op de vraag waar de weg van het Oude Testament uitkomt. Ik meen dat ook Gerssen jaren geleden ons ervoor heeft gewaarschuwd om op dit punt niet te snel van gelijkheid te spreken.
Christenen lezen het Oude Testament in het licht van de vervulling in Jezus Christus. Dat is onopgeefbaar voor de Kerk. En dat bepaalt ook de ernst van het gesprek. Ik ben Vlaardingerbroek dankbaar dat hij op deze punten duidelijkheid verschaft. Of zijn stem gehoor zal vinden? Dat blijft voor mij een vraag. Want zoals ik hierboven al zei: Ik heb zijn boekje met gemengde gevoelens gelezen. Er blijft een aantal vraagtekens staan inzake de relatie van de Kerk tot Israël. Maar daar wil ik graag in een tweede artikel nader op ingaan.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's